IT 2435

ABN AMRO handelt niet onzorgvuldig door opname persoonsgegevens in Extern Verwijzingsregister

Rechtbank Amsterdam 23 november 2017, IT&R 2435; ECLI:NL:RBAMS:2017:8329 (X tegen ABN AMRO). Privacy. Wbp. ABN AMRO hanteert een Incidentenregister, waaraan een Extern Verwijzingsregister (EVR) is gekoppeld. Hierin zijn enkel verwijzingsgegevens opgenomen, zoals een naam en geboortedatum. Deze kunnen geraadpleegd worden door andere financiele instellingen om te toetsen of een (rechts)persoon in een EVR voorkomt. De rechtbank overweegt dat de fraude met betrekking tot vervalsing van een bankafschrift vaststaat. X verzoekt om verwijdering van haar persoonsgegevens uit het EVR. Het is inherent aan de werking van het Incidentenwaarschuwingssysteem dat gevolgen worden verbonden aan de registratie van incidenten. Dat X door de registratie nadeel ondervindt en/of zal ondervinden, doordat zij gedurende acht jaar (mogelijk) beperkt is in het verkrijgen van een krediet, is het (voorzienbare) gevolg van haar handelen. ABN AMRO heeft voldaan aan de zorgvuldigheidseisen die gelden bij de opname van persoonsgegevens in de registers en zij heeft dus niet onzorgvuldig gehandeld jegens X.

4.4. De rechtbank is van oordeel dat ook aan het proportionaliteitsvereiste is voldaan. Het is inherent aan de werking van het Incidentenwaarschuwingssysteem dat gevolgen worden verbonden aan de registratie van incidenten. Dat [verzoekster] door de registratie nadeel ondervindt en/of zal ondervinden, doordat zij gedurende acht jaar (mogelijk) beperkt is in het verkrijgen van een krediet, is het (voorzienbare) gevolg van haar handelen. Dat ABN AMRO geen dan wel beperkt schade heeft geleden als gevolg van dat handelen, zoals [verzoekster] aanvoert, doet niet af aan de ernst van de gedraging. Ook de aangevoerde omstandigheid dat [verzoekster] zich in een levensfase bevindt waarin zij zich mogelijk wil gaan settelen, weegt niet op tegen het belang van ABN AMRO en andere financiële instellingen bij registratie in de registers ter waarborging van de veiligheid en integriteit van de financiële sector. Ten aanzien van de in het verzoekschrift gestelde complicaties rondom de financiering van het huis in aanbouw is ter terechtzitting aangegeven dat deze situatie is opgelost. Aangezien [verzoekster] geen andere feiten of omstandigheden heeft gesteld waarom de registraties in het onderhavige geval buitenproportioneel zijn, komt de rechtbank tot de conclusie dat de registraties voldoen aan de in artikel 5.2.1 onder a, b en c van het Protocol neergelegde eisen en derhalve rechtmatig zijn.

4.5. Anders dan [verzoekster] betoogt, is de rechtbank van oordeel dat ABN AMRO heeft voldaan aan de zorgvuldigheidseisen die gelden bij de opname van persoonsgegevens in de registers en dat zij dus niet onzorgvuldig heeft gehandeld jegens [verzoekster] . ABN AMRO heeft door onderzoek vastgesteld dat het door [verzoekster] verstrekte bankafschrift is vervalst. In haar brief van 16 februari 2017 heeft ABN AMRO [verzoekster] hierover naar behoren geïnformeerd en medegedeeld dat de persoonsgegevens van [verzoekster] om die reden zijn geregistreerd in de registers. Aangezien zonder twijfel is vastgesteld dat het bankafschrift is vervalst, was het niet noodzakelijk om [verzoekster] te horen voorafgaand aan de registraties. Dit geldt te meer nu er op grond van het Protocol voldoende mogelijkheden bestaan om achteraf bezwaar te maken tegen opname in de registers, waarvan [verzoekster] ook gebruik heeft gemaakt (zie 2.10 en 2.11).

4.6. Al het voorgaande leidt tot het oordeel dat is voldaan aan de criteria zoals geformuleerd in het Protocol en dat de opname van de persoonsgegevens van [verzoekster] in de registers gerechtvaardigd is. Voor veroordeling van ABN AMRO tot een vermindering van de looptijd van de opname van de persoonsgegevens van [verzoekster] in de registers, ziet de rechtbank geen aanleiding. [verzoekster] heeft ook in dit kader slechts aangevoerd dat zij de komende acht jaar (mogelijk) beperkt is in het verkrijgen van een krediet. Gelet op hetgeen hierover onder 4.4 is overwogen, vormt deze omstandigheid geen rechtvaardiging voor de verzochte vermindering van de standaard looptijd van acht jaar. Hierbij merkt de rechtbank nog op dat het [verzoekster] vrijstaat zich in de toekomst tot ABN AMRO te wenden met het verzoek de termijn van registratie alsnog te verminderen, indien zich daartoe (andere) omstandigheden voordoen.