IT 2299

Betaling licentie software reëel, maar de zakelijkheid van de hoogte niet overtuigend bewezen

Hof 's-Hertogenbosch 24 november 2016, IT 2299; ECLI:NL:GHSHE:2016:5276 (aftrek softwarelicenties) Belasting. Geschil over aftrek licentiebedragen wegens beweerdelijk gebruik softwareprogramma. Licenties betaald aan in het buitenland gevestigde stichting. Nieuw feit. Omkering bewijslast. Hof acht overtuigend bewezen dat verplichting tot betaling licenties reëel is, maar acht de zakelijkheid van de hoogte van de licentiebedragen niet overtuigend bewezen. Omdat de verplichting tot licentiebetaling reëel is, acht het Hof het integraal schrappen van de aftrek van licentiebetalingen door de inspecteur onredelijk. Het Hof stelt een redelijke schatting van de aftrek vast. Voorts oordeelt het Hof dat de inspecteur met toepassing van de foutenleer de in het verleden ten onrechte afgetrokken licentiebedragen mag corrigeren.

4.18. Het Hof legt aan het oordeel dat belanghebbende onvoldoende overtuigend heeft bewezen in hoeverre de navorderingsaanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld, mede ten grondslag dat belanghebbende de onderhavige licentievergoedingen heeft betaald aan een Stichting waarvan de oom van [A] , [E] , samen met de dochter, de “ultimate beneficial owner” is.

4.19. Aan dit oordeel doet niet af dat, door of zijdens belanghebbende, verwezen is naar licentievergoedingen die voor softwareprogramma’s van Microsoft worden betaald. De verwijzing naar deze licentievergoedingen is, naar het oordeel van het Hof, onvoldoende toegesneden op de feiten en omstandigheden van het onderhavige geschil. Hetzelfde heeft te gelden voor het, zijdens belanghebbende in het geding gebrachte onderzoek dat [P] in opdracht van belanghebbende heeft uitgevoerd naar de (hoogte van) de onderhavige licentievergoedingen, waarin verwezen wordt naar licentievergoedingen die voor softwareprogramma’s van Microsoft, Assistance Software, Unit4, BPM Software en Efficy worden betaald.

4.20. Belanghebbende heeft in zoverre derhalve niet voldaan aan de op haar rustende verzwaarde bewijslast.

4.22. Het Hof is van oordeel dat, mede gelet op de algemene marktinformatie zoals blijkend uit het onderzoek van [P] , waarin is opgenomen dat de licentievergoedingen die verkopers van softwareapplicaties ontvangen veelal variëren van 10% tot maximaal 50% en bij gebreke van overige door de Inspecteur verschafte informatie die aan deze schatting ten grondslag zou kunnen worden gelegd, in het onderhavige geval een redelijke schatting van een zakelijke licentievergoeding over de periode tot en met het jaar 2007 10% van de met [software 1] behaalde omzet bedraagt. De overige 90% van de gecorrigeerde licentievergoedingen is derhalve als een redelijke correctie door de Inspecteur te beschouwen.