IT 2619

Centric is niet bevoegd voor een beroep op opschorting vanwege ondeugdelijke prestaties

Hof Arnhem-Leeuwarden 31 juli 2018, IT 2619; ECLI:NL:GHARL:2018:7154 (Centric tegen Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel) Aanbesteding. Gemeenten Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel hebben een Europese aanbestedingsprocedure gehouden voor een overheidsopdracht inzake de levering en implementatie van een ICT applicatielandschap. Op basis daarvan is een overeenkomst gesloten met Centric. Er ontstaat een geschil over de voortgang en deugdelijkheid van de werkzaamheden. De gemeenten schorten hun betalingsverplichtingen op. Centric ontkent tekortschieten en schort werkzaamheden en gebruiksrechten op. De overeenkomst bevat een bepaling over opschorting. De rechtbank wijst de vordering van de gemeenten dat Centric de overeengekomen dienstverlening moet voortzetten toe. Centric gaat hiertegen in beroep en vordert ieder gebruik van hun computerprogrammatuur te staken. Het hof is van oordeel dat een objectieve uitleg van de overeenkomst meebrengt dat Centric niet bevoegd is een beroep op opschorting door de gemeenten vanwege ondeugdelijke prestaties te beantwoorden met een beroep op opschorting van haar eigen verbintenissen, los van de vraag of het beroep op opschorting door de gemeenten in de bodemprocedure juist blijkt te zijn. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.

5.7 Het hof is van oordeel dat een objectieve uitleg van artikel 6.8 van de overeenkomst meebrengt dat Centric niet bevoegd is een beroep op opschorting door de gemeenten vanwege ondeugdelijke prestaties te beantwoorden met een beroep op opschorting van haar eigen verbintenissen. De tekst van de bepaling is daar helder over. Noch de tekst noch de context van de overeenkomst bieden steun voor de uitleg van Centric dat dit verbod van opschorting aan de zijde van Centric beperkt is tot situaties waarin de gemeenten hun verplichtingen bevoegd hebben opgeschort. Daar komt bij dat bij die uitleg de bepaling niets zou toevoegen of veranderen aan wat reeds volgt uit het systeem van de wet (zie de artikelen 6:54 en 6:59 BW), waarbij uiteindelijk pas achteraf door een uitspraak van de rechter komt vast te staan wie van partijen tot opschorting bevoegd was, terwijl in de door de gemeenten gestelde uitleg op voorhand al vaststaat dat Centric niet mag opschorten en daarmee de zin van de bepaling is gegeven. Het hof ziet ook niet in dat partijen door middel van artikel 11.28 van de overeenkomst (welke bepaling niet voorkomt in de concept overeenkomst bij de aanbestedingsstukken) van het bepaalde in artikel 6.8 zijn afgeweken, daargelaten dat een zodanige afwijking op gespannen voet staat met de aanbestedingsrechtelijke beginselen. Het hof komt tot de conclusie dat een objectieve uitleg van artikel 6.8 van de overeenkomst leidt tot het oordeel dat Centric niet bevoegd was haar verbintenissen op te schorten. Een uitleg naar de Haviltexmaatstaf zou overigens niet tot een andere uitkomst hebben geleid, nu daartoe onvoldoende is gesteld.

5.8 Gelet op het voorgaande kan in het midden blijven of en wanneer Centric in verzuim is komen te verkeren, of en wanneer de gemeenten in verzuim zijn komen te verkeren en of en in hoeverre de gemeenten hun verbintenissen terecht hebben opgeschort en behoeven de grieven in zoverre geen bespreking. Een en ander zal in de inmiddels aanhangige bodemprocedure moeten worden vastgesteld. Het hof voegt hier nog wel aan toe dat het over en weer gestelde niet tot het oordeel kan leiden dat het beroep op wanprestatie door de gemeenten evident kansloos is en het beroep op het contractuele verbod van opschorting (mede daarom) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat laatste is ook niet betoogd door Centric.