IT 2009

Dreigen met executie van (later vernietigd) kort gedingvonnis, is onrechtmatig en schadeplichtig

Vzr. Rechtbank Gelderland 12 februari 2016, IEF 15764; IT 2009; ECLI:NL:RBGEL:2016:1491 (Rijndectank)
Onrechtmatige daad. Geen IE, wel interessant. Als een partij door dreiging met executie de wederpartij dwingt zich naar een in kort geding gegeven veroordeling te gedragen, terwijl naderhand het kortgedingvonnis in hoger beroep is vernietigd en de vordering alsnog is afgewezen, levert dat in beginsel onrechtmatig handelen en schadeplichtigheid op.

Retentierecht. Dat eiseres geen verhaalsrecht met voorrang had (artikel 3:292 BW juncto 8:820a BW), liet onverlet dat zij de bevoegdheid behield de afgifte op te schorten als pressiemiddel (artikel 3:290 BW). Voldoende aannemelijk dat eiseres betaling van de bewaarkosten uiteindelijk via het retentierecht had kunnen afdwingen. Daarmee staat voldoende vast dat zij tot dit bedrag schade heeft geleden waarvoor gedaagde aansprakelijk is. Toewijzing van dit bedrag als voorschot op schadevergoeding.

4.2. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat de (dreiging met) executie van het vonnis van de voorzieningenrechter van 13 oktober 2014 ten gevolge waarvan [eiseres] de casco’s van de beide schepen heeft moeten afgeven, onrechtmatig jegens haar was omdat dit vonnis bij arrest van het gerechtshof van 9 juni 2015 is vernietigd en de vordering alsnog is afgewezen. Op grond van dit onrechtmatig handelen is ING verplicht de schade die [eiseres] als gevolg hiervan heeft geleden te vergoeden. Volgens [eiseres] heeft zij in twee opzichten schade geleden doordat zij de beide scheepscasco’s heeft moeten afgeven. Als zij haar retentierecht had kunnen uitoefenen jegens Rijndec Quality Control en ING dan had zij (een deel van) de afbouwkosten van de casco’s vergoed hebben kunnen krijgen omdat zij dan een koper voor de casco’s had kunnen vinden die bereid zou zijn geweest [eiseres] de opdracht tot (verdere) afbouw te verlenen. Verder zou zij betaling van de kosten van bewaring van de casco’s van Rijndec Quality Control en/of ING hebben kunnen afdwingen. ING heeft dit een en ander betwist.

4.3. Voor de beoordeling dient tot uitgangspunt dat degene die door dreiging met executie zijn wederpartij heeft gedwongen zich naar een in kort geding gegeven veroordeling te gedragen, onrechtmatig jegens deze heeft gehandeld wanneer hij, naar achteraf in hoger beroep van het kort gedingvonnis blijkt, niet het recht had van de wederpartij te vergen dat deze zich overeenkomstig dit bevel gedroeg. Daarbij mag ervan worden uitgegaan dat degene die met de executie dreigde, gegeven de aard van het kort geding wist of behoorde te weten dat hij zijn handelen baseerde op een voorlopige maatregel zodat de door zijn handelen veroorzaakte schade in beginsel als door zijn schuld veroorzaakt heeft te gelden (o.a. HR 11 april 2008, NJ 2008/225). Aangezien vast staat dat [eiseres] de beide casco’s onder dreiging van executie van het kort gedingvonnis van 13 oktober 2014 heeft afgegeven terwijl dat vonnis in hoger beroep is vernietigd, het beroep op het retentierecht alsnog is gehonoreerd en de vordering van ING alsnog is afgewezen, heeft ING in beginsel toerekenbaar onrechtmatig jegens [eiseres] gehandeld door de afgifte van de casco’s te eisen. Daarmee is ING in beginsel verplicht de schade die [eiseres] als gevolg daarvan heeft geleden te vergoeden.