IT 2462

Driemaal het maximale indicatietarief, want door alle eiswijzigingen omvat de zaak drie verschillende procedures

Rechtbank Gelderland 10 januari 2018, IEF 17431; IT 2462; ECLI:NL:RBGEL:2018:156 (FSN c.s. tegen Accon) Auteursrecht. Software. Uitspraak na tussenvonnis. Omdat onvoldoende gesteld of gebleken dat sprake is van een auteursrechtelijk beschermd werk, is Kirean niet auteursrechthebbende geworden van de software. Vorderingen uit hoofde van een mogelijk auteursrechtelijk beschermd werk kunnen niet met behulp van de akte van cessie worden overgedragen. De vorderingen van FSN worden afgewezen. Gelet op de bijzondere omstandigheden van deze zaak en gelet op het feit dat deze zaak in wezen door alle eiswijzigingen drie verschillende procedures [zie ook IEF 16506] omvat, wijst de rechtbank driemaal het maximale indicatietarief van de toepasselijke categorie in ie-zaken toe, zijnde € 120.000,00.

2.41. De slotsom is dat eventuele vorderingen uit hoofde van een mogelijk bij [naam 1] rustend auteursrecht op een mogelijk auteursrechtelijk beschermd werk niet met behulp van de akte van cessie kunnen zijn overgedragen aan Kirean. Een en ander geldt mutatis mutandis voor de twee andere overgelegde aktes van cessie van LIH en AFOS van 30 augustus 2016.

2.45. De rechtbank overweegt het volgende.
Het gaat hier om een complexe zaak. Ingevolge punt 7b van de indicatietarieven in IE-zaken is het uitgangspunt dat indien de gevorderde proceskosten zijn onderbouwd zoals bedoeld in punt 5, de redelijke en evenredige proceskosten worden toegewezen, zijnde ten hoogste het maximale indicatietarief van de toepasselijke categorie (in deze zaak € 40.000,00), met inachtneming van hetgeen in de regeling overigens is bepaald. Hogere bedragen – dus boven het maximale indicatietarief van de toepasselijke categorie – worden alleen in bijzondere gevallen toegewezen op basis van de specifieke kenmerken van het geval.

2.46. Met inachtneming van het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om in het onderhavige geval een hoger bedrag boven het maximale indicatietarief van de toepasselijke categorie toe te wijzen. Daarvoor acht zij het volgende redengevend.
- FSN c.s. heeft tot twee keer toe een akte van grondslag- en eiswijziging genomen4, waarmee in feite telkens een compleet nieuwe procedure is gestart. In ieder geval zijn deze wijzigingen niet te beschouwen als kleine aanpassingen. Als gevolg van deze wijzigingen heeft Accon c.s. iedere keer haar verweer moeten aanpassen en herformuleren.
-Er is in deze zaak sprake van twee incidenten. Het eerste incident betrof een door Accon c.s. ingestelde incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring en heeft geleid tot het vonnis in incident van 16 december 2015. Het tweede incident betrof aanvankelijk een op 31 augustus 2016 door FSN c.s. ingestelde incidentele vordering ex artikel 843a Rv, maar na de conclusie van antwoord in incident van Accon c.s. heeft FSN c.s. ook hier haar eis gewijzigd en resteerde slechts het verzoek van FSN c.s. om de beslissing omtrent de proceskosten van het incident aan te houden tot het eindvonnis in de hoofdzaak. Vervolgens hebben partijen nog gecorrespondeerd over een pleitverzoek in het incident van FSN c.s., waarna de rechtbank op 16 november 2016 vonnis in incident heeft gewezen.
- Na ruim twee jaar procederen en het uitwisselen van talloze stukken heeft FSN c.s. nog steeds niet duidelijk gemaakt op welke concrete uitdrukkingswijze van de scan en herken software Accon c.s. inbreuk zou hebben gemaakt. Accon c.s. heeft dan ook telkens terecht aangegeven moeite te hebben zich te verweren tegen een vermeende inbreuk op een in deze procedure onbekend gebleven auteursrechtelijk beschermd werk.
- FSN c.s. heeft gedurende de procedure constant wisselende stellingen en standpunten ingenomen en daarbij die procedure onnodig gecompliceerd gemaakt, waartegen Accon c.s. zich telkens diende te verweren. De rechtbank noemt slechts als voorbeeld het feit dat de procedure door FSN c.s. is ingestoken vanuit de stelling dat sprake was van een gemeenschap tussen FSN en Kirean met als object het auteursrecht op de scan en herken software, zodat het verweer van Accon c.s. zich in eerste instantie ook daartegen richtte. In de conclusie na niet-gehouden getuigenverhoor aan de zijde van FSN c.s. van 31 augustus 2016 heeft FSN c.s. vervolgens eerst aangegeven dat zij tot de levering van het haar door de rechtbank naar aanleiding van haar eigen stellingen opgedragen bewijs niet in staat is en ook dat zij hetgeen die bewijsopdracht inhoudt, niet langer stelt, zodat die bewijsopdracht haar zin heeft verloren. Direct daarna concludeert zij vervolgens dat Accon c.s. geen verweer heeft gevoerd tegen de stelling dat Kirean de enige rechthebbende was bij het ontstaan van het auteursrecht op de software, zodat er geen reden is om Kirean te belasten met dat bewijs. Deze conclusie is gelet op de wijze waarop FSN c.s. de procedure zelf heeft ingestoken minst gezegd opmerkelijk en illustratief voor haar wijze van procederen.
- Hoewel FSN c.s. heeft nagelaten haar steeds wisselende stellingen en standpunten te onderbouwen, heeft zij Accon c.s. ervan beticht in strijd met de waarheidsplicht ex artikel 21 Rv te handelen en allerlei feiten te verdoezelen en achter te houden.
- FSN c.s. heeft ook nagelaten te preciseren welke onrechtmatige gedraging zij welke gedaagde precies verwijt en wat dat betekent voor de ingestelde vorderingen. Zo is door FSN c.s. bijvoorbeeld niet gesteld dat Accon zelf de scan en herken software heeft gebruikt. Toch richten alle vorderingen zich ook tegen Accon.

2.47. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen voorgaande specifieke kenmerken van deze zaak toewijzing van een hoger bedrag, boven het maximale indicatietarief van de toepasselijke categorie. Het is alleszins aannemelijk dat Accon c.s. door de opstelling en handelwijze van FSN c.s. aanzienlijke kosten heeft moeten maken. Verder wordt geconstateerd dat FSN c.s. het gevorderde bedrag niet gespecificeerd heeft weersproken, behalve met de enkele stelling dat dat bedrag veel te hoog is en zij zelf een veel lager bedrag heeft gefactureerd. Met inachtneming van het voorgaande en gelet op het feit dat deze zaak in wezen door alle eiswijzigingen drie verschillende procedures omvat, zal de rechtbank driemaal het maximale indicatietarief van de toepasselijke categorie toewijzen, zijnde 3 x € 40.000,00 = € 120.000,00.

Afbeelding CC0 AJ wikipedia