IT 2494

Geen aanwijzingen dat software-systemen niet voldeden aan overeengekomen Acceptance Criteria

Hof Den Haag 30 januari 2018, IT 2494; ECLI:NL:GHDHA:2018:186 (PVB tegen DST) Verwijzing na vernietiging HR. Contractenrecht. Softwaresystemen. Partijen hebben een overeenkomst gesloten waarbij het DST te doen was om door PVB softwareprogramma's te laten ontwikkelen. Na een aantal tests van de software heeft DST hiervan afgezien, omdat volgens haar de software niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen. Op basis van het Definitief Deskundigenbrecith oordeelt het Hof dat er geen aanwijzinging zijn dat de software-systemen niet voldeden aan de overeengekomen Acceptance Criteria. Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en DST wordt veroordeeld tot betaling van USD 4.000.000,- aan PVB.

4. Het hof blijft bij hetgeen het in eerdergenoemd tussenarrest van 7 oktober 2014 heeft overwogen en beslist. Het heeft daarin mede op grond van de onderzoeksbevindingen van de eerder door het hof benoemde deskundige Mulder geoordeeld dat PVB voorshands heeft bewezen dat de door haar op 17 januari 2002 aan DST aangeboden software-systemen HiPrice en HiRisk voldeden aan de overeengekomen Acceptance Criteria en -daarmee- dat het totale softwarepakket voldeed aan de acceptatievoorwaarden zoals neergelegd in de laatste alinea van het tweede hoofdstuk “Approach” van het AC-document. Aan dit bewijsvermoeden lag ten grondslag:

(1) dat de deskundige Mulder in de 51 door hem onderzochte testonderdelen geen categorie “C” of “D”- fouten of - defecten heeft geconstateerd, ook niet op de 8 testonderdelen die door [naam 1] van DST in haar e-mail van 17 januari 2002 met “Acceptance Testing Results” waren voorzien van een categorie “D” score,

(2) dat 30 van de 37 niet door de deskundige Mulder maar wèl eerder door KPMG onderzochte testonderdelen reeds in de KPMG-rapportage van februari 2002 waren aangemerkt als “items which satisfy the defined acceptance criteria” en dat 7 van die testonderdelen door KPMG weliswaar “unsatisfactory” (punten 54, 55, 56 en 85) of “partially satisfactory” (punten 43, 44 en 76) zijn bevonden, maar er in ieder geval geen aanwijzingen waren voor de aanwezigheid van een “severity 1 Fault” en de geconstateerde onvolkomenheden KPMG niet hebben kunnen afbrengen van haar eindconclusie dat “the functionality of the HiPrice and HiRisk systems largely satisfies the acceptance criteria” en

(3) dat van de overblijvende (noch door deskundige Mulder, noch door KPMG onderzochte) 9 testonderdelen er 5 reeds een categorie A- score hadden meegekregen in de e-mail “Acceptance Testing Results” van [naam 1] van 17 januari 2002 en uit de commentaren van [naam 1] op de 4 resterende testonderdelen (punten 18, 42, 93 en 96) geen onmiskenbare “severity 1 Fault” of (andere) zeer ernstige of schadelijke systeemfout kan worden afgeleid.

6. De eindconclusie in het Definitief Deskundigenbericht luidt (pag. 11) dat de deskundigen, met inachtneming van het eerder door het hof vastgestelde uitgangspunt dat de software bij aflevering aan DST nog niet geheel de eindversie hoefde te betreffen en in onderlinge samenwerking tussen PVB en DST naar het eindproduct zou worden toegewerkt, geen aanwijzingen hebben gevonden dat het door PVB op 17 januari 2002 aan DST aangeboden softwarepakket niet voldeed aan de acceptatievoorwaarden zoals neergelegd in de laatste alinea van het tweede hoofdstuk “Approach” van het AC-document (productie 14 PVB). Dit betekent dat DST met het Definitief Deskundigenbericht niet in het tegenbewijs is geslaagd.

15. Volgens DST dient op de vordering onder (a) voorts de door PVB op USD 4 miljoen gestelde waarde van de software in mindering te worden gebracht, nu PVB daarvan ook bij deugdelijke nakoming van de overeenkomst geen eigenaar meer zou zijn geweest. Naar het oordeel van het hof gaat DST hiermee echter uit van een onjuiste lezing van hetgeen partijen medio juli 2001 in hoofdlijnen waren overeengekomen, namelijk levering door PVB van HiPrice en HiRisk tegen betaling door DST van USD 4 miljoen èn overname door DST van de aandelen in PV tegen betaling aan PVB van (het symbolische bedrag van) één euro. De verplichting van DST tot betaling aan PVB van USD 4 miljoen ontstond derhalve reeds door de levering van de door PVB ontwikkelde softwaresystemen HiPrice en HiRisk volgens de overeengekomen acceptatievoorwaarden. Dat DST daarnaast de aandelen in PV zou overnemen tegen betaling van een symbolisch bedrag, en daarmee ook eigenaar van de eventueel in die vennootschap berustende intellectuele eigendomsrechten op de software zou zijn geworden, staat los van de in deze procedure deugdelijk bevonden levering van de beide softwaresystemen HiPrice en HiRisk. Daarbij is gesteld, noch gebleken dat PVB jegens DST (verwijtbaar) nalatig is gebleven in de overdracht van de aandelen in PV, terwijl het voor die overname overeengekomen symbolische bedrag ook geen onderdeel uitmaakt van de vordering van PVB in het onderhavige geding.