IT 1978

De weergave van dit artikel is misschien niet optimaal, omdat deze is overgenomen uit onze oudere databank.

Gelijke behandeling aanbieders mobiel en vast internet sociale element universele dienst wel verantwoord

Grondwettelijk Hof 3 februari 2016, IT 1978; Arrest nr. 15/2016 (KPN Group Belgium en Mobistar)
Telecommunicatie. Universele dienstverlening. KPN en Mobistar voelen zich gediscrimineerd omdat zij moeten betalen voor de financiering van nettokosten die voortvloeien uit het aanbieden van mobiele diensten en internetabonnementen. Zij vorderen de vernietiging van artikelen 50, 51 en 146 van de Wet elektronische communicatie wegens schending van de Grondwet en strijdigheid met de Universeledienstrichtlijn. Eerder stelde het Grondwettelijk Hof prejudiciële vragen hierover. Het HvJEU oordeelde dat de bijzondere tarieven en financieringsregeling uit de Universeledienstrichtlijn niet van toepassing zijn op mobiel internet (zie IEFbe 1372). Het Grondwettelijk Hof oordeelt dat er geen verantwoording is om aanbieders van mobiel internet, op gelijke wijze te behandelen als aanbieders voor vast internet wat betreft het financieel bijdragen tot de vergoedingsregeling voor specifieke onderneming in de zin van art. 13 lid 1 sub b Universeledienstrichtlijn. Gelijke behandeling inzake het sociale element van de universele dienst is echter wel toegestaan. Het Hof vernietigt artikel 51 en verwerpt het beroep voor het overige.

B.11. Uit wat voorafgaat blijkt dat er geen verantwoording is - ook niet die waarbij de Ministerraad zich beroept op artikel 9, lid 3, van de Universeledienstrichtlijn - om de operatoren die mobieletelefonie- en mobielinternetabonnementen aanbieden, op gelijke wijze te behandelen als de operatoren voor vaste telefonie en vaste internetverbindingen, door de eerste categorie van operatoren, wat de mobiele diensten betreft, met artikel 51 van de wet van 10 juli 2012 mede ertoe te verplichten financieel bij te dragen tot de vergoedingsregeling voor specifieke ondernemingen ter uitvoering van artikel 13, lid 1, onder b), van de Universeledienstrichtlijn.

Daarentegen is het Hof van Justitie in het voormelde arrest (punt 40) van oordeel dat het de lidstaten vrijstaat diensten voor mobiele communicatie, met inbegrip van abonnementsdiensten voor mobiel internet, te beschouwen als aanvullende verplichte diensten in de zin van de artikelen 9, lid 3, en 32 van de Universeledienstrichtlijn. Hieruit volgt dat de wetgever vermocht de operatoren die dergelijke diensten voor mobiele communicatie aanbieden ertoe te verplichten het in het bestreden artikel 50 van de wet van 10 juli 2012 bedoelde sociale element van de universele dienst (sociale tarieven) te verstrekken.

Derhalve is het op basis van de richtlijn, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie, wel verantwoord de operatoren, met inbegrip van de verzoekende partijen, op gelijke wijze te behandelen wat betreft het sociale element van de universele dienst en wat betreft de vaste telefoontarieven en de abonnementsdiensten die een internetaansluiting op een vaste locatie vereisen.

B.12. Het middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 170 en 172 van de Grondwet en met de artikelen 9 en 32 van de Universeledienstrichtlijn, is niet gegrond in zoverre het is gericht tegen artikel 50 van de wet van 10 juli 2012. Het is gegrond in zoverre het gericht is tegen artikel 51 van die wet, in de mate waarin het betrekking heeft op de mobiele telefonie en mobielinternetabonnementen.

Artikel 51 van de wet van 10 juli 2012 dient te worden vernietigd in zoverre het de operatoren die een openbare elektronische-communicatiedienst aanbieden, voor hun diensten inzake mobiele communicatie en mobielinternetabonnementen, betrekt bij de compensatieregeling waarin dat artikel voorziet. 22 Het komt aan de wetgever toe te beslissen of voor het verstrekken van die diensten een compensatie moet geschieden volgens een ander mechanisme, waarbij geen specifieke ondernemingen worden betrokken.