IT 2080

HR creërt rechterlijk overgangsrecht voor de aanhangigheid en proceskosten na intrekken kort geding

HR 3 juni 2016, IEF 15988; IT 2080; RB 2730; ECLI:NL:HR:2016:1087 (Wieland tegen Gia Systems)
Procesrecht. Rechterlijk overgangsrecht. Wieland sommeert GIA tot staken merkgebruik en als nevenvordering rectificatie van merkgebruik en misleidende mededelingen. Nadat het kort geding wordt ingetrokken, wordt een bodemprocedure met nagenoeg identieke vorderingen ingesteld. GIA verzoekt de redelijke en evenredige proceskosten te vergoeden ex 249 jo. 250 jo. 1019h Rv ad € 32.978,00. Hoge Raad beantwoord prejudicieel gesteld vragen [IEF 15098]. dat art. 9.1 van het Procesreglement onverbindend is en stelt eigen regels op, geënt op wettelijke regeling van bodemprocedure. Mogelijkheid tot behandeling van vordering tot proceskostenveroordeling, dat vonnis is vatbaar voor hoger beroep en uitvoerbaarverklaring bij voorraad [deels anders: Conclusie AG].

3.8.2. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de tweede zin van art. 9.1 Procesreglement in strijd is met de aan het systeem van de wet ten grondslag liggende uitgangspunten die gelden ten aanzien van het kort geding in eerste aanleg. Deze bepaling is dus in zoverre onverbindend (vgl. HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1078, NJ 2015/209, Pilotreglement gerechtshof ‘s-Hertogenbosch).

3.8.3. Aangenomen moet worden dat het zich tot dusver, althans tot aan de uitspraak van het hiervoor in 3.6 aangehaalde arrest van het gerechtshof Den Haag, herhaaldelijk zal hebben voorgedaan dat een gedaagde, na ontvangst van het bericht dat een reeds aanhangig kort geding wordt ingetrokken, tevergeefs een kostenveroordeling van de eiser heeft gevorderd, of daarvan heeft afgezien op grond van de overweging dat zodanige vordering kansloos zou zijn.
De vraag of een zodanige vordering alsnog kan worden gedaan, dient voor het desbetreffende kort geding zelf ontkennend te worden beantwoord voor gevallen waarin de hiervoor in 3.4.3 genoemde termijn van veertien dagen inmiddels is verstreken. In die gevallen is immers het kort geding niet meer aanhangig. Na het verstrijken van die termijn kunnen de desbetreffende kosten evenmin in een afzonderlijke procedure worden gevorderd (vgl. HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:147, rov. 3.4.2).

3.8.4. De Hoge Raad ziet echter aanleiding om als overgangsmaatregel een uitzondering op dat laatste te aanvaarden voor vorderingen in reeds aanhangige afzonderlijke procedures en voor vorderingen in afzonderlijke procedures die aanhangig worden gemaakt binnen een termijn van drie maanden na heden.

Op andere blogs:
Cassatieblog