IT 2135

HvJ EU: Exploitant die gratis toegang verschaft is niet aansprakelijk voor auteursrechtinbreuken die door gebruiker worden gepleegd

CVRIA

HvJ EU 15 september 2016 IEF 16249; IEFBE 1928; IT 2135; ECLI:EU:C:2016:689 (Tobias Mc Fadden tegen Sony Music Entertainment) Netwerk beveiliging. Vrij verkeer van diensten. Tobias Mc Fadden is de bedrijfsleider van een bedrijf in licht- en geluidstechniek, waar hij het publiek gratis toegang verschaft tot een wifinetwerk om de aandacht van potentiële klanten op zijn waren en diensten te vestigen. In 2010 is een muziekwerk waar Sony de auteursrechten van bezit via dit netwerk illegaal voor het downloaden aan het publiek aangeboden. Het Landgericht München I, waarbij het geding tussen Sony en Mc Fadden aanhangig is, is van oordeel dat de laatstgenoemde niet zelf inbreuk op de betrokken auteursrechten heeft gepleegd. Het verklaart echter te overwegen Mc Fadden voor die inbreuk indirect aansprakelijk te houden omdat zijn wifinetwerk niet beveiligd was. Het Landgericht twijfelt echter over de vraag of de richtlijn inzake elektronische handel zich tegen een dergelijke indirecte aansprakelijkheid verzet en heeft het Hof een aantal vragen voorgelegd.

In zijn arrest van heden stelt het Hof om te beginnen vast dat de gratis terbeschikkingstelling aan het publiek van een wifinetwerk om de aandacht van potentiële klanten te vestigen op de waren of diensten van een winkel een onder de richtlijn vallende „dienst van de informatiemaatschappij” is.

Vervolgens bevestigt het Hof dat wanneer de drie hierboven vermelde voorwaarden zijn vervuld, een dienstverlener die, zoals Mc Fadden, toegang verschaft tot een communicatienetwerk, niet aansprakelijk is. Bijgevolg kan de houder van auteursrechten van die dienstverlener geen vergoeding vorderen op grond dat het netwerk door derden is gebruik om inbreuk op zijn rechten te plegen. Aangezien een dergelijke schadevordering niet kan slagen, is ook uitgesloten dat de rechthebbende kan verzoeken om vergoeding van de kosten van ingebrekestelling en de gerechtskosten in verband met die vordering.

De richtlijn staat er daarentegen niet aan in de weg dat de rechthebbende een administratieve autoriteit of een nationale rechtbank verzoekt om een dergelijke dienstverlener het bevel te geven om een inbreuk op het auteursrecht door zijn klanten te beëindigen of om dergelijke inbreuken te voorkomen.

Ten slotte oordeelt het Hof dat een bevel op grond waarvan de internetaansluiting moet worden beveiligd door middel van een wachtwoord een evenwicht kan verzekeren tussen, enerzijds, de intellectuele-eigendomsrechten van de rechthebbenden en, anderzijds, de vrijheid van ondernemerschap van de toegangverschaffers en het recht op vrijheid van informatie van de netwerkgebruikers. Het Hof merkt met name op dat een dergelijke maatregel de gebruikers van een netwerk ervan kan weerhouden om inbreuk te maken op intellectuele-eigendomsrechten. In dat verband benadrukt het Hof niettemin dat, om te verzekeren dat dit afschrikkend effect aanwezig is, het noodzakelijk is dat de gebruikers, om te vermijden dat zij anoniem handelen, worden verplicht hun identiteit bekend te maken alvorens zij het vereiste wachtwoord kunnen verkrijgen.

De richtlijn sluit daarentegen uitdrukkelijk uit dat een maatregel wordt vastgesteld die ziet op de controle van de via een bepaald netwerk doorgeven informatie. Evenzo zou een maatregel bestaande in het volledig blokkeren van de internetaansluiting zonder de vaststelling te overwegen van maatregelen die de vrijheid van ondernemerschap van de toegangverschaffer minder aantasten, voormelde concurrerende rechten niet met elkaar kunnen verzoenen.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 12, lid 1, van richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (richtlijn „elektronische handel”), gelezen in samenhang met artikel 2, onder a), van deze richtlijn en met artikel 1, punt 2, van richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij, zoals gewijzigd bij richtlijn 98/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 juli 1998, moet aldus worden uitgelegd dat een dienst als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die wordt verricht door de exploitant van een communicatienetwerk en inhoudt dat dit netwerk gratis ter beschikking van het publiek wordt gesteld, een „dienst van de informatiemaatschappij” in de zin van eerstgenoemde bepaling vormt wanneer hij door de betrokken dienstverlener wordt verricht om reclame te maken voor door hem verkochte goederen of aangeboden diensten.

2)      Artikel 12, lid 1, van richtlijn 2000/31 moet aldus worden uitgelegd dat de in die bepaling bedoelde dienst, bestaande in het verschaffen van toegang tot een communicatienetwerk, reeds moet worden geacht te zijn verricht wanneer de toegang het kader van het technisch, automatisch en passief proces waarmee wordt gezorgd voor de vereiste uitvoering van de informatiedoorgifte, niet te buiten gaat, zonder dat dient te zijn voldaan aan enige andere extra voorwaarde.

3)      Artikel 12, lid 1, van richtlijn 2000/31 moet aldus worden uitgelegd dat de voorwaarde van artikel 14, lid 1, onder b), van deze richtlijn niet naar analogie van toepassing is op artikel 12, lid 1.

4)      Artikel 12, lid 1, van richtlijn 2000/31, gelezen in samenhang met artikel 2, onder b), van deze richtlijn, moet aldus worden uitgelegd dat er, naast de in die bepaling vermelde voorwaarde, geen andere voorwaarden bestaan waaraan een dienstverlener die toegang tot een communicatienetwerk verschaft, is onderworpen.

5)      Artikel 12, lid 1, van richtlijn 2000/31 moet aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een persoon die door de schending van zijn rechten op een werk is benadeeld, jegens een aanbieder van toegang tot een communicatienetwerk schadevergoeding kan vorderen omdat een toegang tot dat netwerk door derden is gebruikt om inbreuk op zijn rechten te maken, alsook de vergoeding van de kosten van ingebrekestelling en de gerechtskosten die hij met het oog op de schadevordering heeft gemaakt. Daarentegen moet die bepaling aldus moet worden uitgelegd dat zij niet eraan in de weg staat dat die persoon jegens een aanbieder van toegang tot een communicatienetwerk van wie de diensten zijn gebruikt om die inbreuk te plegen, vordert dat de voortzetting van die inbreuk wordt verboden, alsook de betaling van de kosten van ingebrekestelling en de gerechtskosten, wanneer die vorderingen gericht zijn of aansluiten op de vaststelling van een bevel door een nationale autoriteit of rechterlijke instantie op grond waarvan het die aanbieder wordt verboden het voortduren van die inbreuk mogelijk te maken.

6)      Artikel 12, lid 1, van richtlijn 2000/31, gelezen in samenhang met artikel 12, lid 3, van die richtlijn, moet, gelet op de uit de bescherming van de grondrechten voortvloeiende eisen alsmede op de voorschriften van de richtlijnen 2001/29 en 2004/48, aldus worden uitgelegd dat het in beginsel niet in de weg staat aan de vaststelling van een bevel dat, zoals het in het hoofdgeding aan de orde zijnde bevel, van de aanbieder van toegang tot een communicatienetwerk waarmee het publiek een verbinding met het internet tot stand kan brengen, onder verbeurte van een dwangsom, verlangt dat hij verhindert dat derden een bepaald auteursrechtelijk beschermd werk of delen daarvan, via die internetverbinding, voor het publiek toegankelijk kunnen maken op een internetsite voor file-sharing (peer-to-peer), wanneer deze aanbieder kan kiezen van welke technische maatregelen hij gebruikmaakt om te voldoen aan dat bevel, en dit ook wanneer die keuze beperkt is tot uitsluitend de maatregel die erin bestaat de internetaansluiting te beveiligen met een wachtwoord, voor zover de gebruikers van dat netwerk verplicht zijn hun identiteit op te geven om het vereiste wachtwoord te krijgen, en dus niet anoniem kunnen handelen, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.