IT 2159

HvJ EU: Halfjaarlijkse abonnementsprijs voor decodeerkaart niet (duidelijk) vermelden is een oneerlijke handelspraktijk

Canal Digital Danmark A/S

HvJ EU 26 oktober 2016, IEF 16338; IT 2159; ECLI:EU:C:2016:800 (Canal Digital Danmark A/S) Oneerlijke handelspraktijken. Reclame voor een satelliettelevisieabonnement – Abonnementsprijs die, naast de maandelijkse prijs, een halfjaarlijkse prijs omvat voor de kaart die nodig is om de uitzendingen te decoderen – Niet-vermelding van de halfjaarlijkse prijs of minder in het oog springende presentatie ervan dan van de maandelijkse prijs – Misleidende handeling – Misleidende omissie – Richtlijnbepaling die alleen is omgezet in de voorbereidende werkzaamheden voor de nationale uitvoeringswet en niet in die wet zelf. HvJ EU:

 

1)      Artikel 7, leden 1 en 3, van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) moet aldus worden uitgelegd dat bij de beoordeling of een handelspraktijk als een misleidende omissie moet worden beschouwd, rekening dient te worden gehouden met de context waarin die praktijk plaatsvindt, met name de beperkingen die eigen zijn aan het voor de handelspraktijk gebruikte communicatiemedium, de beperkingen qua ruimte of tijd die dat medium meebrengt alsook maatregelen die de handelaar genomen heeft om de informatie langs andere wegen ter beschikking van de consument te stellen, ook al blijkt dat vereiste niet uitdrukkelijk uit de bewoordingen van de betrokken nationale regeling.

2)      Artikel 6, lid 1, van richtlijn 2005/29 moet aldus worden uitgelegd dat een handelspraktijk waarbij de prijs van een product in meerdere componenten wordt opgesplitst en één daarvan op de voorgrond wordt geplaatst, als misleidend moet worden beschouwd, aangezien die praktijk bij de gemiddelde consument de onjuiste indruk kan wekken dat hem een voordelige prijs wordt aangeboden en hem er voorts toe kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen. Het is de taak van de verwijzende rechter om dit te beoordelen, rekening houdend met alle relevante omstandigheden van het hoofdgeding. Beperkingen qua tijd die bepaalde communicatiemedia, zoals televisiereclame, kunnen meebrengen, kunnen echter niet in aanmerking worden genomen bij de beoordeling of een handelspraktijk misleidend is in de zin van artikel 6, lid 1, van die richtlijn.

3)      Artikel 7 van richtlijn 2005/29 moet aldus worden uitgelegd dat de praktijk waarbij een handelaar ervoor heeft gekozen om de prijs van een abonnement aldus vast te stellen dat de consument zowel maandelijkse kosten als halfjaarlijkse kosten dient te betalen en waarbij, bij de marketing van het product, de maandelijkse prijs bijzonder in het oog springt, terwijl de zesmaandelijkse kosten volledig worden weggelaten of alleen worden gegeven op een minder in het oog springende wijze, als een misleidende omissie moet worden beschouwd wanneer een dergelijke weglating de consument ertoe brengt een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen. Het staat aan de verwijzende rechter om dit te beoordelen, rekening houdend met de beperkingen die eigen zijn aan het gebruikte communicatiemedium, de aard en de kenmerken van het product alsook met maatregelen die de handelaar daadwerkelijk genomen heeft om de essentiële informatie over het product langs andere wegen ter beschikking van de consument te stellen.

4)      Artikel 7, lid 4, van richtlijn 2005/29 moet aldus worden uitgelegd dat het een uitputtende opsomming bevat van de essentiële informatie die in een uitnodiging tot aankoop moet worden verstrekt. Het is de taak van de nationale rechter om te beoordelen of de betrokken handelaar heeft voldaan aan zijn informatieplicht, rekening houdend met de aard en de kenmerken van het product, maar ook met het voor de uitnodiging tot aankoop gebruikte communicatiemedium en de bijkomende informatie die die handelaar eventueel heeft verstrekt. Ook wanneer een handelaar in een uitnodiging tot aankoop alle in artikel 7, lid 4, van die richtlijn vermelde informatie verstrekt, sluit zulks niet uit dat die uitnodiging als een misleidende handelspraktijk in de zin van artikel 6, lid 1, of artikel 7, lid 2, van de richtlijn kan worden aangemerkt.

Introductie:

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt. Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafzaak tegen Canal Digital Danmark A/S betreffende de door deze onderneming toegepaste praktijken op het gebied van de verkoop van abonnementen voor televisieprogrammapakketten. Het HvJ stelt o.a. dat bij de beoordeling of een handelspraktijk als een misleidende omissie moet worden beschouwd, rekening moet worden gehouden met de context waarin die praktijk plaatsvindt, met name de beperkingen qua ruimte of tijd die het gebruikte communicatiemedium meebrengt, hoewel dat vereiste niet uitdrukkelijk blijkt uit de bewoordingen waarin de betrokken nationale regeling is gesteld. Daarnaast oordeelt het HvJ dat een handelspraktijk waarbij de prijs van een product in meerdere componenten wordt opgesplitst en één daarvan op de voorgrond wordt geplaatst, als misleidend moet worden beschouwd, aangezien die praktijk bij de gemiddelde consument de onjuiste indruk kan wekken dat hem een voordelige prijs wordt aangeboden en hem er voorts toe kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen. Het is de taak van de verwijzende rechter om dit te beoordelen, rekening houdend met alle relevante omstandigheden van het hoofdgeding. Beperkingen qua tijd die bepaalde communicatiemedia, zoals televisiereclame, kunnen meebrengen, kunnen echter niet in aanmerking worden genomen bij de beoordeling of een handelspraktijk misleidend is in de zin van artikel 6, lid 1, van die richtlijn.

Prejudiciële vragen:

„1)      Moet richtlijn [2005/29] aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan een nationale regeling als § 3 van de Deense [wet inzake handelspraktijken], die misleidende handelspraktijken, met name bij uitnodigingen tot aankoop, verbiedt, maar noch in § 3 noch elders in de wet wijst op de beperkingen die volgen uit artikel 7, lid 1, van de richtlijn, krachtens welke ermee rekening moet worden gehouden of een handelspraktijk essentiële informatie welke de gemiddelde consument, naargelang de context, nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen, weglaat, en uit artikel 7, lid 3, krachtens hetwelk ermee rekening moet worden gehouden of het gebruikte communicatiemedium beperkingen qua ruimte of tijd meebrengt?
2)      Moet artikel 6 van [richtlijn 2005/29] aldus worden uitgelegd dat het – in situaties waarin een handelaar ervoor heeft gekozen om de prijs van een abonnement voor onbepaalde tijd aldus vast te stellen dat de consument zowel lopende maandelijkse kosten als lopende halfjaarlijkse kosten dient te betalen – als een misleidende praktijk wordt beschouwd indien, bij de marketing van het product, de maandelijkse prijs bijzonder in het oog springt, terwijl de zesmaandelijkse kosten volledig worden weggelaten of alleen worden gegeven op een minder in het oog springende wijze?
3)      Moet artikel 7 van [richtlijn 2005/29] aldus worden uitgelegd dat het – in situaties waarin een handelaar ervoor heeft gekozen om de prijs van een abonnement voor onbepaalde tijd aldus vast te stellen dat de consument zowel lopende maandelijkse kosten als lopende halfjaarlijkse kosten dient te betalen – als een misleidende omissie krachtens artikel 7 van de richtlijn wordt beschouwd indien, bij de marketing van het product, de maandelijkse prijs bijzonder in het oog springt, terwijl de zesmaandelijkse kosten volledig worden weggelaten of alleen worden gegeven op een minder in het oog springende wijze?
4)      Moet bij de beoordeling of een handelspraktijk in een situatie als in de tweede en de derde vraag misleidend is, ermee rekening worden gehouden dat daarbij
a)      opgaaf wordt gedaan van de totale prijs voor het abonnement in de verbintenisperiode, inclusief de halfjaarlijkse kosten, en/of
b)      wordt geadverteerd en reclame wordt gemaakt op internet, waar wordt verwezen naar de website van de handelaar, die de halfjaarlijkse kosten en/of de totale abonnementsprijs inclusief de halfjaarlijkse kosten vermeldt?
5)      Moeten de tweede en de derde vraag anders worden beantwoord indien de marketing plaatsvindt in een televisiereclame?
6)      Somt artikel 7, lid 4, van [richtlijn 2005/29] de bij een uitnodiging tot aankoop essentiële informatie volledig op?
7)      Indien de zesde vraag bevestigend moet worden beantwoord, sluit artikel 7, lid 4, van [richtlijn 2005/29] dan uit dat een uitnodiging tot aankoop – waarbij de voor het eerste jaar van het abonnement (verbintenisperiode) door de consument te betalen totale prijs wordt gegeven – kan worden beschouwd als een misleidende handelspraktijk in de zin van artikel 7, leden 1 en 2, of artikel 6 van de richtlijn indien bijvoorbeeld nadere informatie over bepaalde – maar niet alle – componenten van de prijs van het product wordt gegeven?”

Peter Wytinck, Stibbe, Misleidende handelingen en omissies