IT 2353

HvJ EU: Persoonsgegevens mogen zonder instemming worden verwerkt en geplaatst op zwarte lijst ten behoeve van bestrijding belastingfraude

HvJ EU 27 september 2017, IEF 17135; IEFbe 2353; IT 2353; ECLI:EU:C:2017:725; C-73/16 (Peter Puskar tegen Slowakije) Verwerking van persoonsgegevens, bescherming van de grondrechten. Peter Puskar verzoekt om alle SLW belastingautoriteiten te verbieden zijn naam en identificatiegegevens te plaatsen op een (‘zwarte’) lijst van natuurlijke personen die volgens het openbaar bestuur zijn te beschouwen als ‘stromannen’. Verzoeker stelt dat vermelding op de lijst inbreuk maakt op zijn recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en bescherming van de goede naam. HvJ EU antwoordt dat: 

1)      Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan nationale wettelijke bepalingen op grond waarvan een persoon die beweert dat zijn door richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, gewaarborgde recht op bescherming van persoonsgegevens is geschonden, pas beroep in rechte kan instellen nadat hij eerst de voor de nationale bestuurlijke instanties beschikbare beroepswegen heeft uitgeput, mits de wijze waarop in concreto over die beroepswegen kan worden beschikt, het in die bepaling bedoelde recht op een doeltreffende voorziening in rechte niet onevenredig aantast. In het bijzonder mag voorafgaande uitputting van de voor de nationale bestuurlijke instanties beschikbare beroepswegen de instelling van beroep in rechte niet in aanzienlijke mate vertragen, moet de verjaring van de betrokken rechten erdoor worden geschorst en mogen er geen buitensporig hoge kosten aan verbonden zijn.

2)      Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moet aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een nationale rechterlijke instantie een lijst als de litigieuze lijst, die door de betrokken persoon wordt overgelegd en persoonsgegevens van die persoon bevat, als bewijs van schending van de door richtlijn 95/46 geboden bescherming van persoonsgegevens terzijde legt ingeval die persoon die lijst heeft verkregen zonder de – wettelijk voorgeschreven – instemming van de voor de verwerking van die gegevens verantwoordelijke, tenzij die terzijdelegging is vastgelegd in de nationale wetgeving en zij zowel de wezenlijke inhoud van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte als het evenredigheidsbeginsel eerbiedigt.

3)      Artikel 7, onder e), van richtlijn 95/46 moet aldus worden uitgelegd dat het niet eraan in de weg staat dat door de instanties van een lidstaat ten behoeve van de belastingheffing en de bestrijding van belastingfraude zonder de instemming van de betrokken personen persoonsgegevens worden verwerkt zoals het geval is met de opstelling van de litigieuze lijst in het hoofdgeding, mits, in de eerste plaats, aan die instanties door de nationale wetgeving taken van algemeen belang in de zin van die bepaling zijn opgedragen, de opstelling van die lijst en de inschrijving daarop van de namen van de betrokken personen daadwerkelijk passend en noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de nagestreefde doelstellingen en voldoende aanwijzingen bestaan om te vermoeden dat de betrokken personen terecht op die lijst staan, en, in de tweede plaats, aan alle door richtlijn 95/46 opgelegde voorwaarden voor geoorloofdheid van die verwerking van persoonsgegevens is voldaan.

Gestelde vragen: 

1)      Moet artikel 47, eerste alinea, van het Handvest, op grond waarvan eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten zijn geschonden – met inbegrip van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met de verwerking van persoonsgegevens neergelegd in de artikelen 1, lid 1, en volgende van [richtlijn 95/46] – recht heeft op een doeltreffende voorziening in rechte met inachtneming van de in artikel 47 van het Handvest gestelde voorwaarden, aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale bepaling op grond waarvan bij een rechter, meer bepaald een bestuursrechter, slechts een doeltreffende voorziening in rechte kan worden ingesteld indien de verzoeker ter bescherming van zijn rechten en vrijheden eerst de mogelijkheden heeft uitgeput die hem worden geboden door een lex specialis zoals de Slowaakse wet op het administratief bezwaar?

2)      Kunnen het recht op eerbiediging van het privéleven, het familie- en gezinsleven, de woning en de communicatie, neergelegd in artikel 7 van het Handvest, en het recht op bescherming van persoonsgegevens, neergelegd in artikel 8 ervan, in geval van beweerde schending van het recht op bescherming van persoonsgegevens zoals daaraan met betrekking tot de Europese Unie vooral uitvoering is gegeven in voormelde richtlijn […], zoals inzonderheid:

–        de verplichting van de lidstaten om het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met de verwerking van persoonsgegevens te waarborgen (artikel 1, lid 1), alsook

–        de mogelijkheid van de lidstaten om te voorzien in de verwerking van persoonsgegevens wanneer dat noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang [artikel 7, onder e)] of voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de voor de verwerking verantwoordelijke of van de derde(n) aan wie de gegevens worden verstrekt,

–        en gelet bovendien op de bevoegdheden van de lidstaat om de reikwijdte van de rechten en verplichtingen bij wijze van uitzondering te beperken [artikel 13, lid 1, onder e) en f)] wanneer die beperking noodzakelijk is ter vrijwaring van een belangrijk economisch en financieel belang van een lidstaat of van de Europese Unie, met inbegrip van monetaire, budgettaire en fiscale aangelegenheden,

aldus worden uitgelegd dat een lidstaat niet zonder instemming van de betrokkene lijsten van persoonsgegevens ten behoeve van de belastingheffing mag aanhouden en dat dus de verkrijging van persoonsgegevens door een overheidsorgaan ten behoeve van de bestrijding van belastingfraude op zich een risico vormt?

3)      Kan een lijst van een financiële instantie van een lidstaat die persoonsgegevens van de verzoeker bevat en waarvan de niet-toegankelijkheid gewaarborgd is door passende technische en organisatorische maatregelen om de persoonsgegevens te beveiligen tegen niet-toegelaten verspreiding of toegang in de zin van artikel 17, lid 1, van [richtlijn 95/46], waartoe de verzoeker zich toegang heeft verschaft zonder daartoe rechtmatig toestemming te hebben gekregen van die financiële instantie, worden beschouwd als onrechtmatig bewijs waarvan de gebruikmaking door de nationale rechter moet worden geweigerd overeenkomstig het Unierechtelijke beginsel van een eerlijk proces in de zin van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest?

4)      Is het verenigbaar met bovenvermeld recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een eerlijk proces (inzonderheid uit hoofde van artikel 47 van het Handvest), wanneer de nationale rechter, ingeval de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in een concreet geval afwijkt van het door het Hof van Justitie van de Europese Unie verstrekte antwoord, op basis van het beginsel van loyale samenwerking in de zin van artikel 4, lid 3, VEU en artikel 267 VWEU, voorrang geeft aan het juridische standpunt van het Hof van Justitie van de Europese Unie?