IT 2362

Inbreuk op privacy door opname met camera's en drone erf buurman

Vzr. Rechtbank Midden-Nederland 25 augustus 2017, IT 2362; ECLI:NL:RBMNE:2017:4224 (Camera/drone opname buurman) Inbreuk op privacy door opname camera's en drone. Camera’s van gedaagden waren gericht op het perceel van eiser en zij hebben vanaf hun perceel een drone laten vliegen tot het perceel van eiser. Volgens eiser maakten zij daarmee inbreuk op zijn recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer en dat van zijn gezin. De voorzieningenrechter veroordeelt gedaagden om alle camera's die gericht zijn op het erf van eiser en op het zandpad niet meer te hervatten en verwijderd te houden. Nu eiser geen toestemming heeft gegeven voor het maken van opnames van zijn woning en erf maken gedaagden onrechtmatig inbreuk op zijn recht op privacy. Er was geen sprake van een rechtvaardigingsgrond voor het plaatsen van de camera's. Gedaagden mogen geen opnames van het erf van eiser meer maken, ook niet door het laten vliegen van een drone. 

5.10. De voorzieningenrechter moet dan nog beoordelen of [eisers c.s.] gehouden zijn om de camera's waar het hier om gaat, ook verwijderd te houden. Op dit punt is het volgende van belang.

5.11. Zoals hiervoor onder 5.2 reeds is vermeld, stelt [eiser] dat hij [eisers c.s.] geen toestemming heeft gegeven voor het maken van opnames van zijn woning en erf. Nu dit door [eisers c.s.] niet is weersproken, maken [eisers c.s.] , volgens vaste rechtspraak, met opnames van de persoonlijke leefomgeving van [eiser] onrechtmatig inbreuk op zijn recht op privacy.

5.12. Volgens diezelfde rechtspraak moet dan beoordeeld worden of er sprake is van een zodanige rechtvaardigingsgrond aan de zijde van [eisers c.s.] dat deze aan de bedoelde inbreuk het onrechtmatige karakter ontneemt. Of er sprake is van een zodanige rechtvaardigingsgrond, moet volgens de genoemde rechtspraak beoordeeld worden in het licht van alle omstandigheden van het geval, waarbij een afweging van de belangen van partijen mede van belang kan zijn. Er dient voldaan te worden aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

5.14. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk dat [eisers c.s.] de camera's ten behoeve van de door hen gestelde beveiliging hebben aangebracht en niet om [eiser] daarmee te bespieden. Niet alleen hebben [eisers c.s.] dit ter zitting uitdrukkelijk gesteld, maar zij hebben daarbij ook nader gesteld dat zij tot die plaatsing van de camera's zijn overgegaan nadat gebleken was 1) dat onbevoegden zich via het zandpad toegang hadden verschaft tot het achtererf van hun perceel, en 2) dat de plaatselijke politie op melding daarvan niet of veel te laat reageerde. Deze nadere stelling heeft [eiser] vervolgens niet weersproken. Verder heeft [gedaagde 2] ter zitting een verklaring gegeven als antwoord op de vraag van [eiser] waarom de camera's dan niet op het eigen erf van [eisers c.s.] waren gericht als beveiliging daarvan de bedoeling was. Volgens die verklaring heeft [gedaagde 2] de camera's, nadat zij die zelf had gekocht, ook zelf met plakband bevestigd op de plaatsen waarvan zij zelf dacht dat dit voor de beoogde beveiliging goed was. Daarbij heeft de advocaat van [eisers c.s.] nader toegelicht dat zij als leek die camera's had geplaatst en dat zij toen nog geen idee had van mogelijke consequenties voor de privésfeer van [eiser] .

5.15. Duidelijk is dat er onder deze omstandigheden aan de zijde van [eisers c.s.] geen sprake was van de onder 5.12 bedoelde rechtvaardigingsgrond voor het plaatsen van camera's die (mede) gericht waren op het erf van [eiser] en het zandpad. [eisers c.s.] hebben ook verder niets gesteld of overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat zij enig belang en daarmee een mogelijke rechtvaardigingsgrond hadden voor het plaatsen van de camera's in die richtingen.

5.16. Nu hieruit volgt dat [eisers c.s.] met alle camera's in kwestie onrechtmatig inbreuk hebben gemaakt op het recht op privacy van [eiser] , zijn zij gehouden om die onrechtmatige inbreuk, die met het verwijderen van die camera's inmiddels is geëindigd, niet meer te hervatten, en daarmee dus om camera's gericht op het erf van [eiser] en op het zandpad in het vervolg verwijderd te houden.

5.20. Ten aanzien van de drone hebben [eisers c.s.] gesteld te erkennen dat zij de drone ten onrechte over de erfgrens heen, dus boven het erf van [eiser] , hebben laten vliegen. Zij hebben daaraan toegevoegd dat zij dit in het vervolg zullen nalaten en de erfgrens zullen respecteren. [eisers c.s.] hebben daarbij echter tevens als verweer aangevoerd dat hen niet kan worden verboden een drone boven hun eigen erf te laten vliegen en opnames te maken van hun eigen zaken. Dit onderdeel van de vordering moet volgens hen dan ook worden afgewezen.

5.21. Dit verweer van [eisers c.s.] treft geen doel. Zij zien eraan voorbij dat het hier niet gaat om de vraag boven wiens terrein die drone vliegt, maar enkel om de vraag welke opnames met die drone worden gemaakt. Van die opnames hangt immers af of daarmee al dan niet inbreuk wordt gemaakt op iemands recht op privacy. Anders dan [eisers c.s.] volgens hun stellingen ter zitting hebben aangenomen, ziet het door [eiser] gevorderde verbod dan ook niet op het gebruiken van een drone, maar op het “...opnames … maken van het erf van eiser”, met als nadere specificering de wijzen waarop die opnames worden gemaakt, te weten andere wijzen dan met camera's, onder meer met een drone. Daarbij komt dat – anders dan [eisers c.s.] stellen – het laten vliegen van een drone boven het eigen erf van [eisers c.s.] nog geenszins meebrengt dat de reikwijdte van de opnames dan beperkt blijft tot hun eigen zaken. Een drone geeft immers, anders dan een camera, een zogeheten bird's eye view ofwel vogelvluchtperspectief, waardoor gemaakte opnames, ook bij vliegen boven het eigen terrein van [eisers c.s.] , verder kunnen reiken dan dit terrein zelf en in dat geval dus eveneens inbreuk kunnen maken op het recht op privacy van personen buiten dit terrein.

5.22. Uit het voorgaande volgt 1) dat de door [eiser] gestelde wijzen waarop [eisers c.s.] opnames van zijn erf hebben gemaakt, te weten met een filmcamera en met een drone, zijn komen vast te staan, en 2) dat [eisers c.s.] daarmee onrechtmatig inbreuk hebben gemaakt op het recht op privacy van [eiser] , nu, enerzijds, [eiser] daarvoor – zoals onder 5.2 vermeld – geen toestemming had gegeven, en, anderzijds, [eisers c.s.] niets hebben gesteld of overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat zij een rechtvaardigingsgrond hadden voor het maken van de opnames op deze beide wijzen en daarmee voor het maken van die onrechtmatige inbreuk.