IT 2216

Inhoud Facebookpost op Google is verwerking strafrechtelijke persoonsgegevens, portret is dat niet

Rechtbank Overijssel 24 januari 2017, IEF 16558; IT 2216; IEFbe 2076; ECLI:NL:RBOVE:2017:278 (Facebook community X) Privacy. Gegevensbescherming. Portretrecht. Recht om vergeten te worden. Verzoeker vordert verwijdering van vier URLs, waaronder Facebookpost, een filmpje van toenmalig bedrijf op de woonbeurs, een foto van hem met op achtergrond naam van toenmalig bedrijf en artikel met daarbij een foto van hem. De rechtbank beveelt Google de verwijzing naar één URL , met een bericht van de Facebookpagina (Community [xxxx]), die voortkomt uit de zoekopdracht naar de naam van [verzoeker] te verwijderen. De inhoud van de bronpagina waarop URL 1 betrekking heeft bevat naar het oordeel van de rechtbank strafrechtelijke persoonsgegevens.

De in dit bericht vermelde gegevens kunnen redelijkerwijs tot de identificatie van [verzoeker] als verdachte of dader leiden. De bronpagina bevat naast de volledige naam, een verwijzing naar zijn voormalige bedrijf, een kop waaruit, mede gelet op de context van de Facebookpagina (Community), kan worden afgeleid dat verzoeker zich (mogelijk) schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige, en de eis van de openbaar aanklager. Verzoek richt zich tegen de verwerking van deze bijzondere strafrechtelijke persoonsgegevens uit artikel 16 Wbp. Verwijdering van URL1, maar niet van de overige 3 URLs uit de zoekresultaten. Het portret van verzoeker is geen bijzonder persoonsgegeven.

4.4.
Wat de omvang van de verantwoordelijkheid van de exploitant van de zoekmachine betreft, stelt het Hof vast dat de exploitant van een zoekmachine onder bepaalde voorwaarden verplicht is om van de resultatenlijst die na een zoekopdracht op de naam van een persoon wordt weergegeven, koppelingen te verwijderen naar door derden gepubliceerde webpagina’s waarop informatie over deze persoon is te vinden. Het Hof preciseert dat de exploitant van de zoekmachine daartoe ook verplicht kan zijn indien deze naam of deze informatie niet vooraf of gelijktijdig van deze webpagina’s is gewist en, in voorkomend geval, zelfs wanneer de publicatie ervan op deze webpagina’s op zich rechtmatig is (rechtsoverweging 88 Costeja-arrest).

4.16. Met betrekking tot URL 1 overweegt de rechtbank dat het in dit geval gaat om de inhoud van de bronpagina die te vinden is door te klikken op URL 1, te weten het bericht op de Facebookpagina (Community) “ [xxxx] ”. Het verweer van Google dat de inhoudelijke beoordeling van het verzoek slechts betrekking zou hebben op de zoekresultaten, faalt derhalve. De rechtbank verwijst in dit kader naar hetgeen zij hiervoor heeft overwogen en meer in het bijzonder naar rechtsoverweging 4.3. en 4.4.. De inhoud van de bronpagina waarop URL 1 betrekking heeft bevat naar het oordeel van de rechtbank strafrechtelijke persoonsgegevens. De in dit bericht vermelde gegevens kunnen redelijkerwijs tot de identificatie van [verzoeker] als verdachte of dader leiden. De bronpagina bevat immers naast de volledige naam van [verzoeker] en een verwijzing naar zijn voormalige bedrijf, een kop waaruit, mede gelet op de context van de Facebookpagina (Community), kan worden afgeleid dat [verzoeker] zich (mogelijk) schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige, en de eis van de openbaar aanklager. Op basis daarvan oordeelt de rechtbank dat er ten aanzien van [verzoeker] sprake is van verwerking van gegevens waarvan in voldoende mate kan worden aangenomen dat sprake is van een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld ter zake strafbaar handelen. Daarmee wordt met betrekking tot URL 1 voldaan aan de hiervoor omschreven maatstaf van de Hoge Raad (zie rechtsoverweging 4.14.).

Inzake portret:
4.22. Google heeft zich op het standpunt gesteld dat zij een beroep kan doen op een uitzondering, hetzij op grond van artikel 23 lid 1 sub b Wbp, hetzij op grond van artikel 3 Wbp, hetzij - buitenwettelijk - op grond van artikel 11 en artikel 16 Handvest, artikel 10 EVRM en artikel 7 Grondwet.

4.25. Naar het oordeel van de rechtbank ligt dit anders voor URL 2, URL 3 en URL 4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op artikel 23 lid 1 sub b Wbp door Google ten aanzien van voornoemde URL’s slaagt. Op basis van de voorhanden zijnde gegevens concludeert de rechtbank dat de intentie om deze gegevens openbaar te maken uitdrukkelijk blijkt uit de gedragingen van [verzoeker] . De openbaar gemaakte gegevens hebben betrekking op zakelijke en reclame-activiteiten van [verzoeker] in het kader van zijn voormalige bedrijf [X] . Zo wordt in het You-tube-filmpje door [verzoeker] een ontwerp van [X] aangeprezen. [verzoeker] profileert zich derhalve uitdrukkelijk, via een filmpje en (een verwijzing naar) nieuwsberichten van [naam website] , waarin - onder meer een foto van hem is geplaatst met op de achtergrond het logo van zijn bedrijf - in de publiciteit om zijn voormalige bedrijf [X] te promoten. Naar het oordeel van de rechtbank legitimeert vorenstaande de verwerking door Google van de (bijzondere) persoonsgegevens ten aanzien van URL 2, URL 3 en URL 4. Het vorenstaande leidt evenzeer tot de conclusie dat de subsidiaire door [verzoeker] aangevoerde grondslag niet tot een ander oordeel leidt. Niet kan worden ingezien dat de door [verzoeker] opgeworpen belangenafweging zou moeten leiden tot het oordeel dat ook de URL’s 2, 3 en 4 zouden moeten worden verwijderd. De rechtbank is van oordeel dat er in ieder geval geen sprake is van ontoereikendheid of een gebrek aan relevantie met betrekking tot de voornoemde uitingen. Ook van bovenmatigheid is geen sprake. Niet kan immers worden ingezien dat het zakelijk verleden van [verzoeker] thans niet meer kenbaar zou moeten of hoeven te zijn.