IT 2314

Matiging van een boete in Proximedia-zaak

Hof 's-Hertogenbosch 4 juli 2017, IT 2314; ECLI:NL:GHSHE:2017:3054 (Proximedia tegen geïntimeerde). Contractenrecht. Overeenkomst tussen Proximedia en kleine ondernemer over verbeteren vindbaarheid onderneming op Google wordt opgezegd door de kleine ondernemer. Geen reflexwerking van regeling over oneerlijke handelspraktijken ten gunste van de kleine ondernemer. Het beding over de beëindigingsvergoeding van 40% van de maandtermijnen over de resterende looptijd van bijna vier jaar is een boetebeding. Gedeeltelijke vernietiging van het boetebeding op de voet van artikel 6:233 sub a BW omdat het onredelijk bezwarend is, dan wel vergaande matiging van de bedongen boete op de voet van artikel 6:94 lid 1 BW. Verdergaande matiging dan in andere arresten van het Hof Den Bosch, zie: ECLI:NL:GHSHE:2014:2001 en ECLI:NL:GHSHE:2014:5676.

3.7.6. Het hof overweegt dienaangaande dat [geïntimeerde] de overeenkomst als ondernemer en niet als consument heeft gesloten. De in artikel 6:193a en verder BW neergelegde regeling betreffende oneerlijke handelspraktijken is daarom niet van toepassing. Voor het verlenen van reflexwerking aan die regeling in het onderhavige geval, ziet het hof onvoldoende aanknopingspunten. Het hof kan zich dienaangaande verenigen met hetgeen het gerechtshof Arnhem Leeuwarden bij arrest van 13 mei 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:3884, in de hierna te citeren rechtsoverwegingen 3.7 tot en met 3.13 heeft overwogen met betrekking op een beroep op reflexwerking van de wettelijke regeling betreffende oneerlijke handelspraktijken:

“3.7 Het hof overweegt hierover als volgt. De bepalingen over oneerlijke handelspraktijken als opgenomen in boek 6, titel 3 afdeling 3A van het Burgerlijk Wetboek (hierna: de Wet op de oneerlijke handelspraktijken) strekken tot implementatie van Richtlijn 2005/29 EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt (PbEU L 149, hierna: Richtlijn oneerlijke handelspraktijken). De Richtlijn oneerlijke handelspraktijken en daarmee de Wet op de oneerlijke handelspraktijken beogen uitdrukkelijk slechts criteria te geven voor oneerlijke handelspraktijken van handelaren jegens consumenten. De Richtlijn oneerlijke handelspraktijken beoogt wat betreft de bescherming van de consument een maximumharmonisatie. De Richtlijn oneerlijke handelspraktijken verhindert lidstaten niet maatregelen te nemen op een gebied waarop zij geen betrekking heeft, zoals de bescherming van een handelaar tegen oneerlijke handelspraktijken van een handelaar. De Nederlandse wetgever heeft evenwel besloten dat de Wet op de handelspraktijken alleen op consumenten van toepassing is.

3.8.2. Het hof stelt bij de beoordeling van deze grieven het volgende voorop. Tussen partijen staat vast dat artikel 10 van de overeenkomst een algemene voorwaarde is in de zin van artikel 6:231 sub a BW. Ook staat tussen partijen vast dat artikel 10 van de overeenkomst moet worden aangemerkt als een boetebeding in de zin van artikel 6:94 BW, omdat de hoogte van het volgens dat artikel door [geïntimeerde] aan Proximedia verschuldigde bedrag gefixeerd is op een percentage van de resterende maandtermijnen en niet gebaseerd is op de schade die Proximedia door de voortijdige beëindiging of opzegging van de overeenkomst werkelijk, heeft geleden. 

3.8.10. Al deze feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, is het hof van oordeel dat Proximedia recht heeft op betaling van niet meer dan een verbrekingsvergoeding van 40% over twaalf maanden na maart 2012. Dat deze vergoeding niet over een kortere periode wordt berekend, zoals door [geïntimeerde] gevorderd, houdt met name verband met het feit dat in deze vergoeding tevens is begrepen een vergoeding van de volgens Proximedia gemaakte kosten ter zake de tablet, die zij volgens haar stellingen niet meer aan een andere klant ter beschikking heeft kunnen stellen. 

3.8.11. Dit resultaat kan bereikt worden langs de weg van artikel 6:233 sub a BW door gedeeltelijke vernietiging van het boetebeding. Het resultaat kan ook bereikt worden langs de weg van artikel 6:248 lid 2 BW, omdat een beroep van Proximedia op het boetebeding in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is voor zover op die grond de verbrekingsvergoeding van 40% van de maandtermijnen over een langere termijn dan twaalf maanden wordt gevorderd. Het resultaat kan ook bereikt worden via het door [geïntimeerde] gedane beroep op matiging van de boete, nu een boete van 40% van de resterende maandtermijnen, voor zover de periode van twaalf maanden na maart 2012 te boven gaande, in dit geval naar het oordeel van het hof gelet op alle omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Het hof benadrukt in dit verband dat bij een beslissing tot matiging van een boete niet alleen gelet moet worden op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het beding is ingeroepen. Die omstandigheden werken in dit geval in het nadeel van Proximedia. Daarbij speelt de wijze waarop de overeenkomst tot stand gekomen is geen onbelangrijke rol. Aan deze matiging staat voorts niet in de weg dat matiging volgens artikel 6:94 lid 1 BW niet kan plaatsvinden tot minder dan de schadevergoeding op grond van de wet. Uit hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen volgt immers dat aan Proximedia hoe dan ook geen hogere vergoeding toekwam.