IT 2308

Meerkosten subsidie melkrobots op juiste wijze berekend

CvB 19 december 2016, IT 2308; ECLI:NL:CBB:2016:434 (Melkrobot) Subsidiabele kosten. Melkrobot. KWIN-norm. Melkstalsysteem. Ongegrond. Appellante heeft subsidie aangevraagd voor de bouw van ligboxenstal voor 139 melkkoeien en verkregen, maar heeft vervolgens een wijzigingsverzoek ingediend. De subsidieverlening was ingediend met twee melkrobots van Lely, deze was goedgekeurd, er is nadien echter gekozen voor de melkrobot van Driehoeven omdat deze plaats biedt voor 150 melkkoeien. Het geschil gaat over de vraag of verweerder de subsidiabele meerkosten van de investering op juiste wijze heeft berekend en of verweerder bij de berekening van de normkosten mocht uitgaan van de KWIN-norm voor een 28 stands draaimelkstal. Het betoog van appellante, dat haar melkrobot valt binnen de tweede categorie slaagt niet, nu het melkstalsysteem dat bij deze categorie hoort een capaciteit heeft van 120 koeien en dus niet toereikend is voor het aantal te melken koeien dat is begroot op 135 tot 140. Dat betekent dat verweerder terecht aansluiting heeft gezocht bij de daaropvolgende derde categorie ‘28 stands draaimelkstal’ met de daarbij behorende KWIN-norm.

5.1 Het geschil spitst zich toe op de beantwoording van de vraag of verweerder de subsidiabele meerkosten van de investering van appellante op juiste wijze heeft berekend en meer in het bijzonder of verweerder bij de berekening van de normkosten mocht uitgaan van de KWIN-norm voor een 28 stands draaimelkstal. Het College beantwoordt die vragen bevestigend en overweegt hiertoe als volgt.
    5.2 Verweerder heeft uiteengezet dat hij, teneinde tot een doorzichtige, eenduidige en geobjectiveerde berekening van de norminvestering van de gangbare stal te komen, gebruik heeft gemaakt van een indeling in vier categorieën melkstaltypen met bijbehorende
KWIN-normen, die hij zonder uitzondering op aanvragen binnen de melkveehouderij heeft toegepast. Deze indeling luidt als volgt: :
- Bedrijf met 60 koeien    1 melker, 12 graats visgraat;
- Bedrijf met 120 koeien    1 melker, 24 stands zij aan zij;
- Bedrijf met 180 koeien    1 melker, 28 stands draaimelkstal;
- Bedrijf met 240 koeien    2 melkers, 50 stands draaimelkstal.
    5.3 Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat hij voor deze indeling ,waarbij per (opvolgende) categorie het aantal koeien steeds oploopt met 60, heeft gekozen, omdat het aantal van 60 koeien aansluit bij de capaciteit van een gemiddelde melkrobot. Het aantal melkkoeien dat een bedrijf heeft, is dus bepalend voor de betreffende KWIN-norm, waarbij heeft te gelden dat het betreffende melkstalsysteem toereikend moet zijn voor het aantal te melken koeien. Heeft een bedrijf bijvoorbeeld 60 of minder koeien, dan wordt aangesloten bij de KWIN-norm van 60 koeien; heeft een bedrijf meer dan 60 maar minder dan 120 koeien, dan wordt aangesloten bij de KWIN-norm van 120 koeien. Gelet op deze toelichting ziet het College in hetgeen appellante naar voren heeft gebracht, geen grond voor het oordeel dat verweerder niet tot deze indeling heeft kunnen komen.
    5.4 Het betoog van appellante, dat haar melkrobot valt of dient te vallen binnen de tweede categorie ‘24 stands-zij-aan-zij’ slaagt niet, nu het melkstalsysteem dat bij deze categorie hoort een capaciteit heeft van 120 koeien en dus niet toereikend is voor het aantal te melken koeien dat door appellante ter zitting is begroot op 135 tot 140. Dat betekent dat verweerder terecht aansluiting heeft gezocht bij de daaropvolgende derde categorie ‘28 stands draaimelkstal’ met de daarbij behorende KWIN-norm. Al hetgeen appellante verder heeft aangevoerd stuit hierop af.

6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.