IT 2404

Omstandigheden beëindiging kunnen niet aan principaal worden toegerekend

Rechtbank Amsterdam 7 november 2017, IT&R 2404; ECLI:NL:RBAMS:2017:8153 (Apply tegen Vodafone). Telecom. Contractenrecht. Apply is een dienstverlenende organisatie op het gebied van ICT, meer in het bijzonder in spraak- en dataoplossingen. Vodafone is een Nederlandse telecomprovider. Partijen zijn in 2010 meerdere overeenkomsten aangegaan. In 2016 zijn partijen uit elkaar gegaan. De overeenkomsten zijn aan te merken als agentuurovereenkomsten. Agentuurovereenkomst die na het verstrijken van de termijn waarvoor zij is aangegaan door beide partijen wordt voortgezet, bindt partijen voor onbepaalde tijd op dezelfde voorwaarden. Van een dergelijke voortzetting is hier sprake. Uiteindelijk is het Apply geweest die de overeenkomst feitelijk heeft beëindigd. De enkele omstandigheid dat partijen nog geen overeenstemming hadden over de daarna gelegen periode of dat Apply Vodafone arrogant vond en geen vertrouwen meer had in een verdere vruchtbare samenwerking, zoals door haar gesteld, is onvoldoende om aan te kunnen nemen dat de beëindiging gerechtvaardigd was door omstandigheden die de principaal kunnen worden toegerekend. Apply heeft aldus geen recht op een klantenvergoeding.

13. Ter beantwoording van de vraag of Apply recht heeft op een klantenvergoeding, stelt de kantonrechter allereerst vast dat de overeenkomst na 1 april 2016, terwijl zij in onderhandeling waren over een nieuw te sluiten overeenkomst, door beide partijen is voortgezet. Partijen hebben de data niet steeds exact gesteld, maar uit de stellingen van partijen valt in ieder geval af te leiden dat Vodafone reeds in november 2015 aan Apply heeft meegedeeld dat zij de voorwaarden zou gaan versoberen indien Apply haar targets niet zou gaan halen en dat zij Apply voor 1 april 2016 een voorstel voor nieuwe afspraken heeft toegezonden. Hangende de onderhandelingen die daarop volgden, verstreek 
1 april 2016 en - zo staat tussen partijen vast - bleef Apply haar werkzaamheden onder de overeenkomst uitvoeren. Ook is Vodafone Apply blijven betalen, zij het dat zij de airtimevergoeding over april t/m augustus 2016 eerst op 28 september 2016 bij wijze van voorschot heeft uitbetaald na meerdere keren door Apply tot betaling te zijn aangemaand. Met Apply is de kantonrechter van oordeel dat dit een vorm van powerplay van de kant van Vodafone lijkt te zijn, bedoeld om haar positie in de onderhandelingen kracht bij te zetten. Immers, uit de correspondentie blijkt dat Vodafone, ook nadat zij in de onderhandelingen het (gewijzigde) standpunt had ingenomen dat zij bereid was de bestaande voorwaarden tot en met maart 2017 na te komen, de vergoedingen niet onvoorwaardelijk (maar als voorschot) heeft uitgekeerd en zo een slag om de arm heeft gehouden. Anderzijds was Apply - ondanks het in de overeenkomst opgenomen eenzijdig wijzigingsbeding en de meerdere malen door Vodafone uitgesproken zorg over het niet-nakomen door Apply van haar targets - ook niet bereid Vodafone voldoende tegemoet te komen in de onderhandelingen. Zij heeft slechts een keer een concreet tegenvoorstel gedaan maar heeft vervolgens, ook toen Vodafone haar standpunt in de aanvankelijk wat strak door haar ingestoken onderhandelingen bijstelde, nooit meer gezegd onder welke voorwaarden zij wel bereid was akkoord te gaan met een wijziging van de commerciële condities. Aldus zijn de onderhandelingen door toedoen van beide partijen in een impasse geraakt.

14. In de stelling dat de overeenkomst per 31 maart 2016 is geëindigd en dat er per die datum een overeenkomst voor de duur van de onderhandelingen tot stand is gekomen kan Apply niet worden gevolgd. Apply heeft weliswaar in haar brieven gevraagd om naleving van de (oude) voorwaarden gedurende de onderhandelingen (zie onder meer 1.12), maar heeft nooit duidelijk gesproken van een nieuwe overeenkomst voor de duur van de onderhandelingen, laat staan dat Vodafone hiermee zou hebben ingestemd. Dat de overeenkomst per 31 maart 2016 beëindigd is volgt - anders dan Apply stelt - ook niet uit de brief van Vodafone van 25 augustus 2016 (zie onder 1.13). Op zich is juist dat Vodafone daarin schrijft dat zij de overeenkomst beëindigd acht indien Apply haar nieuwe voorwaarden niet zou accepteren, maar een en ander dateert van na de onder 14 bedoelde omzetting per 1 april 2016 en Vodafone is daar bovendien vrij snel daarna op teruggekomen. Vanaf 8 september 2016 (zie onder 1.15) heeft Vodafone in de correspondentie overduidelijk het standpunt ingenomen dat zij bereid is de geldende voorwaarden tot en met 31 maart 2017 te handhaven. Haar enkele eerdere opmerking rechtvaardigt niet de conclusie dat er sprake is van een einde per 31 maart 2016 door Vodafone. Daarvoor zou een acceptatie door Apply op dat moment nodig zijn, en niet zoals thans het geval is per 29 september 2016 (zie onder 1.20), terwijl Vodafone haar standpunt in de tussentijd had herzien. De kantonrechter betrekt bij haar oordeel dat Vodafone in de correspondentie, zoals zij onweersproken heeft aangevoerd, nog niet juridisch werd bijgestaan.

15. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de overeenkomst na 1 april 2016 door beide partijen is voortgezet en dat deze per die datum op grond van artikel 7:436 BW is omgezet in een overeenkomst voor onbepaalde tijd onder de oude voorwaarden.

16. Uiteindelijk is het Apply geweest die de overeenkomst feitelijk heeft beëindigd door haar werkzaamheden per 20 september 2016 stop te zetten. Hiertoe bestond naar het oordeel van de kantonrechter geen aanleiding, anders dan de constatering dat partijen in de onderhandelingen in een impasse waren geraakt. Verwezen wordt naar rechtsoverweging 13. Nu Vodafone echter herhaald heeft aangegeven (zie onder 1.15 en 1.21) dat zij bereid was tot en met 31 maart 2017 Apply de bestaande airtimevergoeding te betalen (5,5% standaardcomponent) valt, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet in te zien waarom Apply haar werkzaamheden voor Vodafone niet tot en met in ieder geval 31 maart 2017 had kunnen continueren. De enkele omstandigheid dat partijen nog geen overeenstemming hadden over de daarna gelegen periode of dat Apply Vodafone arrogant vond en geen vertrouwen meer had in een verdere vruchtbare samenwerking, zoals door haar gesteld, is onvoldoende om aan te kunnen nemen dat de beëindiging gerechtvaardigd was door omstandigheden die de principaal kunnen worden toegerekend, als bedoeld in artikel 7:442 lid 4 sub b BW.