IT 2345

Onderzoek AP naar voordeelurenabonnement in combinatie met persoonlijke OV-chipkaart te weinig acht geslagen op subsidiariteitsbeginsel

Rechtbank Gelderland 16 augustus 2016, IT 2345; ECLI:NL:RBGEL:2016:4553 (eiser tegen Autoriteit Persoonsgegevens) Wet bescherming persoonsgegevens; Eiser heeft bij verweerder een verzoek om handhaving ingediend vanwege het feit dat voordeelurenabonnement alleen te combineren is met een persoonlijke OV-chipkaart, waardoor zijn reisgegevens verwerkt worden indien hij wil reizen met een voordeelurenabonnement. Eiser acht dit in strijd met onder andere artikel 8 van de Wbp, nu het voor het uitvoeren van de overeenkomst niet noodzakelijk is dat zijn reisgegevens worden geregistreerd.

Uit de memorie van toelichting volgt dat artikel 8 bepaalt dat bij elke verwerking moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Ingevolge het subsidiariteitsbeginsel mag het doel waarvoor de persoonsgegevens worden verstrekt in redelijkheid niet op een andere, voor de bij de verwerking van persoonsgegevens betrokken persoon minder nadelige wijze kunnen worden verwezenlijkt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende onderzocht of de gegevensverwerking voldoet aan het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel. Zoals hiervoor overwogen is het bij een beoordeling van de subsidiariteit van gegevensverwerking echter juist van belang of het doel waarvoor de persoonsgegevens worden verstrekt in redelijkheid niet op een andere, voor de bij de verwerking van persoonsgegevens betrokken persoon minder nadelige wijze kan worden verwezenlijkt. Het is dus wel relevant of met het door eiser geschetste systeem, waarbij minder persoonsgegevens worden verwerkt, de doelstellingen behaald kunnen worden.

De vraag is immers of het voor de uitvoering van de overeenkomst noodzakelijk is dat de reisgegevens worden verwerkt door het verplicht stellen van een persoonlijke OV-chipkaart. Verweerder had derhalve moeten onderzoeken of een systeem mogelijk is dat aan de bezwaren van eiser tegemoet kan komen, met inachtneming van de belangen van de derde-partijen. Nu verweerder dit heeft nagelaten is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende acht heeft geslagen op het subsidiariteitsbeginsel en is het verrichte onderzoek van verweerder onvoldoende geweest. De rechtbank is onder deze omstandigheid van oordeel dat verweerder een onderzoek als bedoeld in artikel 60 van de Wbp had moeten uitvoeren. Immers een dergelijk onderzoek heeft de vereiste diepgang om bedoelde vraag, waarbij het niet in de laatste plaats aankomt op een belangenafweging, op een verantwoorde wijze te beantwoorden.

Het beroep is gegrond.