IT 2385

Onrechtmatig gedrag door het verkrijgen en dreigen met openbaarmaking van intieme beelden via vals Facebookprofiel

Rechtbank Limburg 11 oktober 2017, IEF 17217; IT 2385; ECLI:NL:RBLIM:2017:10252 (Eiser tegen vals Facebook-profiel) Inbreuk persoonlijke levenssfeer, vals facebookprofiel. Zie eerder: [IEF 16598]. Eiseres heeft via Facebook contact gekregen met een Facebook-profiel die haar heeft opgenomen in de gesloten Facebookgroep 'Lesbische vrouwen 25+'. Tussen eiseres en de Facebookgebruiker zijn intieme foto's gedeeld. Eiseres vordert een verklaring voor recht dat gedaagde jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door onder een valse hoedanigheid haar te bewegen intieme beelden aan hem te sturen en hem te verbieden enige gegevens, waaronder foto's en chatgesprekken, aan derden kenbaar te maken. De rechter oordeelt dat vaststaat dat gedaagde de gebruiker was van het Facebook-profiel. Gedaagde is een man en heeft zich voorgedaan als lesbische vrouw. Hij is door middel van een valse identiteit en onder valse voorwendselen in het bezit gekomen van zeer persoonlijke en vertrouwelijke gegevens. Daarnaast heeft hij gedreigd om beelden van eiseres door publicatie via internet openbaar te maken. Er is sprake van misleiding en oplichting van eiseres, en tevens van dreigende inbreuk op haar portretrecht en persoonlijke levenssfeer. Dit gedrag is onrechtmatig. Inzake de immateriële schadevergoeding overweegt de rechtbank dat gedaagde op een walgelijke manier misbruik heeft gemaakt van het door hem gewekte vertrouwen. Gedaagde heeft eiseres onrecht en leed aangedaan en aangetast in haar persoon. Hij is haar daarom een schadevergoeding verschuldigd.

4.1. Voor toewijzing van de vorderingen is onder meer nodig dat vaststaat dat [gedaagde] de gebruiker was van het Facebook-profiel ‘ [profielnaam] ’. De rechtbank overweegt dienaangaande dat [eiseres] bij dagvaarding al bewijsmateriaal terzake heeft overgelegd:

- Uit de informatie van Facebook blijkt dat ‘ [profielnaam] ’ van 16 maart 2016 tot en met 30 maart 2016 gebruik heeft gemaakt van het IP-adres [IP-adres] (KPN). 
- Uit de informatie van KPN blijkt dat dat IP-adres in de periode van 31 juli 2016 tot en met 30 september 2016 toebehoorde aan [gedaagde] , op zijn adres te [woonplaats 2] . 
- Uit de informatie van Facebook en KPN blijkt dat de gebruiker van dat IP-adres van provider is gewisseld op dezelfde dag (16 maart 2016) dat het IP-adres van ‘ [profielnaam] ’ wisselde. 
- [fotograaf] , de fotografe die de foto’s heeft gemaakt die ‘ [profielnaam] ’ met [eiseres] heeft gedeeld, heeft verklaard dat die foto’s op haar computer stonden, dat [gedaagde] het onderhoud van die computer heeft gedaan, dat [gedaagde] de enige buiten haar en haar dochter is geweest die op haar computer is geweest en dat zijzelf die foto’s nooit ergens heeft gebruikt. 
- Blijkens het onder 2.14 geciteerde proces-verbaal heeft [gedaagde] aan de deurwaarder meegedeeld dat hij foto’s van [eiseres] heeft ontvangen.

4.4. [gedaagde] heeft ter zitting volhard in zijn verweer dat hij niet de alias ‘ [profielnaam] ’ heeft gebruikt en verklaard: “Ik vertel nu pas wat ik eerder liever niet wilde vertellen, namelijk dat ik mijn mobiele telefoon en de Toshiba laptop zo’n ¾ jaar respectievelijk anderhalf jaar heb uitgeleend aan mijn toenmalige achterbuurman (…), omdat hij in een scheiding zat en werd lastig gevallen door zijn ex.”, maar deze stelling is niet onderbouwd en overigens ongeloofwaardig, temeer nu hij ten overstaan van de voorzieningenrechter nog, evenmin onderbouwd, had aangevoerd dat hij een onbeveiligde wifi-extender had gebruikt voor internet in de tuin. 
[gedaagde] ontkent voorts dat hij tegenover de deurwaarder heeft verklaard dat hij foto’s van [eiseres] heeft ontvangen, maar de rechtbank ziet geen grond om aan de juistheid van het proces-verbaal op dit punt te twijfelen.

4.5. Andere op dit punt relevante verweren heeft [gedaagde] niet aangevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank, in aanmerking nemende de feiten, opgesomd onder 4.1 en 4.3, in onderlinge samenhang bezien, heeft [eiseres] genoegzaam aangetoond dat [gedaagde] de gebruiker van het Facebookprofiel ‘ [profielnaam] ’ was. Bij gebreke van enig verder verweer terzake moet er dan ook van worden uitgegaan dat alles wat door ‘ [profielnaam] ’ is geschreven, geschreven is door [gedaagde] .

4.6. Vraag is vervolgens of het verweten gedrag onrechtmatig is.

[gedaagde] is een man en dus geen lesbische vrouw. Desondanks was hij binnen de Facebookgroep “Lesbische vrouwen 25+” actief en heeft zich daarbij tegenover [eiseres] voorgedaan als een (lesbische) vrouw met de (profiel)naam [profielnaam] . Die misleiding heeft hij voortgezet door in de hoedanigheid van [profielnaam] een vertrouwensband met [eiseres] op te bouwen, waarbij hij op een zeker moment intieme foto’s van een vrouw aan haar is gaan sturen met de suggestie dat die van [profielnaam] waren. [gedaagde] heeft bijgedragen aan een sfeer waarin [eiseres] vervolgens ook eigen intieme foto’s beelden is gaan sturen aan hem. Met andere woorden: [gedaagde] is door middel van een valse identiteit en onder valse voorwendselen in het bezit gekomen van zeer persoonlijke en vertrouwelijke gegevens betreffende [eiseres] die niet voor hem waren bedoeld en die hij, indien hij zijn ware identiteit had gebruikt, niet van haar zou hebben ontvangen. Daarnaast heeft [gedaagde] om beelden van [eiseres] in compromitterende houding door publicatie via het internet openbaar te maken.

Er is dus sprake van misleiding en oplichting van [eiseres] , en tevens van (dreigende) inbreuk op haar portretrecht en persoonlijke levenssfeer. Dit gedrag is naar het oordeel van de rechtbank evident onrechtmatig jegens haar. De onder I gevorderde verklaring voor recht zal derhalve worden toegewezen.

4.7. Vaststaat dat [gedaagde] onrechtmatig (vertrouwelijke) gegevens van [eiseres] heeft ontvangen. Hij mag niet over die gegevens beschikken en die zeker ook niet verder verspreiden. Dit vormt reden om, zoals gevorderd, die verspreiding te verbieden. De uitlating tegen over de deurwaarder dat [gedaagde] de foto’s van [eiseres] al had verwijderd, en het gegeven dat het onderzoeksbureau op de onderzochte selectie geen beelden van [eiseres] heeft aangetroffen, geven niet voldoende zekerheid dat [gedaagde] niet toch nog over foto’s van of chatgesprekken met [eiseres] beschikt. Zij heeft dus nog steeds een gerechtvaardigd belang bij haar vordering. Vordering III is dan ook toewijsbaar, met dien verstande dat de gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd.

4.10. Op grond van art. 6:162 lid 1 BW is [gedaagde] gehouden de (toerekenbare) schade die [eiseres] door zijn onrechtmatig handelen pleegt te vergoeden. 

4.12. De in vordering VII bedoelde schadevergoeding betreft de kosten die [eiseres] in en buiten rechte heeft moeten maken als gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagde] , met name de kosten om zijn identiteit te achterhalen.

Voldoende onderbouwd acht de rechtbank de voor rekening van [eiseres] gebleven kosten van de procedure tegen Facebook (€ 7.945,06), de andere kosten van juridische bijstand (€ 3.006,09), en de kosten van Digitale Opsporing B.V. (€ 19.012,73). De kosten vloeien voort uit de onrechtmatige gedragingen van [gedaagde] en het verborgen blijven houden van zijn ware identiteit. Deze schade kan aan hem worden toegerekend. De kosten voor de bewijsbeslagen (€ 2.734,-) en de deurwaarderskosten in verband met die beslagen (€ 3.682,22) zijn op grond van art. 706 Rv toewijsbaar. Betreffende de door [eiseres] gevorderde vergoeding van € 2.658,04 overweegt de rechtbank dat zij niet heeft aangetoond dat zij inkomen heeft gederfd dan wel andere materiële schade heeft geleden door tijd in deze zaak te steken. De vordering is in zoverre niet toewijsbaar.

Van de in vordering VII bedoelde schade is dus € 36.380,10 toewijsbaar.

4.13. Inzake de immateriële schadevergoeding (vordering VIII) overweegt de rechtbank dat [gedaagde] op een walgelijke manier misbruik heeft gemaakt van het door hem bij [eiseres] in ‘ [profielnaam] ’ gewekte vertrouwen en inbreuk heeft gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. Zij is door hem maandenlang ernstig misleid en heeft daarna lange tijd in onzekerheid moeten leven of hij zijn dreigementen om compromitterende beelden van haar via het internet openbaar te maken, zou uitvoeren, een zorg die in het bijzonder belastend is, omdat –het nagenoeg) onmogelijk is om op internet verspreide informatie met 100% zekerheid weer van het internet te verwijderen. Voorts was [eiseres] genoodzaakt om met personen en instanties intieme foto’s van haar te delen teneinde [gedaagde] op te sporen. Ook dat valt hem toe te rekenen.

Door dit alles heeft [gedaagde] [eiseres] onrecht en leed aangedaan en aangetast in haar persoon. Hij is daarom conform art. 106 lid 2 BW haar een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding verschuldigd.

Bij de begroting van de schade houdt de rechtbank rekening met het gegeven dat niet is gebleken dat hij de door [eiseres] met ‘ [profielnaam] ’ gedeelde intieme foto’s openbaar heeft gemaakt en dat [eiseres] die foto’s heeft gedeeld terwijl zij ‘ [profielnaam] ’ niet in persoon had ontmoet en ook anderszins geen zekerheid had dat ‘ [profielnaam] ’ de persoon was die zij voorwendde te zijn. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat bij het gebruik maken van Facebookaccounts, chatrooms e.d. door personen eenvoudig valse identiteiten kunnen worden gebruikt, dat daarvan misbruik kan worden gemaakt en dat dat ook vaak gebeurt.

Gelet op alle omstandigheden acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 5.000,- passend.

4.14. Het voorgaande betekent dat [gedaagde] zal worden veroordeeld tot een schadevergoeding van een bedrag van € 41.380,10. Wat hij op grond van het vonnis in kort geding van 13 februari 2017 met zaak/rolnummer C/03/230777 / KC ZA 17-21 al aan voorschot op de schadevergoeding aan [eiseres] heeft voldaan, strekt hierop uiteraard in mindering.