IT 2095

Ontbinding raamovereenkomst ziekenhuis- en apotheeksoftware en EPD

Rechtbank Oost-Brabant 29 juni 2016, IT 2095; ECLI:NL:RBOBR:2016:3387 (Alert tegen de ziekenhuizen)
Ontbinding. Opzegging. IT-zaak over software voor een ZIS en EPD voor vier ziekenhuizen en een apotheekorganisatie. Alert PT houdt zich bezig met het ontwikkelen, leveren en onderhouden van software ten behoeve van de gezondheidszorg. Voor ziekenhuizen biedt zij onder de naam “Alert® PFH” een integraal ICT-systeem bestaande uit een ziekenhuisinformatiesysteem (ZIS) en een elektronisch patiëntendossier van de derde generatie (EPD) aan. Alert sloot raamovereenkomsten met JBZ, Bernhoven, Atrium, ZANOB en TSZ. Bij deze Nederlandse klanten zette Alert “on site” teams in, die in de ziekenhuizen aanwezig waren voor de implementatie en ook ondersteuning konden bieden aan de medewerkers van de ziekenhuizen bij de werkzaamheden die door de ziekenhuizen zelf moesten worden verricht, zoals het testen van de software. Individuele beoordeling aan de hand van elke overeenkomst en de omstandigheden van het geval. Zaak wordt op de rol gezet voor nemen van nadere conclusie.

Conclusie in alle zaken
Ten aanzien van JBZ
19.1. De rechtbank wijst de door Alert tegen JBZ ingestelde incidentele vordering af, met veroordeling van Alert in de kosten van het incident (r.o. 4.11). In de hoofdzaak oordeelt de rechtbank dat JBZ haar raamovereenkomst met Alert terecht heeft ontbonden en dat JBZ niet individueel onrechtmatig jegens Alert heeft gehandeld op de door Alert ter comparitie nieuw gestelde grondslag (r.o. 6.45) en voor wat betreft contacten met de pers (r.o. 18.11). Dat betekent dat de vorderingen van Alert ten aanzien van JBZ niet toewijsbaar zijn voor zover ze zijn gebaseerd op de onterechte ontbinding door JBZ en het individueel onrechtmatig handelen door JBZ. Dan resteert ten aanzien van JBZ alleen nog de beslissing over de vorderingen van Alert die zijn gebaseerd op het verwijt dat de ziekenhuizen gezamenlijk onrechtmatig hebben gehandeld, welke beslissing de rechtbank aanhoudt tot na de comparitie ten aanzien van TSZ. De rechtbank stelt Alert en JBZ al wel in de gelegenheid zich uit te laten over het causaal verband tussen dat eventuele onrechtmatig handelen van de ziekenhuizen en de door Alert van de ziekenhuizen gevorderde schadevergoeding (r.o. 17.4). In dat kader stelt de rechtbank Alert en JBZ ook nog in de gelegenheid zich uit te laten over het causaal verband tussen het verwijt over het dreigen met het informeren van de pers en de door Alert opgevoerde schade (r.o. 18.12).

Ten aanzien van Bernhoven
19.2. De rechtbank hanteert zowel in conventie als in reconventie als uitgangspunt dat Bernhoven gerechtigd was de overeenkomst te ontbinden, maar dat kan anders worden indien Bernhoven is tekortgeschoten in één of meer van de op haar rustende verplichtingen en dit de nakoming door Alert van haar verplichtingen jegens Bernhoven heeft verhinderd (r.o. 9.63). De rechtbank stelt Alert en Bernhoven in de gelegenheid nadere informatie te verschaffen over de door Alert aan Bernhoven gemaakte verwijten zoals vermeld in r.o. 9.46, 9.51, 9.54, 9.61 en 9.62. Alleen indien Alert op dat punt in het gelijk zal worden gesteld, komt de rechtbank nog toe aan een beslissing over de overige argumenten van Bernhoven voor ontbinding en het beroep van Bernhoven op opzegging, welke beslissing de rechtbank aanhoudt (r.o. 9.64). De rechtbank oordeelt in conventie dat Bernhoven niet onrechtmatig jegens Alert heeft gehandeld voor wat betreft contacten met de pers (r.o. 18.11). In conventie moet ten aanzien van Bernhoven nog worden beslist over het verwijt van Alert dat de ziekenhuizen gezamenlijk onrechtmatig hebben gehandeld, welke beslissing de rechtbank aanhoudt tot na de comparitie ten aanzien van TSZ. De rechtbank stelt Alert en Bernhoven al wel in de gelegenheid zich uit te laten over het causaal verband tussen dat eventuele onrechtmatig handelen van de ziekenhuizen en de door Alert van de ziekenhuizen gevorderde schadevergoeding (r.o. 17.4).

Ten aanzien van Atrium
19.3. De rechtbank oordeelt zowel in conventie als in reconventie dat Atrium haar raamovereenkomst met Alert terecht heeft ontbonden (r.o. 12.44 en 12.45). Dat betekent dat de vorderingen van Alert in conventie ten aanzien van Atrium niet toewijsbaar zijn voor zover ze zijn gebaseerd op de onterechte ontbinding door Atrium. De rechtbank oordeelt in conventie dat Atrium niet onrechtmatig jegens Alert heeft gehandeld voor wat betreft contacten met de pers (r.o. 18.11). Dan resteert in conventie ten aanzien van Atrium alleen nog de beslissing over de vorderingen van Alert die zijn gebaseerd op het verwijt van Alert dat de ziekenhuizen gezamenlijk onrechtmatig hebben gehandeld, welke beslissing de rechtbank aanhoudt tot na de comparitie ten aanzien van TSZ. De rechtbank stelt Alert en Atrium al wel in de gelegenheid zich uit te laten over het causaal verband tussen dat eventuele onrechtmatig handelen van de ziekenhuizen en de door Alert van de ziekenhuizen gevorderde schadevergoeding (r.o. 17.4). In reconventie zijn de vorderingen van Atrium in beginsel toewijsbaar. De rechtbank moet nog beslissen over de hoogte van de vorderingen onder 2 en 3. De rechtbank stelt Atrium in de gelegenheid om daarover een nadere conclusie te nemen en Alert om daarop bij antwoordconclusie te reageren (r.o. 12.47).

Ten aanzien van ZANOB
19.4. De rechtbank oordeelt zowel in conventie als in reconventie dat ZANOB haar raamovereenkomst met Alert niet rechtsgeldig heeft ontbonden en die overeenkomst niet rechtsgeldig met onmiddellijke ingang heeft opgezegd, maar dat die overeenkomst wel rechtsgeldig is beëindigd per 23 november 2012 door de opzegging door ZANOB tegen die datum (r.o. 15.55). Dat betekent in conventie dat ZANOB in ieder geval aansprakelijk is voor de schade die Alert heeft geleden als gevolg van de onterechte beëindiging van de overeenkomst in de periode tussen 23 februari 2012 en 23 november 2012. De rechtbank stelt Alert in de gelegenheid om bij nadere conclusie de hoogte van die schade op te geven en ZANOB om daarop te reageren (r.o. 15.60). De vorderingen van ZANOB in reconventie zijn niet toewijsbaar (r.o. 15.63 e.v.). De rechtbank oordeelt in conventie dat ZANOB niet onrechtmatig jegens Alert heeft gehandeld voor wat betreft contacten met de pers (r.o. 18.11). In conventie moet nog worden beslist over de vorderingen van Alert die zijn gebaseerd op het verwijt van Alert dat de ziekenhuizen gezamenlijk onrechtmatig hebben gehandeld, welke beslissing de rechtbank aanhoudt tot na de comparitie ten aanzien van TSZ. De rechtbank stelt Alert en ZANOB al wel in de gelegenheid zich uit te laten over het causaal verband tussen dat eventuele onrechtmatig handelen van de ziekenhuizen en de door Alert van de ziekenhuizen gevorderde schadevergoeding (r.o. 17.4).

Rolverwijzing
19.5. De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen opdat Alert en Atrium ieder een nadere conclusie nemen waarin zij de van hen verlangde informatie verschaffen. Daarna zullen JBZ, Bernhoven, Atrium en ZANOB bij antwoordconclusie mogen reageren op de nadere conclusie van Alert voor zover die hen aangaat en zal Alert bij antwoordconclusie mogen reageren op de nadere conclusie van Atrium.