IT 2214

Opnemen van CBR-examens met Spybril door rijschool is auteursrechtinbreuk

spybril CBR

Rechtbank Amsterdam 25 januari 2017, IEF 16553; IT 2214; ECLI:NL:RBAMS:2017:394 (Spybril bij CBR) Auteursrecht. Strafzaak. Inbreuk op het auteursrecht van CBR en IBKI door middel van heimelijk opnemen en verveelvoudigen van examenvragen met commerciële doeleinden. Diefstal in vereniging van examenvragen CBR en IBKI door midden opnemen examenvragen met een spybril. Nu de verdenking het beroepsmatig inbreuk maken op het auteursrecht van het CBR en IBKI betreft, is de rechtbank van oordeel dat het reeds beschreven algemeen belang van de verkeersveiligheid in het geding is. Ter verdediging wordt aangevoerd dat het enkele filmen nog geen inbreuk oplevert, nu nog geen informatie is verspreid, verveelvoudigd of geopenbaard. De medeverdachte heeft voorts de informatie ten behoeve van zichzelf gebruikt teneinde een lesmethode te creëren. Er is wel degelijk sprake van commercieel gebruik, nu de verveelvoudiging was gericht op het verbeteren van de concurrentiepositie van de rijschool, teneinde meer klanten te kunnen aantrekken die tegen betaling de theorielessen zouden gaan volgen.

Vrijspraak medeplegen en medeplichtigheid van een partieel deel van het ten laste gelegde nu verdachte als vennoot beperkte zeggenschap en wetenschap had over hetgeen zich in de vennootschap onder firma afspeelde, niet voldaan aan Slavenburgcriterium.

Inbreuk op auteursrecht
De rechtbank verwerpt het verweer dat er geen sprake is van een inbreuk door verdachte op het auteursrecht van het CBR en IBKI en overweegt hiertoe als volgt.
Naar vaste rechtspraak geldt dat, wil een voortbrengsel kunnen worden beschouwd als een werk van letterkunde, wetenschap of kunst als bedoeld in art. 1 in verbinding met art. 10 Auteurswet (Aw), vereist is dat het een eigen, oorspronkelijk karakter heeft en het persoonlijk stempel van de maker draagt. Om van een werk in auteursrechtelijke zin te kunnen spreken moet dat werk door zijn maker als coherente creatie zijn geconcipieerd. Het werk moet het resultaat zijn van enige, hoe gering dan ook, scheppende activiteit van de maker. Die eis kan ook worden afgeleid uit het nog steeds maatgevende standaardarrest uit 1946, waarin de Hoge Raad heeft uitgemaakt "dat alleen de vormgeving, die de uiting is van datgene, wat de maker tot zijn arbeid heeft bewogen, de bescherming van het auteursrecht geniet" (HR 28 juni 1946, NJ 1946, 712). De rechtbank heeft deze maatstaf ook voorop gesteld en is van oordeel dat hiervan sprake is bij het creëren van examenvragen met bijhorende foto’s van verkeerssituaties, gemaakt ten behoeve van het theorie-examen voor het behalen van een rijbewijs dan wel certificaat tot rijinstructeur. Bij een werk in de zin van de Auteurswet geldt dat de maker (of diens rechtverkrijgende), en dat kan ook de werkgever zijn van degene die het werk feitelijk heeft vervaardigd (artikel 7 Aw) of de rechtspersoon onder wier naam het werk wordt openbaargemaakt (artikel 8 Aw), op grond van artikel 1 Aw “het uitsluitend recht heeft dit openbaar te maken en te verveelvoudigen, behoudens de beperkingen, bij de wet gesteld”. De rechtbank stelt vast dat het met een spybril opnemen van examenvragen van het CBR en IBKI, en deze beelden vervolgens verwerken in een theorie-cursus, zonder meer is aan te merken als een verveelvoudiging in de zin van de Auteurswet. De bij de wet gestelde beperkingen met betrekking tot het verveelvoudigen zijn onder andere neergelegd in de artikelen 16b en 16c van de Auteurswet. Van de in die artikelen omschreven beperkingen is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De in de artikelen 16b en 16c van de Auteurswet omschreven beperkingen gelden niet indien de verveelvoudiging direct dan wel indirect een commercieel oogmerk bevat. De rechtbank heeft vastgesteld dat van commercieel gebruik in de onderhavige zaak wel degelijk sprake is, nu de verveelvoudiging was gericht op het verbeteren van de concurrentiepositie van de rijschool, teneinde meer klanten te kunnen aantrekken die tegen betaling de theorielessen zouden gaan volgen. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook sprake van een inbreuk op het auteursrecht van het CBR en IBKI. Het verweer wordt verworpen.

(...)
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van inbreuk maken op het auteursrecht van het CBR en IBKI, evenals de diefstal in vereniging van examenvragen bij deze instellingen. De diefstal en de daarmee gepaard gaande inbreuk op het auteursrecht is gepleegd met een commercieel oogmerk en daarmee gepaard gaand geldelijk gewin. Voorts heeft het handelen van verdachte bijgedragen aan het ondermijnen van het stelsel van examinering. Zowel voor het behalen van een rijbewijs, alsmede voor een certificaat tot rijinstructeur is toetsing van kennis met betrekking tot regels en verkeerssituaties vereist. Met de diefstal en het gebruik van gestolen vragen kan aan deze toetsing worden ontkomen. Dit levert risico’s op met betrekking tot de verkeersveiligheid en daarmee het algemeen belang.