IT 2465

Overleg van alle aanvragen van telefoontap-machtiging afgewezen

Vzr. Rechtbank Den Haag 8 oktober 2007, IT 2465; ECLI:NL:RBSGR:2007:15651 (eiser tegen De Staat der Nederland) Van eiser zijn telefoontaps gemaakt in Nederland. De tapverslagen zijn aan de Engelse justitie verstrekt ten behoeve van het bewijs in Engelse strafzaak. Eiser wenst overlegging van de aanvragen van de machtigingen van februari 2006. Het verzoek wordt geweigerd.

4.2. Eiser heeft bevestigd dat hij de aanvragen van de machtigingen van augustus 2006 en de daarbij behorende documenten van de officier van justitie te Amsterdam heeft ontvangen. Ter beoordeling is thans de vraag of gedaagde onrechtmatig handelt door te weigeren de aanvragen van de tapmachtigingen van februari 2006 over te leggen, alsmede de overige documenten die daarop betrekking hebben.

4.3. Eiser heeft onder meer aangevoerd dat hij belang heeft bij zijn vordering, omdat hij op die wijze kan controleren of de officier van justitie te Haarlem terecht heeft geoordeeld dat het onderzoek dringend vorderde dat gegevensverkeer van eiser werd opgenomen. Indien op grond van de inhoud van die aanvragen zou blijken dat de inbreuk op de rechten van eiser door het tappen van het telefoonverkeer niet noodzakelijk was, zou de Engelse rechter tot het oordeel kunnen komen dat het bewijs onrechtmatig is verkregen.

4.4. Gedaagde heeft als verweer aangevoerd dat de machtigingen zijn aangevraagd in het kader van een onderzoek naar een schietincident, waarbij eisers naam naar voren kwam. Eiser is volgens gedaagde geen verdachte in dat onderzoek. Het onderzoek richt zich vooralsnog tegen een onbekende verdachte. Gedaagde voert aan dat in de aanvragen voor de machtiging informatie over het slachtoffer, betrokkenen en andere gegevens betreffende het schietincident zijn opgenomen. Indien die gegevens bij derden bekend zouden raken zou het onderzoek kunnen worden gefrustreerd.

4.5. Het vertrouwensbeginsel in het internationaal rechtshulpverkeer brengt met zich dat de rechter van de verzoekende staat er in beginsel van uit gaat dat de bij het rechtshulpverzoek gevraagde gegevens in de aangezochte staat op rechtmatige wijze zijn verkregen. Slechts ingeval er duidelijke aanwijzingen zijn dat sprake is van een flagrante inbreuk op zijn rechten zal eiser eventueel kunnen bewerkstelligen dat de Engelse rechter nader onderzoek doet naar de rechtmatigheid van de bewijsgaring. Een dergelijke situatie is hier echter niet aannemelijk geworden. Een onafhankelijke rechter, de R-C, heeft immers geoordeeld dat aan de wettelijke voorwaarden voor het geven van een machtiging is voldaan. Eiser heeft er naar voorlopig oordeel dan ook onvoldoende belang bij dat hem de gevraagde gegevens worden verschaft, mede gelet op het opsporingsbelang dat gedaagde heeft kenbaar gemaakt.

Dat er voor eiser een verminderde toetsingsmogelijkheid bestaat in vergelijking met de Nederlandse situatie, waarin in laatste instantie de zittingsrechter de rechtmatigheid van de toepassing van de bevoegdheid beoordeelt, maakt dat oordeel niet anders. Dat brengt in dit geval het internationaal rechtshulpverkeer met zich mee.

Gelet op het voorgaande handelt gedaagde dan ook niet onrechtmatig door de gevraagde gegevens niet aan eiser te verstrekken.

4.6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering zal worden afgewezen.