IT 2305

Prej. vragen over bedrijfsgeheimen van een geprivatiseerde bank en toegang tot overheidsinformatie

nbkm

Prej. vragen aan HvJ EU 11 april 2017, IEF 16877; IEFbe 2213; IT 2305; C-215/17 (Nova KBM tegen Slovenië) Openbaarheid. Overheidsinformatie. Auteursrecht. Hergebruik. Verzoekster (bank) heeft verzocht om herziening van een uitspraak op een verzoek van een journaliste tot openbaarmaking van een lijst van de consultancyfirma’s, advocatenkantoren en vennootschappen die intellectuele prestaties leveren waarmee verzoekster in de periode van 01-10-2012 tot en met 17-04-2014 overeenkomsten heeft gesloten. De lijst zou ook inhoudelijke gegevens van de overeenkomsten moeten bevatten. Volgens de SLV wetgeving zijn deze gegevens absoluut openbaar waarbij aangetekend dat het belang van het publiek bij openbaarmaking niet zwaarder weegt dan het belang van de tot openbaarmaking verplichte persoon om de toegang tot de gevraagde informatie te beperken. Dit geldt met name voor (rechts)personen die onder de overheersende invloed staan dan wel de laatste vijf jaar hebben gestaan van publiekrechtelijke lichamen, zoals in casu verzoekster, waarin SLV een meerderheidsaandeel had en die door SLV in beduidende mate is geherkapitaliseerd. Met name dit laatste vergroot het openbaar belang van controle. Sinds 21-04-2016 is verzoekster een privaatrechtelijke vennootschap op aandelen. Zij staat niet meer onder de overheersende invloed van de Staat maar is nog wel verplicht vijf jaar lang gegevens te verstrekken op grond van de Wet op de toegang tot overheidsinformatie.

Het SLV grondwettelijk Hof heeft beslist dat de nationale regelgeving betreffende openbaarmaking van bedrijfsgeheimen niet in strijd met de Gw is. Verzoekster heeft gesteld dat de regeling in strijd is met EUrecht.

De verwijzende hoogste SLV rechter stelt vast dat op verzoekster niet enkel de verplichting op grond van RL 2003/98 rust maar ook dat zij als kredietinstelling gehouden is op grond van Vo. 575/2013 gegevens openbaar te maken. Twee rechtsgronden die zien op toegankelijkheid van informatie voor het publiek, maar waarvan uitleg en wederzijdse betrekkingen niet zodanig voor de hand liggen dat de verwijzende rechter overtuigd is van juiste toepassing. Hij legt het HvJEU de volgende vragen voor:

1) Moet artikel 1, lid 2, onder c), derde streepje, van richtlijn 2003/98, zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/37 (geconsolideerde versie), gelet op een benadering die strekt tot minimumharmonisatie, aldus worden uitgelegd dat een nationale regeling (absolute) onbeperkte toegang kan toestaan tot alle informatie in overeenkomsten betreffende auteursrecht en adviesovereenkomsten, ook wanneer deze wordt omschreven als bedrijfsgeheim, en deze regeling zulks enkel bepaalt met betrekking tot personen die onder een overheersende invloed van de Staat staan maar niet voor andere verplichte personen, en is voor deze uitlegging ook verordening (EU) nr. 575/2013 relevant voor zover zij ziet op de voorschriften voor de openbaarmaking van informatie, inzonderheid in de zin dat de toegang tot overheidsinformatie in de zin van richtlijn 2003/98 niet ruimer kan zijn dan in de eenvormige voorschriften voor de openbaarmaking van gegevens van deze richtlijn is neergelegd?

2) Moet verordening nr. 575/2013, voor zover zij ziet op de voorschriften voor de openbaarmaking van informatie over de commerciële activiteiten van banken, meer bepaald artikel 446 en artikel 432, lid 2 (opgenomen in deel acht van deze verordening), aldus worden uitgelegd dat deze voorschriften in de weg staan aan een regeling van een lidstaat waarbij een bank die onder de overheersende invloed staat of stond van publiekrechtelijke lichamen, verplicht wordt informatie openbaar te maken over haar overeenkomsten voor de verlening van adviesdiensten, advocatendiensten, diensten van auteurs van werken van de geest en andere intellectuele diensten, meer bepaald informatie over de soort rechtshandeling, de andere partij bij de overeenkomst (voor rechtspersonen: de handelsnaam, de zetel, het postadres), de waarde van de overeenkomst, de hoogte van de afzonderlijke betalingen, de datum van sluiting van de overeenkomst, de duur van de rechtsbetrekking en soortgelijke gegevens die uit de bijlagen bij de overeenkomsten naar voren komen – gegevens die alle dateren uit de periode waarin de bank onder overheersende invloed stond – zonder dat is voorzien in een uitzondering op die verplichting en zonder mogelijkheid het belang van het publiek bij toegang tot de gegevens af te wegen tegen het belang van de bank bij het bewaren van het bedrijfsgeheim, indien het niet gaat om een geval met grensoverschrijdende aspecten?