IT 2291

Prejudiciële vraag: Is een natuurlijke persoon die acht tweedehands-advertenties heeft geplaatst een handelaar?

Prejudiciële vragen gesteld aan HvJ EU 16 februari 2017, IEFbe 2187; IT 2291; RB 2870; C-105/17 (OLX verkoop Longines horloge) Consumentenbescherming. Oneerlijke handelspraktijken. Bij de Commissie voor consumentenbescherming (verweerster) is een klacht ingediend over levering van een tweedehands ‘longines’-horloge dat via een website van een aanbieder was gekocht onder de voorwaarden van verkoop op afstand. Het product wordt 20-10-2014 door een koerier afgeleverd met gegevens van de aanbieder (= verzoekster). De klant is niet tevreden met het product omdat het niet de eigenschappen bezit die op de website worden vermeld, waarna hij verzoekster belt om de overeenkomst te ontbinden. Daartoe is verzoekster echter niet bereid. Verweerster start een onderzoek en komt via de koeriersdienst en de exploitant van de website uit bij verzoekster. Zij blijkt acht advertenties op de website te hebben geplaatst voor verschillende producten (iPhones, een BMW, Turkse tegels). In geen van de advertenties worden gegevens van de aanbieder genoemd, noch de prijs, leveringsvoorwaarden, garanties en termijnen voor uitoefening van consumentenrechten. Verweerster besluit daarop 27-02-2015 tot vaststelling van een bestuursrechtelijke overtreding op grond van de BUL consumentenbeschermingswet, waartegen verzoekster 17-03-2015 bezwaar maakt omdat zij meent niet als handelaar in de zin van die wet te kunnen worden aangemerkt. Dit wordt afgewezen en verzoekster krijgt een boete. Zij vecht die aan bij de Rb Varna die vaststelt dat verzoekster niet de hoedanigheid van ‘handelaar’ in de zin van de uitvoeringsbepalingen van de wet heeft, en evenmin in de zin van RL 2005/29. Het boetebesluit wordt 22-03-2016 vernietigd. Verweerster gaat in cassatieberoep bij de verwijzende rechter.

Bij de verwijzende BUL rechter (AdminRb Varna) stelt verweerster dat verzoekster de hoedanigheid van handelaar in de zin van de BUL wet heeft en verplicht was om informatie in verband met de aangeboden goederen op de genoemde website ter beschikking te stellen. Verzoekster wijst erop dat zij tweedehands goederen te koop aanbood zodat zij niet de hoedanigheid van ‘handelaar’ heeft. Voor de verwijzende rechter leveren de in de RL opgenomen definities van ‘handelaar’ en ‘handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten’ problemen op bij de toepassing en bij de beoordeling of verzoeksters activiteiten onder de werkingssfeer van de RL vallen. Met het oog op het doel van de RL (hoog beschermingsniveau) en de veelvuldig voorkomende praktijk van het te koop aanbieden van goederen via internet ziet hij noodzaak dat het HvJEU hierin duidelijkheid schept. Hij legt het HvJEU dan ook de volgende vraag voor:

„Moet artikel 2, onder b) en onder d), van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken, aldus worden uitgelegd dat de activiteiten van een natuurlijke persoon die bij een website voor de verkoop van goederen is geregistreerd en op die website tegelijkertijd in totaal acht advertenties voor de verkoop van verschillende goederen heeft geplaatst, activiteiten van een handelaar in de zin van de wettelijke definitie van artikel 2, onder b), zijn[,] handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten in de zin van artikel 2, onder d), vormen, en overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder het toepassingsgebied van de richtlijn vallen?”