IT 2380

Raad van State: IGZ weigert ten onrechte verwijderen gegevens met beroep op Archiefwet

ABRvS 23 augustus 2017, IT 2380; LS&R 1521; ECLI:NL:RVS:2017:2232 (IGZ-Archiefwet) Wederpartij heeft een handhavingsverzoek ingediend bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg, in dat kader waren bij haar aanvullende gegevens opgevraagd. Na afwijzing, verzocht zij om verwijdering van de gegevens, wat door IGZ werd geweigerd met een beroep op de Archiefwet. De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat de persoonsgegevens van [wederpartij] in strijd met wettelijke voorschriften zijn verwerkt.  Het voor tien jaar bewaren van het dossier op beide locaties is daarom volgens de rechtbank in strijd met artikel 11, eerste lid, van de Wbp. Door desgevraagd en uit eigen beweging gegevens te verstrekken heeft [wederpartij] uitdrukkelijke toestemming gegeven om haar dossier tien jaar te bewaren, aldus de minister.

4.2.1. (...)  Met het sturen van de brief van 29 december 2014 en het toesturen van nadere stukken heeft [wederpartij] toestemming gegeven voor het verwerken van haar persoonsgegevens in verband met de behandeling van haar melding. Uit die gedragingen blijkt immers dat zij wil dat haar klacht  wordt behandeld en dat zij daartoe haar gegevens verstrekt. Uit de notities van het LMZ van het contact met [wederpartij] blijkt verder dat zij toestemming heeft gegeven om haar persoonsgegevens aan de IGZ te verstrekken ten behoeve van de behandeling van haar melding. Uit de notities van het contact met [wederpartij] blijkt niet dat zij toestemming heeft gegeven voor verwerking van haar persoonsgegevens door het bewaren van het dossier van haar melding voor tien jaar, noch dat zij over die bewaring is geïnformeerd. Ter zitting is toegelicht dat destijds evenmin op de website van het LMZ stond dat dossiers van meldingen tien jaar worden bewaard. Uit het Basisselectiedocument IGZ, dat in de Staatscourant is gepubliceerd, blijkt dat meldingen van zorginstellingen en van burgers, zowel die geen vervolg krijgen als die leiden tot nader onderzoek, in beginsel tien jaar worden bewaard. Naar het oordeel van de Afdeling kan echter uit de omstandigheid dat [wederpartij] de stukken heeft opgestuurd nadat het Basisselectiedocument IGZ was gepubliceerd geen uitdrukkelijke toestemming voor het bewaren van haar medische persoonsgegevens voor tien jaar worden afgeleid. Evenmin kan uit de toestemming van [wederpartij] voor verwerken van haar persoonsgegevens in verband met de behandeling van de melding een toestemming worden afgeleid voor het voor tien jaar bewaren van het dossier van haar melding nadat de IGZ heeft besloten de melding niet in behandeling te nemen. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wbp volgt immers dat de wilsuiting betrekking moet hebben op een bepaalde gegevensverwerking en duidelijk moet zijn welke verwerking, van welke gegevens, voor welk doel zal plaatsvinden.

    [wederpartij] heeft dus geen uitdrukkelijke toestemming gegeven voor het bewaren van de gegevens betreffende haar gezondheid voor tien jaar, zodat de minister zich niet op de uitzondering als bedoeld in artikel 23, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wbp kan beroepen.

Dirkzwagerieit