IT 2357

Raad van State: Onderzoek AP naar persoonlijke OV-chipkaartabonnement voldoet niet

ABRvS 20 september 2017, IT 2357; ECLI:NL:RVS:2017:2555 (NS-reiziger tegen Autoriteit Persoonsgegevens) Wet bescherming persoonsgegevens. Eiser heeft bij de AP een verzoek om handhaving ingediend wegens het feit dat het voordeelurenabonnement alleen te combineren is met een persoonlijke OV-chipkaart, waardoor zijn reisgegevens verwerkt worden als hij wil reizen met een voordeelurenabonnement. Eiser acht dit in strijd met artikel 8 Wbp, nu het voor het uitvoeren van de overeenkomst niet noodzakelijk is dat zijn reisgegevens worden geregistreerd. Rechtbank Gelderland [IT 2345] heeft geoordeeld dat de AP onvoldoende heeft onderzocht of de gegevensverwerking voldoet aan het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel. De vraag is of het voor de uitvoering van de overeenkomst noodzakelijk is dat de reisgegevens worden verwerkt door het verplicht stellen van een persoonlijke OV-chipkaart. De AP had op grond van art. 60 Wbp moeten onderzoeken of een systeem mogelijk is dat aan de bezwaren van eiser tegemoet kan komen, met inachtneming van de belangen van de derde-partijen. De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover het opgedragen onderzoek als bedoeld in art. 60 Wbp. Het fase I-onderzoek van de AP, waarin wordt getoetst of het verzoek aan de formele eisen uit de Awb voldoet, heeft uitgewezen dat overtredingen van art. 8 Wbp niet aan de orde zijn.
 

7.    De AP voert aan dat de rechtbank het besluit van 13 augustus 2015 ten onrechte heeft vernietigd. Daartoe voert zij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij in het fase I-onderzoek onvoldoende heeft onderzocht of en gemotiveerd dat overtredingen van de artikelen 8, aanhef en onder b, en 11, eerste lid, van de Wbp niet aan de orde zijn. Ook betoogt zij dat niet van belang is of de verwerking van de persoonsgegevens op een minder nadelige wijze kan worden verwezenlijkt, omdat de huidige manier van verwerken niet onrechtmatig is. Daarnaast voert de AP aan dat zij zich kon beperken tot een toetsing binnen het door de NS gekozen bedrijfsmodel en dat zij bij de beoordeling niet de vraag hoefde te betrekken of alternatieven minder verwerking van persoonsgegevens tot gevolg zouden hebben.

7.1.    De Afdeling acht het niet onredelijk dat de AP in fase I toetst of het verzoek aan de formele eisen uit de Awb voldoet en aan de hand van het zogenoemde globaal bureauonderzoek beoordeelt of zich een mogelijke overtreding heeft voorgedaan.

7.2.    De rechtbank heeft naar het oordeel van de Afdeling terecht geoordeeld dat het College onvoldoende heeft onderzocht of en gemotiveerd dat een mogelijke overtreding niet aan de orde is. Daartoe wordt het volgende overwogen.

7.2.1.    Teneinde na te gaan of sprake is van een mogelijke overtreding diende beoordeeld te worden of het voor de uitvoering van de overeenkomst betreffende een voordeelurenabonnement noodzakelijk is dat de persoonsgegevens worden verwerkt door het verplicht stellen van een persoonlijke OV-chipkaart. Ook diende te worden beoordeeld of als gevolg van het verplicht stellen van de persoonlijke OV-chipkaart die verwerking van persoonsgegevens toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig is. Het College heeft verwezen naar reeds uitgevoerde onderzoeken. Het betreft: het onderzoek Verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van de OV-chipkaart bij het GVB te Amsterdam, gedateerd december 2007, het rapport bevindingen onderzoek Verwerking van persoonsgegevens met betrekking tot de studenten OV-chipkaart bij NS Groep N.V., gedateerd december 2010, en het Onderzoek naar de verwerking van OV-chipkaart reisgegevens voor marketingdoeleinden door NS Groep N.V., gedateerd augustus 2012. In die onderzoeken is niet onderzocht of de verwerking van persoonsgegevens door middel van een persoonlijke OV-chipkaart noodzakelijk is voor het sluiten en de uitvoering van de overeenkomst betreffende het voordeelurenabonnement en evenmin is in die onderzoeken onderzocht of als gevolg van het verplicht stellen van de persoonlijke OV-chipkaart voor een abonnement die verwerking van persoonsgegevens toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig is. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat de verwijzing naar de reeds eerder uitgevoerde onderzoeken niet toereikend is.

7.2.2.    De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat de omstandigheid dat de OV-chipkaart in haar algemeenheid voldoet aan de Wbp, niet betekent dat de omstandigheid dat het onmogelijk is een persoonlijk product te combineren met een anonieme kaart ook voldoet aan de Wbp. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het College niet heeft kunnen volstaan met de verwijzing naar de algemene voorwaarden en de overeenkomst in haar huidige vorm, waarbij een voordeelurenabonnement alleen op een persoonlijke OV-chipkaart kan worden geladen. Daarnaast heeft de rechtbank terecht overwogen dat het antwoord van de staatssecretaris op kamervragen daaraan niet afdoet. Daarmee wordt geen antwoord gegeven op de vraag of het voor de uitvoering van de overeenkomst betreffende een voordeelurenabonnement noodzakelijk is dat persoonsgegevens worden verwerkt door het verplicht stellen van een persoonlijke OV-chipkaart. Ook wordt daarmee geen antwoord gegeven op de vraag of die verwerking van persoonsgegevens toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig is. 

7.2.3.    Met betrekking tot de vraag of de AP in haar beoordeling van het verzoek van [appellant sub 2] door hem aangedragen alternatieven moest betrekken overweegt de Afdeling als volgt. De Wbp is een implementatie van Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB 1995 L 281; de Privacyrichtlijn). Bij de toepassing van de Wbp is op grond van artikel 51, eerste lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dat Handvest van toepassing.

7.3.    Uit 7.2.1. en 7.2.2. volgt dat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat op grond van het uitgevoerde globale onderzoek niet is vastgesteld dat zich geen mogelijke overtreding heeft voorgedaan. De rechtbank heeft voorts, gelet op hetgeen hiervoor onder 7.2.3. is overwogen, terecht geoordeeld dat het door [appellant sub 2] aangedragen alternatief, het inchecken met een anonieme OV-chipkaart met daarop voordeelurenkorting en het als zichtkaart tonen van een voordeelurenabonnement aan de conducteur in de trein, bij de beoordeling in het fase-I onderzoek moest worden betrokken.

7.4.    Het betoog faalt.