IT 2315

Schriftelijke huurovereenkomst van kopieerapparaten essentieel bij vaststelling contractspartijen

Hof 's-Hertogenbosch 20 juni 2017, IT 2315; ECLI:NL:GHSHE:2017:2809 (huurovereenkomst kopieerapparaten). Contractenrecht. Een huurder en verhuurder sloten een huurovereenkomst met betrekking tot vier kopieerapparaten. Nu de overeenkomst niet (tijdig) was opgezegd door huurder, vorderde verhuurder ontbinding van de overeenkomst en betaling van openstaande facturen. Vordering met betrekking tot de hoofdsom wordt toegewezen. Huurder stelt geen contractspartij te zijn. Bekrachtiging vonnis in hoger beroep: huurder is aan te merken als contractspartij. De overeengekomen opzeggingsbepalingen zijn geldig. 

4.9 Het hof stelt vast dat de schriftelijke huurovereenkomst is gesteld op naam van [appellante] , met inbegrip van het nummer waaronder [appellante] in het Handelsregister is ingeschreven, en namens [appellante] door haar directeur [directeur] is ondertekend. De vermelding van [Agenturen] Agenturen op de bijlage, wat daarvan ook de status is, houdt op zich geen aanpassing van de schriftelijke huurovereenkomst in, terwijl de tenaamstelling van facturen niet bepalend is voor de vraag wie contractspartij is. Voor het benaderen van de curator in het faillissement van [Agenturen] Agenturen BV om de kopieerapparaten terug te krijgen heeft [geïntimeerde] een aannemelijke verklaring gegeven. Door [appellante] zijn in ieder geval geen concrete feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit kan worden afgeleid dat is beoogd een overeenkomst tot stand te brengen tussen [geïntimeerde] en [Agenturen] Agenturen BV maar dat deze ondanks de bestendige relatie tussen deze partijen (per abuis of anderszins) op naam van [appellante] hebben gesteld. Een steekhoudende verklaring heeft [appellante] niet gegeven, zodat het ervoor gehouden dient te worden dat de overeenkomst is gesloten en dat ook beoogd is die te sluiten tussen de partijen die zijn vermeld op de schriftelijke huurovereenkomst: [geïntimeerde] en [appellante] . De grieven 1 en 2 worden verworpen.

4.11 Met grief 4 betoogt [appellante] dat de huurovereenkomst na zes maanden op grond van artikel 7:228 lid 1 BW van rechtswege is geëindigd. Een opzeggingstermijn van drie maanden en een verlenging met 24 maanden acht [appellante] in strijd met redelijkheid en billijkheid. [geïntimeerde] betwist een en ander. Zij voert daarbij aan dat partijen van het bepaalde in artikel 7:228 lid 1 BW kunnen afwijken en dat in de praktijk afwijking ook gebruikelijk is. De afspraken tussen partijen hield in dat de huurovereenkomst opgezegd diende te worden op een termijn van drie maanden en bij gebreke van een tijdige opzegging werd verlengd met 24 maanden. Volgens [geïntimeerde] is een dergelijke regeling niet in strijd met redelijkheid en billijkheid.

4.12 Het hof overweegt hierover het volgende. Artikel 7:228 lid 1 BW houdt in dat een huur voor bepaalde tijd aangegaan, eindigt, zonder dat daartoe een opzegging is vereist, wanneer die tijd is verstreken. Zoals [geïntimeerde] terecht aanvoert, stond het partijen in dit geval vrij om hiervan af te wijken en dat hebben zij ook gedaan door de bepalingen van de toepasselijke algemene voorwaarden, waarin de opzeggingsverplichting, de opzeggingstermijn en de verlenging bij gebreke van een (tijdige) opzegging zijn neergelegd. Wanneer [appellante] een andere regeling beter of redelijker had gevonden, had zij die met [geïntimeerde] kunnen overeenkomen. Nu dat niet is gebeurd, geldt de regeling van de algemene voorwaarden. [appellante] is daaraan gebonden, tenzij geoordeeld zou moeten worden dat een beroep daarop naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Door [appellante] zijn echter geen feiten of omstandigheden aangevoerd die een dergelijke conclusie rechtvaardigen. Grief 4 wordt daarom verworpen.