IT 2436

Seponering strafzaak maakt vermelding persoonsgegevens in incidentenregisters van bank ongerechtvaardigd

Hof 's-Hertogenbosch 7 december 2017, IT&R 2436; ECLI:NL:GHSHE:2017:5390 (Registervermeldingen persoonsgegevens). Privacy. Wbp. Appellant verzoekt een financiële instelling ('de bank') om verwijdering van de registratie van appellant in het Interne Verwijzingsregister (IVR), Externe Verwijzingsregister (EVR) en het register van de Stichting Fraudebestrijding Hypotheken (SFH). De rechtbank heeft het verzoek eerder afgewezen. Er liep een strafrechtelijke procedure jegens appellant waarin valsheid ten geschrifte ten laste werd gelegd. Tot aan het moment dat 'de bank' bekend is geworden met het sepot, mocht de bank er van uitgaan dat de vermelding van de gegevens in de registers wegens verdenking van een strafbaar feit gerechtvaardigd was. Vanaf het moment dat 'de bank' bekend is geworden met het sepot van de strafzaak, vanwege onvoldoende bewijs, geldt deze rechtvaardiging voor de vermelding van de gegevens niet meer. Appellant heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij hinder ondervindt van de registraties en dat deze dus dienen te eindigen.

3.5.4. Tot aan het moment dat [de bank] bekend is geworden met het sepot (om redenen van proceseconomie te stellen op heden), is het hof van oordeel dat [de bank] er in redelijkheid van mocht uitgaan dat de vermelding van de gegevens van [appellant] in het IVR en het EVR/SFH wegens verdenking van het strafbare feit van artikel 225 leden 1 en/of 2 Sr (valsheid in geschrifte) gerechtvaardigd was. Tussen partijen staat vast dat [appellant] een werkgeversverklaring met evident incorrecte gegevens heeft ingediend, althans doen indienen ten behoeve van de verkrijging van een hypothecaire geldlening, althans het zichzelf in de plaats stellen van een andere hoofdelijk schuldenaar als mede hoofdelijk schuldenaar onder genoemde lening. Daarbij staat onweersproken vast dat [appellant] in het traject waarin hij trachtte de hypothecaire lening (mede) te verkrijgen zijn inmiddels ontbonden dienstbetrekking bij [(oude)werkgever van appellant] niet aan [de bank] heeft gemeld. In deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien en afgewogen tegen hetgeen daar - al dan niet tegenstrijdig - tegenin is gebracht van de zijde van [appellant] , ziet het hof immers voldoende grond voor het oordeel van [de bank] dat in beginsel sprake was van een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld op ter zake het strafbare feit van artikel 225 leden 1 en/of 2 Sr (valsheid in geschrift) dan wel oplichting (artikel 326 Sr) .

3.5.5. Vanaf het moment dat de [de bank] bekend is geworden met het sepot van de strafzaak van [appellant] (te stellen op heden) geldt het voorgaande niet meer, nu de feiten zijn gewogen door het OM en aldaar te licht zijn bevonden. Bij brief van 19 oktober 2016 heeft immers de officier van justitie aan [appellant] medegedeeld te hebben besloten [appellant] niet meer te vervolgen en de aan hem opgelegde strafbeschikking in te trekken wegens onvoldoende bewijs. Daarmee is naar het oordeel van het hof niet langer voldaan aan de hiervoor onder 3.5.2. weergegeven maatstaf in die zin dat thans [de bank] niet zonder meer in redelijkheid er nog van mag uitgaan dat sprake is van een zwaardere verdenking als hierboven bedoeld. Immers is er thans onvoldoende grond om de vereiste opzet, dat [appellant] ‘willens en wetens’ zou hebben gehandeld, aan te nemen. Het is daarmee onvoldoende aannemelijk (geworden) dat er sprake is van zodanige concrete feiten en omstandigheden die een als door [appellant] gepleegde (vorm van) valsheid in geschrifte te kwalificeren of ander strafbaar feit bewezenverklaring in de zin van artikel 350 Sv te kunnen dragen. [de bank] heeft in dat verband ook geen andere feiten gesteld dan zij initieel aan haar oordeel, haar keuze ten grondslag heeft gelegd zodat in dat verband ook geen bewijslevering in de rede ligt. Zodra [de bank] bekend is geworden van het sepot, had het op haar weg gelegen om de registratie van [appellant] te heroverwegen. Dit heeft zij niet althans onvoldoende gedaan. De heer [fraude-onderzoeker bij de bank] , fraude-onderzoeker bij [de bank] , heeft tijdens de zitting van dit hof zelfs verklaard dat als er eenmaal sprake is van een registratie dat dit dan automatisch voor acht jaar is. Evenmin is door [de bank] nader onderzoek gedaan of zijn nieuwe omstandigheden aangevoerd. De vermelding van de gegevens van [appellant] in de aan de orde zijnde registers wegens verdenking van het stafbare feit is daarmee niet langer meer gerechtvaardigd.

3.6. Door [appellant] is voorts voldoende aannemelijk gemaakt dat hij hinder ondervindt van de registraties in zijn dagelijks leven en zijn zakelijke activiteiten, in welk verband onder meer het niet kunnen beschikken over een credit card in landen buiten Europa als serieuze belemmering moet worden aangemerkt.

3.7. Het voorgaande betekent dat de registratie van [appellant] in het IVR en het EVR/SFH dient te eindigen. Hetgeen overigens door partijen is aangevoerd, bijvoorbeeld over de proportionaliteit – in het bijzonder in het kader van het klaarblijkelijk door [de bank] zonder meer gehanteerde automatisme van registratie voor de maximaal toegestane termijn - , behoeft geen behandeling meer. Het hof passeert voorts het bewijsaanbod van [de bank] , nu zij onvoldoende specifiek en ter zake dienend bewijs aanbiedt van feiten die tot een andere beslissing van de zaak kunnen leiden.