IT 2536

SGOA: Aankondiging de overeenkomst te willen opzeggen is geen rechtsgeldige opzegging

SGOA arbitraal vonnis, IT 2536(aankondiging van opzegging) Contractenrecht. Afnemer heeft aan leverancier opdracht verleend voor levering van computerservice. Afnemer wilde zich niet vastleggen op een contractsduur en partijen hebben gedebatteerd over opzegtermijn (niet langer dan 2 maanden). Leverancier heeft gesteld verscheidene keren de FENIT-voorwaarden te hebben overhandigd zonder toereikende ontkenning door afnemer, deze zijn van toepassing. Daarin staat een opzegtermijn van drie maanden voor het einde van de betreffende periode. Op 13 november 2015 heeft Afnemer laten weten dat zij wenst te eindigen, geëffectueerd in het eerste kwartaal van 2016. Op 11 januari 2016 is een e-mail gestuurd om op te zeggen. Leverancier beschouwt de e-mail niet als geldige opzegging en rekent nog 3 maanden opzegtermijn ad €3.327,50 per maand. Zowel de melding in november als de e-mail van 11 januari 2016 ziet de arbiter slechts als een aankondiging van opzegging. De arbiter wijst het gevorderde van de leverancier toe.

5.6. Naar het oordeel van de arbiter kan de aankondiging door [AFNEMER] in november 2015 de overeenkomst op te willen zeggen niet gelden als een rechtsgeldige opzegging. De e-mail van 11 januari 2016 ziet de arbiter evenmin als een opzegging: dit is eveneens een aankondiging van opzegging. Pas de e-mail van 30 maart 2016 is te kwalificeren als een opzegging, en wel met onmiddellijke ingang. Maar aan de onmiddellijke ingang van de opzegging staat de in artikel 13.1 van de FENIT-voorwaarden bepaalde opzegtermijn van drie maanden in de weg.

5.7. Op grond van het vorenstaande komt de arbiter tot de slotsom dat [AFNEMER] een opzegtermijn van drie maanden in acht had behoren te nemen toen zij met haar e-mail van 30 maart 2016 de overeenkomst had opgezegd. De gevorderde verklaring voor recht met die strekking is derhalve toewijsbaar, evenals de erop gebaseerde vordering tot betaling van de uit de FENIT-voorwaarden volgende vergoeding over de opzegperiode. Dit geldt ook voor de op artikel 6:119a Burgerlijk Wetboek gebaseerde vordering tot vergoeding van rente. Het komt voor rekening en risico van [AFNEMER] dat zij niet heeft gereageerd op de waarschuwing door [Leverancier] van 12 januari 2016 dat zij de aankondiging van opzegging gedateerd 11 januari 2016 niet als geldige opzegging beschouwde. [AFNEMER] was immers door de e-mail van 12 januari 2016 ervan op de hoogte dat zij alsnog diende op te zeggen met inachtneming van een termijn van drie maanden, derhalve tegen het einde van de maand april: dat is precies de periode tot wanneer [AFNEMER] metterdaad gebruik heeft gemaakt van de diensten van [Leverancier].