IT 2489

Sprake van 'fishing expedition', want slechts algemeen verzoek tot verstrekking persoonsgegevens

Hof 's-Hertogenbosch 1 februari 2018, IT 2489; ECLI:NL:GHSHE:2018:363 (Appellant tegen Bankiers N.V.) Privacy. Nadat de bankrelatie tussen partijen is opgezegd, heeft appellant de bank om een overzicht en afschrift van al zijn, door de bank verwerkte, persoonsgegevens gevraagd. De bank heeft appellant de persoonsgegevens verschaft die zij stelt verwerkt te hebben. Het verzoek van appellant tot verschaffing van een volledig overzicht van de persoonsgegevens en de doeleinden van verwerking, wordt door de rechtbank afgewezen. Het Hof van Justitie interpreteert het begrip persoonsgegevens namelijk restrictief. Het hof neemt het IND arrest tot uitgangspunt. Er is in het onderhavige geval sprake van een 'fishing expedition', nu appellant slechts een algemeen verzoek heeft gedaan, zonder verduidelijking te geven waar hij meer duidelijkheid over wenst. De beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd.

3.3.
Bij beschikking van 21 maart 2017 - hersteld bij beschikking van 19 juni 2017 - heeft de rechtbank voornoemde verzoeken afgewezen en [appellant] veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg.

De rechtbank is in haar beschikking nader ingegaan op de door [bankiers] aangehaalde uitspraak van het Hof van Justitie van de EU van 17 juli 2014 (ECLI:EU:C:2014:2081,

C-141/12 & C-372/12). De Rechtbank heeft voorts - samengevat - overwogen dat gezien de restrictieve interpretatie van het begrip persoonsgegevens door het Hof van Justitie, namelijk dat dit begrip ziet op ‘inhoudsgegevens’, [bankiers] met haar brief van 13 oktober 2016 reeds aan het verzoek van [appellant] op grond van artikel 35 Wbp, als verwoord onder 1a. en 1b. van het verzoekschrift, heeft voldaan. Met een verwijzing naar de uitspraak van het Hof van Justitie en de daarin vermelde beperkte reikwijdte van het inzagerecht kan [appellant] voorts niet afdwingen dat [bankiers] aan hem fotokopieën verstrekt van alle stukken die persoonsgegevens van hem bevatten, noch dat door [bankiers] afdrukken worden overgelegd van alle elektronisch vastgelegde documenten en gegevens, e-mails daaronder begrepen, die op hem betrekking hebben. De rechtbank wijst in dat verband wederom naar de brief van [bankiers] van 31 oktober 2016 waarbij een naar het de rechtbank voorkomt volledig overzicht, in begrijpelijke vorm, van al deze gegevens is gegeven. Daarom dient ook het verzoek zoals verwoord onder 2a. en 2b. van het verzoekschrift, te worden afgewezen.

3.7.2.2.    [appellant] kan derhalve in beginsel worden gevolgd in zijn standpunt dat er nog wel enige ruimte bestond (en bestaat) onder de Richtlijn voor enige aanvullende regelgeving (zie ook hierna). Nader zal worden bezien in hoeverre dat ook aan de orde is op door de Richtlijn wel bestreken gebieden, zoals bijvoorbeeld ten aanzien van artikel 35 Wbp dat ertoe strekt artikel 12 van de Richtlijn, als te lezen in samenhang met onder meer artikel 2 Richtlijn, te implementeren ten aanzien van o.m. het ter inzage kunnen verkrijgen van ‘persoonsgegevens’ (als bedoeld in artikel 1 onder a Wbp en artikel 2 Richtlijn).

3.7.2.3.    Het hof zal dan ook bij de uitleg van artikel 35 Wbp de door het HvJ gegeven uitleg van artikelen 2 en 12 Richtlijn, als onder meer te vinden in het IND arrest (HvJ 17 juli 2014, C-141/12 en C-372/12; ECLI:EU:C:2014:2081), waar beide partijen naar hebben verwezen, tot uitgangspunt nemen.

3.7.6.
In het onderhavige geval is in ieder geval van een concreet en - mede in het licht van de al wel verstrekte informatie - nader onderbouwd verzoek geen sprake.
Het voorgaande betekent dat het hof in het onderhavige geval eveneens sprake acht van een ‘fishing expedition”, nu [appellant] (althans geacht moet worden) slechts een algemeen verzoek heeft (te hebben) gedaan zonder ook maar een begin van verduidelijking te geven waar hij, gegeven de informatieverstrekking als opgenomen in de brief van 31 oktober 2016, meer duidelijkheid over wenst.

Bron afbeelding