IT 2401

Sterke schijn dat mobiel abonnement met identiteit van ander is afgesloten

Rechtbank Limburg 8 november 2017, IT&R 2401; ECLI:NL:RBLIM:2017:10844 (Direct Pay Services tegen gedaagde). Contract. In 2015 zijn in een T-Mobile winkel een toestelcontract en een telefoonabonnement afgesloten. De contractuele handelingen zijn volgens een identiteitskaart en bankpas op naam van gedaagde gesloten. Er is een sterke schijn dat iemand zich de identiteit van gedaagde toegeëigend heeft met het doel zonder eigen financiële verantwoordelijkheid een kostbaar mobiel toestel te verwerven en op kosten van een ander te bellen. Hiertoe zijn onder andere een ander e-mailadres, een andere handtekening en een nieuw geopende betaalrekening redengevend toe. Het is denkbaar dat er sprake is van samenspanning tussen gedaagde en de onbekende persoon, maar uit het bewijs valt niet af te leiden dat gedaagde zelf in de winkel van T-Mobile de overeenkomsten is aangegaan.

Vergelijking van de slordige krabbel op de plaats van de handtekening ‘contractant’ onder het document van 19 februari 2015 met de als signatuur uitgeschreven naam ‘ [gedaagde] ’ op de gebruikte id-kaart legt in de eerste plaats al een zeer opvallend verschil bloot. Een verschil dat de dienstdoende winkelbediende onmiddellijk had moeten alarmeren. Ook onder de later door / namens [gedaagde] ingebrachte processen-verbaal staat een handtekening van [gedaagde] die wezenlijk verschilt van die onder het contractformulier. Verder is uit de door [gedaagde] bij de bank ING opgevraagde gegevens met een grote mate van waarschijnlijkheid af te leiden dat juist in de bewuste maand februari 2015 op naam van ene ‘ [gedaagde] ’ doch woonachtig aan de [adres 3] te [plaats 2] , het adres dat ook bij het aangaan van de relatie met T-Mobile opgegeven is, een nieuwe rekening geopend is (iets dat volgens dezelfde bank vrij eenvoudig op naam van een ander dan de initiatiefnemer zelf te volbrengen is, zelfs online en zeker met een gestolen identiteitskaart). Die rekening (met het nummer dat bij het bezoek van de bewuste klant aan de belwinkel in Maastricht gebruikt is) is maar zeer kort in gebruik geweest en wel voor (uitsluitend of vooral) het afsluiten van abonnementen in de maand februari 2015. T-Mobiel heeft klaarblijkelijk geen adrescontrole laten plaatsvinden - net zo min als een check op de handtekening -, want [gedaagde] heeft al die tijd (bij zijn ouders) in [woonplaats] gewoond en niet aan de [adres 3] in [plaats 2] . Al die tijd gebruikte hij ook slechts zijn rekening bij ABN Amro onder nummer [rekeningnummer] . Het verder bij de winkeltransactie opgegeven e-mailadres lijkt wel enigszins op het account van [gedaagde] (door iemand afgekeken?), maar is desondanks niet identiek. Het heeft er dus sterk de schijn van dat iemand zich de identiteit van [gedaagde] toegeëigend heeft met het doel zonder eigen financiële verantwoordelijkheid een kostbaar mobiel toestel te verwerven en op kosten van een ander te bellen.

Hoewel op zichzelf denkbaar is dat in de onderhavige kwestie sprake is van samenspanning tussen [gedaagde] en de onbekende persoon (een ‘donkere jongen’ die hem op 11 februari 2015 al bedreigde voor het afgeven van een Apple iPhone 6-toestel van Vodafone in de MediaMarkt Heerlen), moet geconcludeerd worden dat uit de beschikbaar gekomen stukken niet de overtuiging te putten valt dat [gedaagde] zelf in de belwinkel van T-Mobile in Maastricht twee overeenkomsten aangegaan is. [..]

Het primaire inhoudelijke verweer van [gedaagde] treft doel: niet bewezen is dat het [gedaagde] was die zich op 19 februari 2015 tegenover T-Mobile verplicht heeft tot betaling van een verschaft mobiel toestel en tot betaling van de gebruikskosten die in de 24 daaropvolgende maanden met dat toestel gemaakt zijn. Wie het dan wel was en of [gedaagde] daarbij hand- en spandiensten verleende, kan bij gebrek aan verdere gegevens niet worden vastgesteld. Weliswaar heeft Direct Pay van alles te bewijzen aangeboden (doch vooralsnog niet bewezen), maar dit is dermate weinig specifiek gedaan (zowel naar bewijsobject als naar bewijsmiddelen) dat daaraan voorbijgegaan moet worden. Al hetgeen overigens door partijen besproken is, behoeft daarom geen verdere behandeling.