IT 2405

Voorstel Wet bescherming bedrijfsgeheimen is naar de Tweede Kamer gestuurd

Het voorstel Wet bescherming bedrijfsgeheimen is naar de Tweede Kamer gestuurd en gepubliceerd. De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert het voorstel van wet aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden, maar wijst op het volgende:

Volgens de memorie van toelichting is het wetsvoorstel voorgelegd aan de Raad voor de rechtspraak voor een uitvoeringstoets.  Deze toets is pas recent verschenen en is inhoudelijk niet verwerkt in het wetsvoorstel dat voor advies bij de Afdeling aanhangig is.  De Afdeling benadrukt nogmaals dat haar rol als adviseur in laatste instantie vergt dat andere adviezen of toetsen beschikbaar en verwerkt zijn op het moment dat een voorstel bij de Afdeling aanhangig wordt gemaakt. Met betrekking tot de uitvoeringstoets van de Raad voor de rechtspraak adviseert de Afdeling dit alsnog te wegen. Indien het advies leidt tot wijzigingen op belangrijke onderdelen, dan adviseert de Afdeling het wetsvoorstel opnieuw voor advies voor te leggen aan de Afdeling als laatste adviseur.

Integrale tekst van het wetsvoorstel:

HOOFDSTUK 1. BEGRIPSBEPALINGEN

Artikel 1

In deze wet wordt verstaan onder:
bedrijfsgeheim: informatie die aan de volgende voorwaarden voldoet:
a. zij is geheim in die zin dat zij, in haar geheel dan wel in de juiste samenstelling en ordening van haar bestanddelen, niet algemeen bekend is bij of gemakkelijk toegankelijk is voor degenen binnen de kringen die zich gewoonlijk bezighouden met dergelijke informatie;
b. zij bezit handelswaarde omdat zij geheim is, en
c. zij is door degene die daar rechtmatig over beschikt, onderworpen aan redelijke maatregelen, gezien de omstandigheden, om deze geheim te houden;
houder van het bedrijfsgeheim: iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechtmatig over een bedrijfsgeheim beschikt;
inbreukmakende goederen: goederen waarvan het ontwerp, de kenmerken, de werking, het productieproces of het in de handel brengen aanzienlijk voordeel heeft of hebben bij bedrijfsgeheimen die onrechtmatig zijn verkregen, gebruikt of openbaar gemaakt;
inbreukmaker: iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die een bedrijfsgeheim onrechtmatig heeft verkregen, gebruikt of openbaar gemaakt.


HOOFDSTUK 2. ONRECHTMATIG VERKRIJGEN, GEBRUIKEN OF OPENBAAR MAKEN VAN BEDRIJFSGEHEIMEN

Artikel 2

1. Het verkrijgen van een bedrijfsgeheim zonder de toestemming van de houder van het bedrijfsgeheim is onrechtmatig wanneer het bedrijfsgeheim is verkregen door middel van:
a. onbevoegde toegang tot of het zich onbevoegd toe-eigenen of kopiëren van documenten, voorwerpen, substanties, materialen of elektronische bestanden waarover de houder van het bedrijfsgeheim rechtmatig beschikt en die het bedrijfsgeheim bevatten of waaruit het bedrijfsgeheim kan worden afgeleid;
b. andere gedragingen die, gezien de omstandigheden, worden beschouwd als strijdig met eerlijke handelspraktijken.
2. Het gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim is onrechtmatig wanneer het bedrijfsgeheim zonder de toestemming van de houder van het bedrijfsgeheim wordt gebruikt of openbaar gemaakt door een natuurlijke persoon of rechtspersoon die:
a. het bedrijfsgeheim op onrechtmatige wijze heeft verkregen;
b. inbreuk maakt op een geheimhoudingsovereenkomst of een andere verplichting tot het niet openbaar maken van het bedrijfsgeheim, of
c. inbreuk maakt op een contractuele of andere verplichting tot beperking van het gebruik van het bedrijfsgeheim.
3. Het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim is ook onrechtmatig wanneer een natuurlijke persoon of rechtspersoon op het moment van het verkrijgen, gebruiken, of openbaar maken, wist, of gezien de omstandigheden, had moeten weten dat het bedrijfsgeheim direct of indirect werd verkregen van een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon die het bedrijfsgeheim op een onrechtmatige manier gebruikte of openbaar maakte als bedoeld in het tweede lid.
4. Het produceren, aanbieden of in de handel brengen van inbreukmakende goederen, of de invoer, uitvoer of opslag van inbreukmakende goederen voor die doeleinden, wordt ook als een onrechtmatig gebruik van een bedrijfsgeheim beschouwd wanneer de natuurlijke persoon of rechtspersoon die dergelijke activiteiten uitvoert, wist of, gezien de omstandigheden, had moeten weten dat het bedrijfsgeheim onrechtmatig werd gebruikt.

Artikel 3

1. Als het onrechtmatig verkrijgen van een bedrijfsgeheim wordt niet beschouwd het verkrijgen door middel van:
a. onafhankelijke ontdekking of onafhankelijk ontwerp;
b. observatie, onderzoek, demontage of testen van een product of voorwerp dat ter beschikking van het publiek is gesteld of dat op een rechtmatige manier in het bezit is van degene die de informatie verwerft en die niet gebonden is aan een rechtsgeldige verplichting het verkrijgen van het bedrijfsgeheim te beperken;
c. uitoefening van het recht van werknemers of vertegenwoordigers daarvan op informatie en raadpleging in overeenstemming met het recht van de Europese Unie of met bepalingen bij of krachtens de wet of met nationale praktijken, of
d. iedere andere praktijk die, gezien de omstandigheden, in overeenstemming is met eerlijke handelspraktijken.
2. Als het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim wordt niet beschouwd het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken dat op grond van het recht van de Europese Unie of bepalingen bij of krachtens de wet vereist of toegestaan is.

Artikel 4

De rechter wijst een vordering of verzoek om toepassing van de maatregelen en procedures in het kader van deze wet af wanneer het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van het bedrijfsgeheim plaatsvond in een van de volgende gevallen:
a. het uitoefenen van het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie als bedoeld in artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met inbegrip van de eerbiediging van de vrijheid en het pluralisme van de media;
b. het onthullen van wangedrag, fouten of illegale activiteiten, op voorwaarde dat de inbreukmaker handelde met het oog op de bescherming van het algemeen belang;
c. het openbaar maken van het bedrijfsgeheim door werknemers aan hun vertegenwoordigers in het kader van de rechtmatige uitoefening van hun vertegenwoordigende functies overeenkomstig met het recht van de Europese Unie of met bepalingen bij of krachtens de wet, op voorwaarde dat deze openbaarmaking noodzakelijk was voor deze uitoefening;
d. met het oog op een rechtmatig belang dat wordt beschermd ingevolge het recht van de Europese Unie of bij of krachtens de wet.


HOOFDSTUK 3. HANDHAVING VAN BEDRIJFSGEHEIMEN

Artikel 5

1. De voorzieningenrechter kan op vordering van de houder van het bedrijfsgeheim jegens de vermeende inbreukmaker de volgende voorlopige maatregelen bevelen:
a. de staking van of het verbod op het gebruik of op de openbaarmaking van het bedrijfsgeheim;
b. het verbod om inbreukmakende goederen te produceren, aan te bieden, in de handel te brengen of te gebruiken, of om inbreukmakende goederen voor deze doeleinden in te voeren, uit te voeren of op te slaan.
2. De houder van het bedrijfsgeheim kan voorts verzoeken om verlof tot beslaglegging op de vermeende inbreukmakende goederen of hij kan de afgifte van dergelijke goederen vorderen, met inbegrip van ingevoerde goederen, om te voorkomen dat deze in de handel worden gebracht of zich in het handelsverkeer bevinden. De bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering betreffende beslaglegging en executie tot afgifte van roerende zaken zijn van toepassing.
3. De voorzieningenrechter kan op vordering van de houder van het bedrijfsgeheim tijdelijke voortzetting van de vermeende inbreuk toestaan onder de voorwaarde dat zekerheid wordt gesteld voor schadeloosstelling van de houder van het bedrijfsgeheim. Het openbaar maken van een bedrijfsgeheim in ruil voor het stellen van zekerheden is niet toegestaan.

Artikel 6

1. De rechter kan op vordering van de houder van het bedrijfsgeheim de volgende maatregelen jegens de inbreukmaker bevelen:
a. de staking van of het verbod op het onrechtmatig gebruik of op de onrechtmatige openbaarmaking van het bedrijfsgeheim;
b. het verbod om inbreukmakende goederen te produceren, aan te bieden, in de handel te brengen of te gebruiken, of om inbreukmakende goederen voor deze doeleinden in te voeren, uit te voeren of op te slaan;
c. het terugroepen van de inbreukmakende goederen van de markt;
d. het ontdoen van de inbreukmakende goederen van hun inbreukmakende hoedanigheid;
e. de vernietiging van de inbreukmakende goederen of het uit de handel nemen ervan, op voorwaarde dat het uit de handel nemen geen afbreuk doet aan de bescherming van het bedrijfsgeheim;
f. gehele of gedeeltelijke vernietiging van de documenten, voorwerpen, substanties, materialen of elektronische bestanden die op onrechtmatige wijze het bedrijfsgeheim bevatten of de gehele of gedeeltelijke overhandiging daarvan aan de houder van het bedrijfsgeheim.
2. De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c tot en met f, worden op kosten van de inbreukmaker uitgevoerd, tenzij bijzondere redenen dit beletten.

Artikel 7

1. De rechter houdt bij de beslissing over een vordering krachtens artikel 5, eerste lid, en artikel 6, eerste lid, en bij het beoordelen van de evenredigheid ervan, rekening met de specifieke omstandigheden van het geval, met inbegrip van:
a. de waarde en andere specifieke kenmerken van het bedrijfsgeheim;
b. de maatregelen die zijn genomen om het bedrijfsgeheim te beschermen;
c. de handelwijze van de inbreukmaker bij het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van het bedrijfsgeheim;
d. de effecten van het onrechtmatig gebruiken of openbaar maken van het bedrijfsgeheim;
e. de rechtmatige belangen van de partijen en de mogelijke effecten van het bevelen of afwijzen van de maatregelen voor de partijen;
f. de rechtmatige belangen van derden;
g. het algemeen belang, en
h. de bescherming van grondrechten.
2. Wanneer de rechter de looptijd van de staking of het verbod, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a en b, beperkt, moet deze looptijd lang genoeg zijn om de handels- en economische voordelen teniet te doen die de inbreukmaker zou hebben kunnen halen uit het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van het bedrijfsgeheim.
3. Op vordering van de persoon jegens wie een maatregel, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a en b, is genomen, kan deze maatregel worden ingetrokken of anderszins buiten werking worden gesteld indien er geen sprake meer is van een bedrijfsgeheim op gronden die niet aan die persoon kunnen worden toegerekend.
4. Op vordering van de persoon jegens wie een maatregel, bedoeld in artikel 6, eerste lid, kan worden genomen, kan de rechter deze persoon bevelen om in plaats van de toepassing van deze maatregel een schadevergoeding te betalen aan de houder van het bedrijfsgeheim indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a. op het moment van het gebruiken of openbaar maken wist deze persoon niet of had hij onder de omstandigheden niet hoeven weten dat het bedrijfsgeheim werd verkregen van een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon die het bedrijfsgeheim op een onrechtmatige manier gebruikte of openbaar maakte;
b. de uitvoering van de maatregelen zou deze persoon onevenredige schade toebrengen, en
c. de schadevergoeding aan de benadeelde partij is redelijk en billijk.
5. De schadevergoeding, bedoeld in het vierde lid, bedraagt niet meer dan het bedrag van de royalty’s of vergoedingen dat verschuldigd was geweest indien die persoon toestemming had gevraagd om het desbetreffende bedrijfsgeheim te gebruiken, voor de periode waarin het gebruik van het bedrijfsgeheim verboden had kunnen worden.

Artikel 8

1. De houder van het bedrijfsgeheim kan schadevergoeding vorderen van een inbreukmaker die wist of had moeten weten dat hij onrechtmatig een bedrijfsgeheim verkreeg, gebruikte of openbaar maakte.
2. In passende gevallen kan de rechter de schadevergoeding vaststellen als een forfaitair bedrag.

Artikel 9

1. De rechter kan op vordering van de houder van het bedrijfsgeheim gelasten dat op kosten van de inbreukmaker passende maatregelen worden getroffen tot verspreiding van informatie over de uitspraak.
2. De rechter houdt bij de beslissing over een bevel tot een in het eerste lid bedoelde maatregel en bij de beoordeling van de evenredigheid ervan rekening met:
a. de waarde van het bedrijfsgeheim;
b. de handelwijze van de inbreukmaker bij het verkrijgen, gebruiken of het openbaar maken van het bedrijfsgeheim;
c. de effecten van het onrechtmatig gebruiken of openbaar maken van het bedrijfsgeheim;
d. de kans dat de inbreukmaker het bedrijfsgeheim op een onrechtmatige manier blijft gebruiken of openbaar maken, en
e. de mogelijkheid dat informatie over de inbreukmaker kan leiden tot het identificeren van een natuurlijk persoon, en indien dit het geval is, of de bekendmaking van deze informatie gerechtvaardigd is in het licht van de mogelijke schade die de maatregel kan veroorzaken voor de persoonlijke levenssfeer en reputatie van de inbreukmaker.


HOOFDSTUK 4. WIJZIGING VAN ANDERE WETTEN

Artikel 10

Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1019i, eerste lid, eerste volzin, komt te luiden: Bij het treffen van een voorlopige voorziening bepaalt de voorzieningenrechter een redelijke termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak.

B

In het derde boek wordt na titel 15 een titel ingevoegd, die luidt:

TITEL 15A VAN RECHTSPLEGING IN ZAKEN BETREFFENDE BESCHERMING VAN BEDRIJFSGEHEIMEN

Artikel 1019ia

Deze titel is van toepassing op de gerechtelijke procedures tot bescherming van bedrijfsgeheimen ingevolge de Wet bescherming bedrijfsgeheimen.

Artikel 1019ib

1. Het is aan partijen, hun advocaten of andere vertegenwoordigers, getuigen, deskundigen en andere personen die deelnemen aan gerechtelijke procedures betreffende het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim, of die toegang hebben tot de documenten die deel uitmaken van deze gerechtelijke procedures, verboden bedrijfsgeheimen of vermeende bedrijfsgeheimen te gebruiken of openbaar te maken die de rechter op verzoek van een partij als vertrouwelijk heeft aangemerkt en die hun ter kennis zijn gekomen als gevolg van een dergelijke deelname of toegang.
2. De in het eerste lid bedoelde verbod blijft van kracht na beëindiging van de gerechtelijke procedures. De verplichting houdt op te bestaan indien:
a. bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis tussen partijen is vastgesteld dat het vermeende bedrijfsgeheim niet voldoet aan de in artikel 1 van de Wet bescherming bedrijfsgeheimen bepaalde voorwaarden, of
b. na verloop van tijd de desbetreffende informatie algemeen bekend wordt bij of gemakkelijk toegankelijk wordt voor personen binnen de kringen die zich gewoonlijk bezighouden met de desbetreffende informatie.
De rechter kan het verbod op verzoek van een der partijen geheel of gedeeltelijk opheffen.
3. De rechter kan op verzoek, indien dat nodig is om de vertrouwelijkheid te bewaren van een bedrijfsgeheim of een vermeend bedrijfsgeheim dat tijdens de procedure wordt gebruikt of genoemd, ten minste de volgende maatregelen nemen:
a. de toegang tot door partijen of derden ingediende documenten die het bedrijfsgeheim of het vermeende bedrijfsgeheim bevatten geheel of gedeeltelijk beperken tot een gelimiteerd aantal personen;
b. de toegang tot zittingen waar het bedrijfsgeheim of het vermeende bedrijfsgeheim openbaar kan worden gemaakt, en de toegang tot het proces-verbaal van deze zittingen of de beeld- of geluidsopname en de schriftelijke weergave als bedoeld in artikel 30n, zevende lid, geheel of gedeeltelijk beperken tot een gelimiteerd aantal personen;
c. een niet-vertrouwelijke versie van de rechterlijke uitspraken ter beschikking stellen aan anderen dan degenen die tot het gelimiteerd aantal personen bedoeld onder a en b behoren, waarin de delen die het bedrijfsgeheim bevatten, zijn geschrapt of bewerkt.
4. De rechter neemt, bij de beslissing over de in het derde lid genoemde maatregelen en de beoordeling van de evenredigheid daarvan, de rechtmatige belangen van partijen en derden en de mogelijke schade voor een van partijen en derden als gevolg van het bevelen of afwijzen van de maatregelen in acht.
5. Het aantal personen, bedoeld in het derde lid, onder a en b, is niet groter dan nodig om te voldoen aan het recht van partijen op een doeltreffende voorziening en op een eerlijk proces en omvat ten minste één natuurlijk persoon van elke partij alsmede de advocaten of andere vertegenwoordigers van partijen bij de procedure.

Artikel 1019ic

1. De voorzieningenrechter kan een vordering of verzoek van een houder van een bedrijfsgeheim tot het gelasten van voorlopige maatregelen ter bescherming van bedrijfsgeheimen als bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid, van de Wet bescherming bedrijfsgeheimen toewijzen onder voorwaarde dat tot een door hem te bepalen bedrag zekerheid wordt gesteld voor schade die door de voorlopige maatregel kan worden geleden door verweerder en derden.   
2. Een voorlopige voorziening verliest haar kracht wanneer de desbetreffende informatie niet meer als bedrijfsgeheim kan worden aangemerkt, op gronden die niet aan de verweerder kunnen worden toegerekend.  
3. Op het treffen van een voorlopige voorziening is artikel 1019i van overeenkomstige toepassing.

Art. 1019id

De rechter kan op vordering van degene die is getroffen door een voorlopige maatregel als bedoeld in artikel 5, eerste of tweede lid, van de Wet bescherming bedrijfsgeheimen gelasten dat degene die om deze maatregel heeft gevraagd de door deze maatregel toegebrachte schade op passende wijze vergoedt:
a. wanneer de maatregel zijn kracht verliest krachtens artikel 1019ic, derde lid;
b. wanneer de maatregel vervalt als gevolg van enig handelen of nalaten van eiser; of
c. indien wordt vastgesteld dat er geen sprake was van het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van het bedrijfsgeheim of dreiging daarvan.   

Artikel 11

In boek 3, titel 11 van het Burgerlijk Wetboek wordt na artikel 310c een artikel ingevoegd, dat luidt:

Artikel 310d

Een rechtsvordering tot bescherming van een bedrijfsgeheim als bedoeld in artikel 5, 6 en 9 van de Wet bescherming bedrijfsgeheimen verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de houder van het bedrijfsgeheim bekend is geworden met de inbreuk op het bedrijfsgeheim, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de aanvang van de dag dat de inbreuk is begonnen.


HOOFSTUK 5. SLOTBEPALINGEN

Artikel 12

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 13

Deze wet wordt aangehaald als: Wet bescherming bedrijfsgeheimen