IT 2541

Vragen aan HvJ EU over jaarlijkse financiële bijdrage om bij te dragen tot financiering rekening houdend met positieve effect van nieuwe regelgeving

Prejudiciële vragen gesteld aan HvJ EU 14 en 20 december 2017, IT 2541; IEFbe 2547; C-119/18 – C-121/18 (Telefónica Móviles España e.a.) Telecom. Gevoegde zaken C-119/18, C-120/18 en C-121/18. De feiten en rechtsoverwegingen van zaken C-120/18 en C-121/18 komen in wezen overeen met, en de prejudiciële vragen zijn dezelfde als die van het verzoek om een prejudiciële beslissing in zaak C-119/18. Zaak C-119/18 kent de volgende feiten. Telefónica Móviles España is een onderneming die actief is in de telecommunicatiesector. RTVE, de publieke omroep van Spanje, wordt op grond van artikel 5 van wet nr. 8/2009 (onder meer) gefinancierd door een jaarlijkse financiële bijdrage verschuldigd door de exploitanten van telecommunicatiediensten die op het hele Spaanse grondgebied of in meer dan één autonome regio werkzaam zijn. Deze bijdrage wordt berekend op basis van het totale gefactureerde volume en moet volgens artikel 5 worden geleverd gelet op het positieve effect op de telecommunicatiesector van de nieuwe regelgeving voor de televisie- en audiovisuele sector en, meer in het bijzonder, gelet op de uitbreiding van de vaste en mobiele breedbanddiensten en op het feit dat RTVE niet langer reclame uitzendt en afziet van betaalde content en voorwaardelijke toegang.

Telefónica Móviles España is van mening dat artikel 5 in strijd is met richtlijn 2002/20/EG, in het bijzonder met artikel 6, lid 1, en bijlage A bij die richtlijn. De bijdrage zou immers niet als objectieve of proportionele voorwaarde kwalificeren. Het is namelijk niet duidelijk welk deel van de door RTVE verleende openbare dienst met die bijdrage wordt gefinancierd, waardoor de bijdrage niet transparant is. Ook wordt de bijdrage niet berekend op basis van het al dan niet verlenen van audiovisuele of reclamediensten, terwijl juist bedrijven die deze diensten aanbieden de gevolgen kunnen ondervinden van het feit dat RTVE overeenkomstig het nieuwe rechtskader niet langer reclame zal uitzenden. Dit maakt de bijdrage arbitrair en derhalve niet-proportioneel en niet-objectief. Tot slot is niet gebleken dat het positieve effect zoals omschreven in artikel 5 is opgetreden.

Overweging:

Het Hof heeft in de zaak C-485/11 inzake een soortgelijke kwestie met betrekking tot de Franse openbare televisieomroep geen afdoend antwoord geboden op de vraag of dit soort bijdragen verenigbaar is met het recht van de EU. In dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat er geen sprake was van schending van artikel 12 van richtlijn 2002/20/EG en evenmin van onverenigbaarheid van een nationale regeling houdende vaststelling van een aanvullende belasting voor ondernemingen met een algemene machtiging, die verschuldigd is door aanbieders van elektronische telecommunicatie. Daarbij heeft het Hof in haar rechtspraak overwogen dat fiscale heffingen transparant moeten zijn. Dit is aanleiding voor de verwijzende rechter (Audiencia Nacional, Sala de lo Contencioso-Administrativo) het Hof prejudiciële vragen voor te leggen.

Prejudiciële vragen:

1.         Kan artikel 6, lid 1, van richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische communicatienetwerken en -diensten aldus worden uitgelegd dat een lidstaat van de exploitanten van telecommunicatiediensten een jaarlijkse financiële bijdrage als bedoeld in artikel 5 van wet nr. 8/2009 van 28 augustus 2009 betreffende de financiering van RTVE kan eisen om bij te dragen tot de financiering van RTVE, rekening houdend met het positieve effect van de nieuwe regelgeving betreffende de televisie- en audiovisuele sector voor de telecommunicatiesector, in het bijzonder wegens de uitbreiding van de vaste en mobiele breedbanddiensten en het feit dat RTVE niet langer reclame uitzendt en afziet van betaalde content en voorwaardelijke toegang, gelet op de volgende omstandigheden[?]:
-           in deze nieuwe wettelijke regeling wordt geen rechtvaardiging gegeven voor een dergelijk positief effect, en in het betrokken boekjaar was er evenmin sprake van een direct of indirect positief effect voor de betrokken ondernemingen.
-           de bijdrage wordt vastgesteld op 0,9 % van de in het betrokken boekjaar gefactureerde bruto-exploitatie-inkomsten en wordt niet berekend op basis van de inkomsten uit de verlening van audiovisuele diensten en uit reclame, en evenmin op basis van de toename daarvan of de winst die de activiteit oplevert. Hierbij is deze bijdrage [Or. 13] een heffing in de zin van artikel 5 van wet nr. 8/2009, in zijn oorspronkelijke versie, en is zij mogelijkerwijs niet gerechtvaardigd met betrekking tot de audiovisuele dienst in kwestie, aangezien [deze bepaling] als grondslag heeft gediend voor de afwijzing van verzoeksters verzoeken om terugbetaling van het onverschuldigd betaalde en om correctie van de op eigen aangifte voldane bedragen door de bestreden beslissing in het onderhavige administratieve beroep.

2.         Is de bijdrage die wordt geëist van telecommunicatieondernemingen die in Spanje werkzaam zijn in meer dan één autonome regio, proportioneel in de zin van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2002/20/EG, gelet op de in artikel 5 van wet nr. 8/2009 vastgestelde berekeningswijze?

3.         Is de overeenkomstig artikel 5 van wet nr. 8/2009 geëiste bijdrage transparant in de zin van artikel 6, lid 1, en de bijlage bij richtlijn 2002/20/EG, als niet bekend is welke activiteiten RTVE precies verricht in het kader van de universele of openbare dienstverlening?