IT 2341

Vragen aan HvJ EU: Zijn gedragingen als het maken en plaatsen op Youtube van videobeelden van politieagenten te beschouwen als een verwerking van persoonsgegevens voor journalistieke doeleinden?

Prejudiciële vragen gesteld aan HvJ EU 1 juni 2017, IEFbe 2321; IT 2341; C-345/17 (Datu valsts inspekcija) Via Minbuza: Verzoeker tot cassatie maakte een video-opname van het moment waarop hij een verklaring aflegde bij de Letse nationale politie en heeft deze vervolgens op wwww.youtube.com geplaatst. De dienst gegevensbescherming stelde zich in zijn besluit nr. 2-1/6417 van 30 augustus 2013 op het standpunt dat verzoeker inbreuk had gemaakt op artikel 8, lid 1 wet op de bescherming van persoonsgegevens, aangezien hij de politieagenten, als betrokkenen, in strijd met die bepaling niet had geïnformeerd over het doel van de verwerking van hun persoonsgegevens. Verzoeker wendde zich daarop tot de rechter met het verzoek het besluit van de dienst gegevensbescherming onrechtmatig te verklaren en hem een schadevergoeding toe te kennen. Tot staving van zijn vordering voerde hij aan dat hij met die video een praktijk van de politie onder de aandacht wilde brengen die volgens hem onrechtmatig was. De Administratīvā rajona tiesa (lagere bestuursrechter) verwierp dat beroep en ook de Administratīvā apgabaltiesa (regionale bestuursrechter) wees verzoekers vorderingen af. Verzoeker heeft cassatieberoep ingesteld.

Verzoeker rechtvaardigt zijn gedraging – het filmen van politieagenten in een politiekantoor terwijl zij procedurehandelingen verrichten, en het plaatsen van de video op het internet – met een beroep op de vrijheid van meningsuiting en stelt dat hij in het onderhavige geval geen inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de politieagenten. Hij meent dat op hem de wettelijke uitzondering voor de verwerking van persoonsgegevens voor journalistieke doeleinden dient te worden toegepast. De Augstākā tiesa vraagt zich af hoe het begrip „journalistieke doeleinden” in artikel 9 van richtlijn 95/46 moet worden uitgelegd en, in het bijzonder, of dat begrip ook gedragingen omvat als die welke thans in geding is, te weten het ventileren van een persoonlijke mening over het politiewerk door verspreiding op de website www.youtube.com van een video waarop politieagenten in functie te zien zijn.

Op basis van artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie [omissis] [nationale procesregels], besluit de Augstākā tiesa (hoogste rechterlijke instantie) het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

1) Vallen gedragingen als die welke in deze zaak aan de orde zijn, te weten het maken, in een politiekantoor, van videobeelden van politieagenten die procedurele handelingen verrichten, en het plaatsen van de video op de
website www.youtube.com, binnen de werkingssfeer van richtlijn 95/46? 

2) Moet richtlijn 95/46 aldus worden uitgelegd dat dergelijke gedragingen kunnen worden beschouwd als een verwerking van persoonsgegevens voor journalistieke doeleinden in de zin van artikel 9 daarvan?