IT 2495

Ziekenhuis informatie management systeem niet in gebruik genomen, maar overeenkomst moet toch worden nagekomen

Hof 's-Hertogenbosch 13 februari 2018, IT 2495; ECLI:NL:GHSHE:2018:570 (Ziekenhuis softwarelicentie) Contracten. Software. Appellante is met een ziekenhuis overeengekomen dat zij een ziekenhuis informatie management systeem zal bouwen. Voor een onderdeel van dit systeem had appellante de door geïntimeerde ontwikkelde software nodig. Appellante heeft een overeenkomst met geïntimeerde gesloten inzake de koop van softwarelicenties. Het ziekenhuis heeft geen goedkeuring gegeven voor het doorvoeren van het systeem van appellante en heeft het niet in gebruik genomen. De rechtbank heeft appellante veroordeeld tot betaling van de facturen aan geïntimeerde, omdat zij verplicht was om de overeenkomst na te komen. De grieven van appellante worden verworpen en het eindvonnis van de rechtbank [niet gepubliceerd uitspraak] wordt bekrachtigd. 

3.14. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat het hof tot dezelfde conclusie komt als de rechtbank, namelijk dat de door [geïntimeerde] gevorderde betaling van de facturen van 10 juni 2010 en 28 maart 2011 toewijsbaar is. Voor het overige heeft [appellante] geen feiten en omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden, zodat haar bewijsaanbod als niet terzake dienend wordt gepasseerd.

3.17. Blijkens de punten 4.27 tot en met 4.30 van de memorie van grieven beoogt [appellante] met de grieven ook de afwijzing door de rechtbank van haar reconventionele vorderingen te bestrijden. Zij stelt daartoe dat [geïntimeerde] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen ingevolge de overeenkomst door nimmer de software te installeren zoals bedoeld in de overeenkomst, door de overeengekomen 40 licenties niet te leveren en omdat [software] niet deugdelijk en volledig heeft gewerkt in de [software 2] -software van [appellante] . De hierin vervatte stellingen zijn in het bovenstaande reeds besproken en verworpen. Dit leidt tot de slotsom dat ook in hoger beroep de door [appellante] gestelde toerekenbare tekortkoming van [geïntimeerde] niet is komen vast te staan. De daarop gebaseerde reconventionele vorderingen van [appellante] kunnen dus ook in hoger beroep niet worden toegewezen.