Gaming

IT 519

Ladbrokes AG Keus

HR 30 september, C07/00035 (concl. AG Keus, Ladbrokes Betting & Gaming Ltd tegen Stichting De Nationale Sporttotalisator)

Met dank aan Joris van Manen, Hoyng Monegier LLP

In navolging van IT 45. In deze zaak, waarin de Hoge Raad bij tusssenarrest van 13 juni 2008 (LJN BC8970)  prejudiciële vragen stelde en waarin het HvJ EU op 3 juni 2010 een prejudicieel arrest wees, is thans aan de orde welke gevolgen in cassatie hieraan dienen te worden verbonden.

Advocaat-Generaal Keus concludeert in de zaak Lotto / Ladbrokes (die loopt sinds 2000) tot verwerping van de klachten van Ladbrokes. Als de Hoge Raad AG Keus volgt, dan staat vast dat het kansspelbeleid in Nederland in overeenstemming is met EU recht en dat het niet, zoals in Duitsland onderuit gaat.

2.8 Naar ook het HvJ EU (in punt 23) heeft aangenomen, streeft de Wok als doelstellingen zowel de bescherming van de consument door de beteugeling van gokverslaving als het tegengaan van fraude na. Ladbrokes kan zich naar mijn mening niet met vrucht op art. 49 EG (art. 56 VWEU) beroepen, als de rechtvaardiging van de Wok uit hoofde van bescherming van de consument tegen gokverslaving zou tekortschieten, maar de rechtvaardiging uit hoofde van het tegengaan van fraude standhoudt. Zij mist dan belang bij haar klachten volgens welke de mogelijkheden van de vergunninghouder(s) om het spelaanbod uit te breiden en reclame te maken, de rechtvaardiging uit hoofde van beteugeling van de goklust zouden aantasten.

2.9 De door Ladbrokes bij repliek aangevoerde argumenten dwingen mijns inziens niet tot een ander oordeel over de beslissende betekenis van het antwoord op de derde vraag. Dat het HvJ EU de prejudiciele vragen heeft beantwoord in de volgorde waarin de Hoge Raad die vragen heeft gesteld, zegt niets over de (meerdere of mindere) relevantie van de verschillende vragen. Overigens zal het HvJ EU een door de nationale rechter gestelde vraag niet snel als irrelevant onbeantwoord Iaten; dat geldt zeker als de implicaties van het door het HvJ EU te geven antwoord mede worden bepaald door aspecten van nationaal recht (zoals de vaststelling en de waardering van de doelstellingen van de betrokken nationale regeling) waarvan de beoordeling aan de nationale rechter is voorbehouden.

Evenmin deel ik de bij repliek verdedigde opvatting dat het antwoord op de derde vraag slechts de betekenis van een in de lidstaat van vestiging verkregen vergunning betreft, in die zin dat, als de betrokken nationale regeling voor het overige toelaatbaar is, Ladbrokes zich niet met een beroep op een dergelijke vergunning aan de werking van die regeling kan onttrekken. Anders dan in punt 41 met betrekking tot de tweede vraag, heeft het HvJ EU in verband met de derde vraag niet overwogen dat die vraag uitgaat van de premisse dat de Nederlandse regeling inzake kansspelen (overigens) met art. 49 EG (art. 56 VWEU) verenigbaar is. Weliswaar betrekt het HvJ EU een dergelijke vergunning in zijn beschouwingen (punten 53-54), maar inzet van de derde vraag, zoals geherformuleerd door het HvJ (...) niet welke betekenis aan een dergelijke vergunning toekomst, maa of eenregelingvan een lidstaatdie de oganisatie en de bevordering vn kansspelen onderwerpt aan een geslotten stelsel ten gunste van één marktdeelnemer, een in een andere lidstaat gevestigde marktdeelnemer daaronder begrepen, verbiedt omop het grondgebied van eerstgenoemdelidstaat via internet onde dit stelsel vallende dienstn aan te bieden met at. 49 EG (art. 56 VWEU) verenigbaaris. Dat de betrokken nationale regeling met art. 49 Eg (art. 56 VWEU) verenigbaaris, is niet de premisse de aan de derde vrag ten grondslag ligt, maar is hetantword dat he Hv EU op die derde vraag geeft.

2.10 Naar mijn mening moeten de door Ladbrokes gehandhaafde klachten reeds bij gebrek aan belang worden verworpen, voor zover zij met de vrijheid van de vergunninghouder(s) om nieuwe spelen te introduceren en reclame te maken voor hun spelaanbod verband houden. Hetis dan ook ten overvloede, dat ik ( ook) op de resterende klachten dienaangaande nog zal ingaan. Waar Ladbrokes voor die klachten in het bijzonder steun meent te kunnen ontlenen aan het antwoord op de eerste prejudiciele vraag, zal ik echter allereerst de eerste prejudiciele vraag en het daarop gegeven antwoord in meer algemene zin bespreken. Daarbij zal ik echter niet vooruitlopen op de vraag of en in hoeverre dat antwoord daadwerkelijk van belang is voor de beoordeling van de bedoelde klachten, voor zover Ladbrokes, anders dan ik meen, in het Iicht van het antwoord op de derde prejudiciele vraag daarbij Uberhaupt nog belang heeft.

IT 428

US Supreme Court: Recht voor kinderen om geweldige games te kopen

Met dank aan Evert van gelderen, De Gier|Stam & advocaten.

Op 27 juni 2011 deed de hoogste Amerikaanse rechter uitspraak in “Brown vs. Entertainment Merchants Association (EMA)”. De Supreme Court oordeelde dat een wet van de staat Californië, waarin de verkoop en verhuur van gewelddadige videogames werd verboden, teruggedraaid moet worden. De wet is in strijd met de vrijheid van meningsuiting op basis van de zogenaamde “First amendment”.

De uitspraak is niet alleen interessant vanwege de uitkomst (het verbod is in strijd met de vrijheid van meningsuiting), maar ook vanwege de interessante overwegingen over de effecten van gewelddadige games en over het vrijwillige classificatiesysteem van de gaming-industrie. Ook is de uitspraak een uitgebreide bron aan informatie over wetenschappelijke) onderzoeken naar gewelddadige games en de invloed daarvan op kinderen.

Lees complete artikel hier (link / pdf)

IT 425

Game law, game over

Met dank aan Thomas van Essen, SOLV

In Nederland zijn gewelddadige computergames altijd al een onderwerp van gesprek geweest. Eens in de zoveel tijd doet een politieke partij een oproep om gewelddadige games te verbieden of althans de verkoop ervan aan banden te leggen. Zo ver is het nog niet gekomen.

In California is dit anders. De staat California heeft in 2005 een wet aangenomen die de verkoop en verhuur van gewelddadige videogames aan minderjarigen verbiedt. Sindsdien is deze wet het onderwerp van een lang juridisch gevecht waaraan met de uitspraak van het Supreme Court (het hoogste rechtscollege in de VS) nu een einde lijkt te zijn gekomen. Het Supreme Court acht de wet in strijd met de in het First Amendment neergelegde vrijheid van meningsuiting.

De gewraakte wet heeft, kort gezegd, betrekking op games waarin de speler de mogelijkheid heeft om op mensen gelijkende afbeeldingen te vermoorden, te verminken, van ledematen te ontdoen of seksueel te belagen op een manier die in strijd is met wat in de samenleving als geschikt voor minderjarigen wordt aangemerkt. 

De rechtsvraag die speelt, is of deze wet een ongeoorloofde beperking van de vrijheid van meningsuiting zoals neergelegd in het First Amendment betekent. Het Supreme Court kijkt daarbij eerst of videogames onder de vrijheid van meningsuiting vallen, oftewel of er sprake is van protected speech. Indien dit inderdaad het geval is, wordt bekeken of er een gegronde reden bestaat om de vrijheid van meningsuiting te beperken, oftewel of er een compelling government interest bestaat.

Protected speech
Over de vraag of videogames onder de bescherming van de First Amendment vallen, bestaat volgens het Supreme Court geen twijfel. Evenals boeken, toneelstukken en films communiceren games ideeën en zelfs sociale boodschappen. De overheid mag hierop geen censuur toepassen.“[A]s a general matter,… government has no power to restrict expression because of its message, its ideas, its subject matter, or its content”. Het Supreme Court geeft daarbij tevens aan dat het basis principe van vrijheid van meningsuiting niet verandert wanneer er een nieuw en ander medium voor communicatie verschijnt. 

Op deze hoofdregel bestaan uitzonderingen. Het gaat hier om uitingen die obscenity, incitment en fighting words betreffen. Beperking van de vrijheid van meningsuiting is alleen voor wat betreft deze beperkte categorieën toegestaan. Het Supreme Court oordeelt dat het niet mogelijk is om nieuwe categorieën van uprotected speech te creëren door een afweging van belangen toe te passen. In de Verenigde Staten bestaat geen traditie waarin specifiek de toegang tot gewelddadige afbeeldingen voor kinderen wordt beperkt. Zo geeft het Supreme Court aan dat de sprookjes van de gebroeders Grimm het nodige geweld bevatten evenals de Odyssey van Homerus waarin de cycloop Polyphemus zijn oog wordt uitgestoken met een brandende stok.

Tot slot voert Califonia nog aan dat videogames een speciaal probleem vormen omdat ze interactief zijn en de speler zo meedoet aan het geweld en de uitkomst ervan bepaalt. Volgens het Supreme Court wordt dit door de staat California echter niet voldoende aangetoond.

Compelling government interest
Omdat de wet de vrijheid van meningsuiting beperkt, is deze ongeldig tenzij California kan aantonen dat “it is justified by a compelling government interest and is narrowly drawn to serve that interest”. Met andere woorden, er moet een specifiek geïdentificeerd probleem zijn dat een oplossing vereist en waarbij de beperking van de vrijheid van meningsuiting daadwerkelijk noodzakelijk is voor die oplossing. California slaagt er niet in dit aan te tonen.

Califonia kan geen directe link aantonen tussen gewelddadige videogames en geweld jegens minderjarigen. Volgens California is dit bewijs niet nodig en kan het Supreme Court op basis van psychologische onderzoeken bepalen dat een dergelijke band bestaat. Het Supreme Court verwerpt deze stelling. De psychologische onderzoeken waarop California zich beroept tonen niet aan dat gewelddadige videogames de oorzaak zijn van agressief handelen van minderjarigen. Ze tonen hoogstens aan dat er een correlatie is tussen het blootstellen aan geweld en minuscule effecten in de real-world. Deze effecten zijn klein en verschillen niet van de effecten die worden veroorzaakt door andere media.

Deze conclusie houdt in dat California, om het door haar opgeworpen probleem op te lossen, niet alleen videogames zou moeten verbieden maar bijvoorbeeld ook het uitzenden van cartoons waarin geweld voorkomt aan banden zou moeten leggen. Doordat Califonria dit niet doet, streeft zij niet zozeer een gerechtvaardigd doel na, maar benadeelt ze slechts één specifiek medium.

Tot slot stelt California dat de wet ouders helpt om te garanderen dat zij kunnen bepalen welke games goed zijn voor hun kinderen. Ook dit argument wordt door het Supreme Court gepasseerd. De aanbieders van videogames hebben al een (vrijwillig) systeem ingevoerd waarbij elke videogame in een categorie wordt ingedeeld (bijvoorbeeld EC: early childhood en AO: Adult only – older than 18). Een wet die de verkoop van videogames aan minderjarigen verbiedt, voegt hier niet veel aan toe. Bovendien is de wet te vergaand omdat er ook ouders zijn die het niet erg vinden wanneer hun kind gewelddadige videogames speelt.

Conclusie
Op grond van het bovenstaande komt het Supreme Court tot de conclusie dat de wet die de verkoop van gewelddadige videogames aan minderjarigen verbiedt, een ongeoorloofde beperking van de vrijheid van meningsuiting vormt.
Overigens was de uitspraak niet unaniem. Twee van de negen rechters waren een andere mening toegedaan. Deze zogenaamde dissenting opinion zijn ook gepubliceerd. Vooral die van Judge Breyer is de moeite waard. Zo verzucht hij dat het toch vreemd is dat een dertienjarige geen magazine mag kopen waarop een naakte vrouw is afgebeeld maar dat hij wel een videogame mag spelen waarin hij dezelfde vrouw vastbindt, martelt en vervolgens vermoordt zolang ze maar niet naakt is. De uitspraak en de dissenting opinions geven zo een mooi inkijkje in de Amerikaanse samenleving.

Lees hier de uitspraak en de concurring en dissenting opinions.

IT 416

Conclusie Diefstal virtueel goed

HR 28 juni 2011, LJN BQ9251 concl. A-G. Hofstee  (Runescape diefstal virtuele goederen)

Eigendomsrechtvraagstuk inzake virtuele 'goederen', literatuurtip: P. Kleve, Juridische iconen van het informatietijdperk, Deventer: Kluwer 2004.

Rechtspraak.nl Conclusie A-G over de vraag of virtuele voorwerpen kunnen worden aangemerkt als een ‘goed’ dat voor diefstal in de zin van art. 310 Sr vatbaar is. Verdachte en medeverdachte nemen slachtoffer mee naar woning medeverdachte en dwingen het slachtoffer na het toepassen van geweld en het bedreigen met geweld zich aan te melden op zijn account in het online-spel RuneScape. Vervolgens hevelen de verdachten een virtueel masker en een virtuele amulet van het slachtoffer over naar hun eigen account. Dit virtueel masker en virtuele amulet kunnen, in het licht van een redelijke wetsuitleg en in het licht van de jurisprudentie van de Hoge Raad, worden begrepen als goederen die voor diefstal vatbaar zijn, nu deze virtuele voorwerpen i) een economische waarde vertegenwoordigen (zowel binnen als buiten het spel), ii) zelfstandig bestaan, iii) overdraagbaar zijn en iv) individualiseerbaar zijn.

29. Bij wijze van intermezzo past hier een korte beschouwing over de interessante wetenschappelijke discussie die aan dat arrest was voorafgegaan en waarvan het strafrechtelijk goedbegrip en de diverse vormen van computercriminaliteit het thema vormden. Het debat ontstond naar aanleiding van het arrest van Hof Arnhem 27 oktober 1983, LJN AC8160, NJ 1984, 80.(50) De verdachte was een systeemanalist-programmeur en had net vóór beëindiging van zijn dienstbetrekking bij een softwarebedrijf onbevoegd op een disc-pack een kopie gemaakt van een softwarepakket. Is deze handeling - het (onbevoegd) kopiëren - als toe-eigening van 'enig goed' in de zin van art. 321 Sr aan te merken? Anders dan de Rechtbank in eerste aanleg, beantwoordde het Hof deze rechtsvraag bevestigend, kort gezegd onder aanhaling van een (aantal van) de door de Hoge Raad in het Elektriciteitsarrest geformuleerde criteria. Vervolgens kwam de vraag op of het Hof hier niet het Elektriciteitsarrest analogisch had toegepast en hoe zijn oordeel zich verhield met de auteursrechtelijke bescherming van computer software (51). [red. accentuering]

Duitsland 41 (...) Het lijkt uitgesloten dat de reikwijdte van § 242 StGB 'diefstal' van een virtueel goed bestrijkt. Deze bepaling ziet immers op fysieke voorwerpen, en een virtueel object is nu eenmaal 'niet-tastbaar'. Bovendien kan naar Duits recht digitale informatie niet worden 'gestolen'.

42. Ligt vervolging ter zake van het bepaalde in § 303a StGB meer voor de hand? Naar berichtgeving van de Augsburger Allgemeine van 17 mei 2011 heeft het Amtsgericht Augsburg de verdachte op grond van deze strafbepaling veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren en een schadevergoeding van € 1000,-. De verdachte had, volgens dit krantenbericht, eerst de wachtwoorden van twee andere deelnemers afgetroggeld en vervolgens de virtuele kleding van hun figuren zich toegeëigend.(84) Omdat het delict van Diebstahl een beweglichen Sache voor ontvreemding vereist, werd de verdachte voor unbefugter Datenveränderung veroordeeld.
51. Het zijn in deze tijdgeest vooral de technologische ontwikkelingen in het betalingsverkeer, de informatietechniek en de communicatiemiddelen die maken dat de rechtspraktijk steeds opnieuw wordt uitgedaagd antwoord te geven op de vraag wat onder 'goed' is te verstaan. In dat opzicht kleurt de materiële invulling van het begrip 'goed' nog altijd bij. Het criterium van de 'redelijke wetsuitleg' maakt mogelijk om een klassieke strafbepaling als diefstal binnen de rechtsontwikkeling functioneel te modelleren naar die ontwikkelingen en de inzichten van de huidige tijd. Daartegen kan, meen ik, redelijkerwijs geen bezwaar bestaan. Ook een historisch pand kan met behoud van de eigen statuur zich heel goed lenen voor een moderne(re) inrichting.
52. Ik kom tot de slotsom dat in de onderhavige zaak zowel het virtueel masker als de virtuele amulet een 'goed' is in de zin van art. 310 Sr, nu (i) de wetsgeschiedenis zich tegen een dergelijke uitleg niet verzet en (ii) aan de hier door de Hoge Raad gestelde criteria is voldaan. Daarbij neem ik (iii) in aanmerking dat deze uitleg van het begrip 'goed' binnen de grens van de toelaatbare interpretatie blijft, mede de rechtspraak van het EHRM op dit punt in ogenschouw genomen.

 

50 Zie ook: Computerrecht 1984 m.nt. Smits. De Hoge Raad heeft over de rechtsvraag niet kunnen oordelen; van een cassatieberoep (in het belang der wet) is het niet gekomen.
51 Zie: NLR, a.w., aant. 4 op art. 310 Sr; H.W.K. Kaspersen en N. Keijzer, (bundel) Computermisdaad en strafrecht; en Groenhuijsen en Wiemans, a.w., p. 81 e.v. Zie ook (al eerder): D.W.F. Verkade, Bescherming van computerprogrammatuur, 1985, p. 102.

 

Lees meer: P.Kleve, Juridische Iconen in het informatietijdperk, Deventer: Kluwer 2008, p. 103 e.v.

IT 359

Boekaankondiging. Games: recht en business

Met toestemming van Olivier Oosterbaan en Boom Juridische uitgevers: Inhoudsopgave en hoofdstuk 3.

Zo nu en dan verschijnen er boeken om de markt te voorzien in een bepaalde behoefte. Zo heeft Olivier Oosterbaan (Create Law) samen met Dutch Game Garden ook een behoefte gevonden voor een jonge industrie die het in Nederland goed doet: Computerspellen, online, console, handheld, mobile en smart phone, etc.

Het boek 'Games: recht en business' zet de business rondom games op een voor juristen heldere wijze uiteen. Maar ook voor niet-juristen worden de juridische aspecten helder en begrijpelijk uitgelegd. Bij de behandeling van Intellectuele Eigendomsrechten, de kern van het boek, wordt steeds de relevantie van de verschillende beschermingsregimes voor de praktijk uiteengezet. Wat betekent de overdracht van intellectuele eigendomsrechten voor een games studio, hoe voorzie je in een levensvatbaar bedrijfsmodel (royalties), hoe maak je afspraken over het leveren van een broncode, hoe zet je derde partijen in?

Met talloze voorbeelden uit de gameswereld rondom juridische concepten ('een idee is niet beschermd', 'character protection' van Super Mario, modelrecht van de game controller van de Nintendo Wii, 'octrooieerbaarheid van games is altijd lastig') is het voor de start-up games studio een handzaam boek.

Oosterbaan gaat ook in op wat in de gamebusiness gebruikelijk is en geeft aan waarop gelet moet worden bij samenwerking met andere (markt)partijen. Daarbij komen kwesties aan de orde als licentiëring, ontwikkelingstrajecten (milestones), soorten royalty-vergoedingen, formulering van een opdracht en van voorwaarden in contracten met uitgevers of opdrachtgevers.

Tot slot beschrijft Oosterbaan algemeen geldende elementen van gamecontracten en zaken die zijdelings gerelateerd zijn aan de gamesindustrie, zoals financiering, kansspelen, marketing, leeftijdsgrenzen, privacy. Oosterbaan slaagt erin om in de behoefte van (jonge) studio’s te voorzien met een begrijpelijke uiteenzetting van de juridische elementen van de games industrie en juristen te voorzien in basiskennis over de games industrie.

Met toestemming van Olivier Oosterbaan en Boom Juridische uitgevers: Inhoudsopgave en hoofdstuk 3 en meer op gamesrechtenbusiness.nl
[van de redactie] O.D. Oosterbaan, Games: recht en business, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2011.

IT 320

Eerste analyse: Abandonware en de nieuwe Commodore

Een bijdrage van prof. mr. dr. ir. Eric Tjong Tjin Tai, Tilburg University

In de wereld van de computers is een jaar al lang, en tien jaar een mensenleven. Om een voorbeeld te noemen: Windows XP werd in 2001 uitgebracht, heeft inmiddels al weer twee opvolgers gehad en wordt nog slechts beperkt ondersteund. Dat neemt niet weg dat begin 2011 nog steeds zo’n 40% van de internettende computergebruikers Windows XP gebruikt (bron: Wikipedia, geraadpleegd april 2011). De gebruikers van computers en software overleven de levenscyclus van een product, en in sommige gevallen zelfs de levensduur van de producent.

In extreme vorm zien we dit bij wat wel wordt genoemd ‘abandonware’. Dat is software (vooral computerspelen of games) van vele jaren oud (denk aan minstens 5 zoniet 10 jaar), die niet meer commercieel verkrijgbaar is, en waarvan in veel gevallen (doch niet altijd) zelfs niet eenvoudig meer is te achterhalen wie de rechthebbende is, omdat de oorspronkelijke producent failliet is gegaan, is overgenomen, of simpelweg verdwenen. Spelfanaten die dergelijke games nog willen spelen voelen zich daarom gerechtigd deze software te verveelvoudigen en verspreiden, de term ‘abandonware’ geeft een schijn van legitimiteit aan dit gebruik. Zie verder bv. Wikipedia, waar ook verschillende vormen worden onderscheiden.

De vraag is natuurlijk hoe het juridisch zit. Een voorlopige eerste inschatting verloopt in grote lijnen als volgt Juridisch gezien kunnen we – naar Nederlands recht - hier twee benaderingen volgen: de strikt juridische en de meer praktische. Strikt auteursrechtelijk gezien is verveelvoudigen een aan de auteursrechthebbende voorbehouden handeling (art. 1 Aw); daaraan doet niet af dat de huidige rechthebbende onbekend of onbereikbaar is. Uit stilzwijgen kan men niet zomaar een impliciete toestemming construeren; ook leidt stilzitten op zichzelf niet tot rechtsverwerking. Praktisch gezien blijven dergelijke inbreuken echter buiten schot aangezien er kennelijk geen rechthebbende is die een civielrechtelijke procedure daartegen begint, en anderen dan de rechthebbende geen belang hebben. Weliswaar kan ook het Openbaar Ministerie vervolging instellen aangezien het strafbare feiten betreft (art. 31 e.v. Aw), doch in de praktijk zal het opportuniteitsbeginsel in de weg staan om actie te ondernemen tegen dergelijke activiteiten. 

new commodore 64Achter deze tegenstelling tussen recht en praktijk zit echter ook een juridisch lastige kwestie. In essentie gaat het namelijk om gevallen waar de beperkingen van het auteursrecht tekort schieten, ofschoon er een vrij algemene intuïtie is dat in dergelijke gevallen niet daadwerkelijk sprake is van inbreuk op het auteursrecht. Deze intuïtie kan men ontwaren in het recht om voor eigen gebruik een complete kopie te maken van boeken die niet langer in druk zijn (aldus in essentie art. 16b lid 2 sub a Aw), en ook in de mogelijkheid dat bibliotheken kopieën bewaren om, kort gezegd, de toegankelijkheid tot werken te behouden (art. 16n lid 1 Aw). Het auteursrecht dient vooral het commerciële doel exploitatie op de markt mogelijk te maken. Als er geen exploitatie meer plaatsvindt, verliest het recht zijn doel en prevaleert in de beleving van leken het maatschappelijk belang van voortgaand gebruik van het werk (zie algemeen D.W.K. Khong, ‘Orphan Works, Abandonware and the Missing Market for Copyrighted Goods’, IJLIT 15 (2007) 1, met dank aan Daniël Sterenborg voor deze verwijzing). Het auteursrecht is te rigide om met dergelijke nuances rekening te houden, omdat de nadruk ligt op strikte in de wet vormgegeven beperkingen. Daarentegen zou een meer verbintenisrechtelijke benadering meer ruimte bieden voor detailwerk: het verbod van misbruik van recht (art. 3:13 BW) zou soms uitkomst kunnen bieden (vgl. Gielen, ‘Volghende het rechte oordeel van redene’, intreerede Groningen 1993). Dit probleem ziet men ook in de discussie omtrent verweesde werken (zie bv. M.H. Elferink en A. Ringnalda, Digitale ontsluiting van historische archieven en verweesde werken, WODC-onderzoek 2008, voorts de scriptie D.J.R. Sterenborg, Orphan Works. In Search of an international workable model, Ossendrecht: privately published 2010 (ISBN: 978-90-8891-185-9) over dit onderwerp).

Voor computerspelen (games) geldt deze problematiek eveneens. Zie over de kwestie van archivering M. Senftleben, ‘Pacman forever. Preservering van computergames’, Computerrecht 2009-6, AMI 2009-6 (log-in). In de praktijk zijn er levendige internetgemeenschappen die software en hardware voor reeds lang niet meer verkrijgbare computers zoals de Amiga en ZX Spectrum beschikbaar stellen, delen en onderhouden. Dit grijze gebied van ‘abandonware’ bestaat evenwel bij de gratie van een de facto gedoogbeleid van rechthebbenden. Het risico bestaat derhalve dat op zeker moment rechthebbenden toch van zich laten spreken.

Een actueel voorbeeld is de Commodore 64. Deze fameuze computer uit de jaren tachtig wordt nog steeds geadoreerd in kringen van hobbyisten; op Internet vindt men gemakkelijk diverse websites met emulatoren en software voor deze computer, waardoor de oude games op moderne hardware kunnen worden gespeeld. De rechten op de hardware en basissoftware (de ROM waarop het besturingssysteem) zijn al door diverse handen gegaan, onder andere het Nederlandse Tulip is ooit eigenaar geweest. Inmiddels is een nieuw bedrijf rechthebbende geworden en deze lijkt daadwerkelijk ertoe over te gaan om de computer weer op de markt te brengen, in de oude behuizing met intern nieuwe hardware (zie Commodore USA). Mogelijk zal ook de oude ROM in virtuele vorm beschikbaar komen.

Wat betekent dit nu voor de genoemde websites en het gebruik van ‘abandonware’? Strikt genomen kan de huidige rechthebbende, aangenomen dat deze inderdaad alle rechten op hardware en software van Commodore heeft verkregen, optreden tegen het gebruik van de ROM-software. Aangezien die nodig is om Commodore-programma’s zoals games te draaien, kan daarmee Commodore USA dit gebruik blokkeren. Daarbij wordt dan afgezien van handhavingsproblemen tegenover een menigte onbekende internetgebruikers. Wie legaal de software wil draaien, zal te zijner tijd zo’n nieuwe Commodore moeten kopen, aangenomen dat de ROM daarvoor beschikbaar komt. Deze casus laat derhalve zien dat abandonware maar een relatieve term is: zij heeft slechts waarde zolang rechthebbenden zich niet vertonen.

Voor alle hobbyisten die het ‘merk’ in de tussentijd in leven hebben gehouden is dat wellicht zuur.  Hun situatie is echter niet anders als bij iemand die een stuk grond in bezit heeft genomen en dat vóór het verstrijken van de verjaringstermijn weer moet verlaten: je neemt een risico en moet in zekere zin blij zijn dat de situatie lange tijd feitelijk gedoogd werd. Zelfs als de vroegere rechthebbenden welbewust niet optraden is dat geen argument dat tegen de nieuwe rechthebbenden kan worden ingebracht. Verbintenisrechtelijk gedogen heeft geen goederenrechtelijke werking. Vgl. de beslissingen in andere soorten gevallen in HR 3 maart 1905, W. 1905, 8191 (Blauwboer/Berlips) en HR 3 november 2006, NJ 2007, 155 (Nebula), IEPT (log in); het voert hier te ver dit punt gedetailleerd uit te werken.

Overigens is de ‘schade’ wellicht beperkt: het betekent slechts dat de hobbyisten toestemming behoeven om de ROM-software te gebruiken. Die toestemming zou wellicht kunnen worden ontleend aan de legale koop van een nieuwe Commodore-computer met ROM-software. Het is mogelijk – en dan treden wij in details die ik hier niet dieper kan uitwerken noch toelichten voor de technisch niet-geïnformeerden – dat de toestemming slechts ziet op de emulator in de Commodore-computer en bijvoorbeeld niet op emulatoren op de PC van de hobbyist; die zou dan dus wel belemmerd worden om daarvan legaal gebruik te maken. De kans dat er daadwerkelijk op dit punt zal worden gehandhaafd is overigens gering (behoudens voor aanbod van software op websites).

Ter precisering wijs ik erop dat ik niet ben ingegaan op de positie van software die op de oude Commodore-computer draaide, en die tegenwoordig wordt gedraaid op een Commodore-emulator (die daarvoor tevens de ROM-software moet hebben). Zulke software is veelal afkomstig van andere ontwikkelaars dan Commodore; zij zullen zelf voor hun rechten moeten opkomen. Het betreft ook hier veelal ‘abandonware’. Het is ook niet duidelijk of Commodore USA ook de rechten op zulke programmatuur heeft verkregen (bijvoorbeeld als het ging om programma’s die door het oude Commodore waren geproduceerd).

Een andere vraag is hoe het zit met voortbouwend werk. Ik doel daarmee op het feit dat hobbyisten nog steeds nieuwe programma’s zijn gaan maken. Er is bijvoorbeeld een vrij actieve ‘demo’-scene: programmeurs die een uitdaging zoeken in het programmeren van grafisch indrukwekkende programma’s op beperkte hardware. Daarnaast worden er door hobbyisten voor oude games nieuwe levels gemaakt, die dus voortbouwen op programma’s die op de Commodore draaien. In beginsel zal zo’n voortbouwend programma of gegevensbestand, mits het geen auteursrechtelijk beschermde elementen van het onderliggende programma bevat, een nieuw en in auteursrechtelijke zin zelfstandig werk zijn. In specifieke gevallen zou sprake kunnen zijn van onrechtmatig ‘aanhaken’; dat lijkt hier echter minder snel aan de hand, het gaat veeleer om een kwestie vergelijkbaar met interoperabiliteit.

Dit alles laat zien dat er veel over deze materie te zeggen valt. Allerlei details en andere kwesties zoals merkenrecht, interoperabiliteit, mededingingsrecht en fair use heb ik buiten beschouwing gelaten. Dat is allemaal stof voor nader onderzoek.

Drie kanttekeningen tot slot.

1. Ik ben hierboven uitgegaan van de juridische situatie zoals deze thans is. Voorzover men dit een onbevredigende uitkomst vindt, kan men wijziging van het recht bepleiten. Hiervoor zou kunnen worden gedacht aan uitbreiding van verbintenisrechtelijke correcties op het auteursrecht, zij het dat zelf naar gewone verbintenisrechtelijke maatstaven weinig in te brengen is tegen hernieuwde handhaving na jaren van gedogen. Daarnaast zou men kunnen denken aan uitbreiding van beperkingen op het auteursrecht (wat dan via wijziging van de Auteursrechtrichtlijn zou moeten gebeuren). Ook kan men dit alles zien als verder bewijs dat de duur van het auteursrecht voor werken als software te lang is.

2. Het is niet geheel duidelijk wat precies de juridische positie van Commodore USA is. Zij lijkt in elk geval gerechtigde te zijn op het merk Commodore. Het feit dat zij een computer op de markt brengt die uiterlijk lijkt op de oude Commodore, wijst erop dat zij ook het modelrecht ‘bezit’. Omdat de inwendige hardware geheel vernieuwd is, is strikt genomen niet nodig dat zij ook de rechten op het hardware-ontwerp (moederbord etc.) bezit (vraag voor de student: wat voor recht zou dat zijn?). De berichtgeving laat in het midden of zij ook de rechten op de ROM-software bezit. Als dat laatste niet het geval is, zal zij niet uit hoofde van auteursrechtinbreuk kunnen optreden tegen de huidige hobbyisten, en zal zij integendeel ook toestemming behoeven van de echte rechthebbende, wie dat ook moge zijn.

3. In het bovenstaande heb ik veel technische kennis verondersteld, om de hoeveelheid tekst beperkt te houden. Voor degenen die nadere toelichting behoeven bij gebruikte termen zij verwezen naar Wikipedia, dat precies voor dergelijke onderwerpen veel uitleg geeft.

Eric Tjong Tjin Tai, april 2010.

IT 295

Internetkansspelen. Het vervolg (3).

De Europese Commissie is een consultatieronde gestart inzake online kansspelen. "Onlinegokken is een snelgroeiende markt in Europa, die al bijna 15 000 websites telt. In 2008 bedroegen de totale jaarinkomsten meer dan 6 miljard euro; naar verwachting zal deze markt in 2013 in omvang verdubbeld zijn. De nationale regelgevingskaders in de EU lopen enorm uiteen. Hierdoor verschillen de regels die van toepassing zijn op vergunningen, gerelateerde onlinediensten, betalingen, doelstellingen van algemeen belang, en fraudebestrijding. Om rechtszekerheid te kunnen bieden en om de EU burgers op een doeltreffende wijze te beschermen in deze snelgroeiende grensoverschrijdende dienstensector, is het van belang te bekijken hoe op de interne markt van elkaar verschillende modellen eventueel naast elkaar kunnen bestaan."

Lees het volledige persbericht hier (pdf) of hier (link).

Meer informatie over de consultatie hier.

IT 291

Internetkansspelen vrijgegeven? Het vervolg (2).

Raad van State 23 maart 2011, LJN BP8768 (Betfair/Staat der Nederlanden).
Vervolg op uitspraak HvJ EU 3 juni 2010, C-203/08 in PB C 197 van 2 augstus 2008.

De vergunning die Betfair in het Verenigd Koninkrijk heeft voor haar internetdiensten geeft haar niet het recht geeft om ook kansspelen in Nederland op internet aan te bieden. Belangrijker is echter dat de Raad van State oordeelt dat de toenmalige minister van Justitie het Britse Betfair in 2005 had moeten laten meedingen naar kansspelvergunningen voor het organiseren van sportprijsvragen en van een totalisator op de uitslag van harddraverijen en paardenrennen in Nederland.

Uit het persbericht van de Raad van State:

"De Raad van State is van oordeel dat de minister de Europese regels over het vrij verkeer van diensten heeft beperkt door Betfair als aanbieder niet mee te laten dingen naar de kansspelvergunningen. Het Hof van Justitie in Luxemburg heeft in juni 2010 naar aanleiding van zogenoemde prejudiciële vragen van de Raad van State bepaald dat de overheid dit alleen mag doen als zij strenge controle kan uitoefenen op de activiteiten van de exploitant van de vergunning. Aangezien er in de huidige situatie geen bijzondere relatie bestaat tussen de minister als vergunningverlener enerzijds en De Lotto en SGR anderzijds die een strenge controle als bedoeld door het Hof van Justitie met zich brengt, is er naar het oordeel van de Raad van State voor de minister 'geen rechtvaardiging om zonder enige oproep tot mededinging de vergunningen aan hen te verlenen en daardoor te verlengen'."

Lees de uitspraak hier (link) of hier (pdf), ook hier (link)
Ook mediareport berichtte analyseerde deze langverwachte uitspraak, hier (link).

 Zie ook IT 284 en de daarin vermelde andere ITenRecht-bijdragen.