Internet

IT 45

Internetkansspelen - alweer een nieuwe ronde

Het Hof van Justitie heeft op 8 en 9 september 2010 vier nieuwe, baanbrekende uitspraken gedaan over internetkansspelen. Kansspelen via het internet vormen al jaren het speelveld voor talloze procedures. Kort gezegd gaat het om het volgende. Kansspelen vallen onder het vrije verkeer van diensten en mogen dus over de grens worden aangeboden, bijvoorbeeld via het internet. In uitzondering hierop mag een lidstaat het aanbod van kansspelen echter beperken wegens gewichtige redenen van sociaal belang, zoals het tegengaan van gokverslaving. Maar als een lidstaat feitelijk geen werk maakt van nastreving van dit doel, bijvoorbeeld door de eigen monopolies de facto de vrije hand te geven, herleeft de vrijheid van diensten en mag buitenlands (internet)aanbod niet worden tegengehouden. De vraag is dus of doel en praktijk overeenstemmen (de zogenaamde hypocresie-test). Met dank aan Polo van der Putt, Vondst Advocaten.

Met de uitspraken van het Hof van Justitie van 3 juni 2010 inzake Ladbrokes en Betfair heeft het Hof van Justitie de bal weer teruggeven aan de Nederlandse rechter (zie ook het artikel Nederlandse kansspelregulering aan de Europese Maat, NJB 3 september 2010, nr 29, p. 1900, mr P.C. Adriaanse, prof mr T. Bakhuysen en prof mr S.C.G. Van den Bogaert). Lees hun artikel hier.

In de uitspraken van 8 en 9 september geeft het Hof van Justitie echter belangrijke nadere aanwijzingen.

In het arrest van 8 september 2010 in de zaak C-46/08 (Carmen Media Group) oordeelt het Hof dat het beleid voor lotto's en sportweddenschappen strijdig kan zijn met Europees recht als andere, gevaarlijkere kansspelen (zoals casinospelen) de vrije hand wordt gegeven:

"Artikel 49 EG moet aldus worden uitgelegd dat wanneer een regionaal publiek monopolie inzake sportweddenschappen en loterijen is ingevoerd om te voorkomen dat personen tot geldverkwisting door gokken worden aangespoord en om gokverslaving te bestrijden, en een nationale rechterlijke instantie tegelijkertijd vaststelt:
– dat andere soorten kansspelen mogen worden geëxploiteerd door particuliere marktdeelnemers die over een vergunning beschikken, en
– dat de bevoegde autoriteiten op het gebied van andere soorten kansspelen, waarvoor dit monopolie niet geldt en die bovendien een groter verslavingsrisico inhouden dan de spelen waarvoor dit monopolie geldt, een beleid voeren dat gericht is op een uitbreiding van het aanbod, waardoor de spelactiviteiten zich verder ontwikkelen en worden gestimuleerd, met name om de inkomsten daaruit te maximaliseren,
deze nationale rechterlijke instantie op wettige gronden tot de conclusie kan komen dat een dergelijk monopolie niet geschikt is om het doel waarvoor het is ingevoerd te verwezenlijken door ertoe bij te dragen dat de gelegenheden tot spelen worden verminderd en de activiteiten op dit gebied op samenhangende en stelselmatige wijze worden beperkt."

In het arrest van 8 september in de gevoegde zaken C-316/07, C-358/07–C-360/07, C-409/07 en C-410/07 (Markus Stoβ) overweegt het Hof bovendien dat indien de reclame van een nationale vergunninghouder

"niet beperkt blijft tot wat nodig is om de consument in de richting van het aanbod van deze monopoliehouder te sturen door hem van niet toegestane circuits van kansspelen weg te leiden, maar beoogt de goklust van de consument aan te moedigen en hem ertoe aan te zetten actief aan kansspelen deel te nemen",

dat mede reden kan zijn om te concluderen dat de kansspelregulering inconsistent is en het vrije verkeer van diensten dus moet prevaleren (zie antwoord 1 (d) van het Hof). Dit plaatst de nodige vraagtekens bij de al jaren door Holland Casino gevoerde campagne voor "een gewoon avondje uit", met gratis speluitleg ("Weet u niet precies hoe een spel werkt? Dan geven wij u graag uitleg".

Waar het Hof in de Betfair-zaak nog oordeelde dat kansspelvergunningen niet hoeven te worden aanbesteed "voor zover het niet gaat om een openbare exploitant wiens beheer onder rechtstreeks toezicht staat van de Staat of om een particuliere exploitant op wiens activiteiten de overheid een strenge controle kan uitoefenen", scherpt het Hof dit nu aan in het arrest van 9 september 2010 in zaak C-64/08 (Engelmann):

"De uit de artikelen 43 EG en 49 EG, het beginsel van gelijke behandeling en het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit voortvloeiende transparantieverplichting staat eraan in de weg dat alle concessies voor de exploitatie van casino’s op het grondgebied van een lidstaat zonder aanbesteding worden verleend."

Kortom, (verlengingen van) kansspelvergunningen moeten altijd worden aanbesteed.

In het arrest van 8 september 2010 in de zaak C-409/06 (Winner Wetten), maakt het Hof van Justitie duidelijk dat de rechter moet oordelen op het heden en een overgangsperiode hangende mogelijke wijzigingen van het systeem niet is toegestaan:

"Een nationale regeling inzake een publiek monopolie op sportweddenschappen die volgens de vaststellingen van een nationale rechterlijke instantie beperkingen bevat die onverenigbaar zijn met de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting omdat zij niet ertoe bijdragen dat weddenschappen op samenhangende en stelselmatige wijze worden beperkt, mag wegens de voorrang van het rechtstreeks toepasselijke recht van de Unie niet gedurende een overgangsperiode verder worden toegepast."

In het hierboven genoemde arrest inzake Carmen Media Group oordeelt het Hof tot slot dat ook aanbieders die enkel beschikken over een zogenaamde "offshore"-vergunning een beroep kunnen doen op de vrijheid van diensten. "Offshore'-vergunningen zijn vergunningen die het recht geven om kansspelen via het internet in het buitenland aan te bieden, maar niet in het vergunning verlenende land:

"Artikel 49 EG moet aldus worden uitgelegd dat een marktdeelnemer die via internet sportweddenschappen wenst aan te bieden in een andere lidstaat dan die waar hij is gevestigd, niet aan de werkingssfeer van deze bepaling wordt onttrokken door het loutere feit dat hij niet beschikt over een vergunning om dergelijke weddenschappen aan te bieden aan personen die zich bevinden op het grondgebied van de lidstaat waar hij is gevestigd, maar enkel over een vergunning om deze diensten aan te bieden aan personen buiten dat grondgebied."

IT 27

Duitse aansprakelijkheid voor openstaand draadloos internet

Sommer unseres lebensHet Bundesgerichtshof heeft bij uitspraak van 12 mei 2010 (pdf) geoordeeld dat een particulier aansprakelijk kan zijn voor misbruik van zijn verbinding door derden als hij zijn draadloos internet (de technische naam is een WLAN) onvoldoende heeft beveiligd.

Hij moet de beveiligingsmaatregelen treffen die op moment van aankoop van de router gangbaar zijn. Voldoende was in casu een WPA-sleutel, maar de gebruiker had het standaard-wachtwoord niet gewijzigd. De aansprakelijkheid lijkt wel beperkt te zijn tot de kosten van een aanmaning tot stopzetting van de inbreuk.

Het is niet duidelijk of deze aansprakelijkheid ook geldt voor commerciële terbeschikkingstelling van draadloos internet, nu daarvoor de Richtlijn e-commerce kan gelden.

De zaak betrof auteursrechtelijke inbreuk op het nummer Sommer Unseres Lebens (voor de geïnteresseerden, zie Youtube).

IT 76

Europese Commissie consulteert markt voor evaluatie E-commerce Richtlijn

De E-commerce Richtlijn (Richtlijn 2000/31/EC) is alweer 10 jaar oud. De hoogste tijd voor het opmaken van de balans. Die balans valt toch wel wat tegen. Volgens de Europese Commissie is namelijk gebleken dat in de afgelopen 10 jaar e-commerce nog geen 2% van de Europese retailhandel vertegenwoordigt. De Europese Commissie wil onderzoeken wat de oorzaken zijn van deze toch nog beperkte rol van e-commerce in het Europese handelsverkeer. De Europese Commissie heeft hiertoe een consultatieronde geopend om te horen wat de ervaringen en gedachten van de relevante marktpartijen zijn

Met dank aan Ernst-Jan van de Pas, Dirkzwager advocaten.

Iedereen die een belang heeft bij e-commerce wordt uitgenodigd om mee te denken en hun ervaringen te delen op een aantal onderwerpen, zoals over het ontwikkelingsniveau van diensten in de informatiemaatschappij, contractuele beperkingen inzake internationale (cross-border) online verkopen, het beslechten van online geschillen. Hiervoor is een vragenlijst beschikbaar gesteld die uiterlijk 15 oktober a.s. ingestuurd dient te zijn. Daarna zal de Europese Commissie de ingestuurde input bestuderen.

Meer informatie over dit onderwerp, inclusief een link naar de betreffende vragenlijst, treft u aan op de website van de Europese Commissie.

Dit bericht is oorspronkelijk verschenen op: http://dirkzwagerieit.nl/2010/08/12/europese-commissie-consulteert-markt-voor-evaluatie-e-commerce-richtlijn/

IT 9

Europese pivacytoezichthouders: Opt-in bij monitoren surfgedrag

In een gezamenlijke Opinie geven de Europese privacytoezichthouders (verenigd in de zogeheten Artikel 29-werkgroep) aan hoe de nieuwe EU-regels voor elektronische privacy moeten worden toegepast op ‘online behavioural advertising’.

Met ‘behavioural advertising‘ bedoelen de toezichthouders het voortdurend volgen van individueel surfgedrag over meerdere websites en het gericht adverteren op basis van die informatie. Dit kan mensen voordeel opleveren, maar kan ook nadelige gevolgen hebben voor hun persoonlijke levenssfeer. Het volgen van surfgedrag kan derde partijen namelijk een zeer gedetailleerd beeld geven van het online gedrag van personen. De Europese privacytoezichthouders roepen advertentienetwerken en browserontwikkelaars onder meer op simpele en effectieve mechanismen te ontwikkelen zodat gebruikers ondubbelzinnige toestemming kunnen geven voor online behavioural advertising.

Lees het persbericht op de website van het College bescherming persoonsgegevens. Lees de opinie van de Artikel 29-werkgroep hier.

IT 78

Rechter oordeelt: ook een leek moet zorgen voor verwijdering cache

In een eerdere geanonimiseerde uitspraak in kort geding is eiser veroordeeld om bepaalde artikelen van Internet te verwijderen en verwijderd te houden, in zoverre dat deze artikelen op geen enkele wijze meer via welke zoekopdracht dan ook op het internet zijn terug te vinden (LJN: BM0477). De belangrijkste vraag die in het tweede kort geding aan de orde komt is of deze veroordeling zo moet worden uitgelegd dat deze tevens ziet op eventuele treffers via een zoekmachine, die verwijzen naar een pagina waarvan de inhoud inmiddels is verwijderd (Vzr RB Alkmaar 08-04-2010, LJN: BM6719).

Met dank aan Lot Nelissen, Dirkzwager advocaten.

De voorzieningenrechter overweegt hierover dat het onrechtmatig handelen zoals dat aan de orde is geweest in het eerdere kort geding besloten ligt in de inhoud van de bewuste artikelen. Eiser handelt uitsluitend in strijd met het eerdere vonnis wanneer via een treffer op internet via een zoekmachine daadwerkelijk doorgelinkt wordt naar de inhoud, de content van (een van de) bewuste artikelen. Een treffer die niet langer leidt naar de inhoud van een van de gewraakte artikelen is derhalve onvoldoende voor het verschuldigd zijn van een dwangsom.

Het debat tussen partijen spitst zich vervolgens toe op de vraag of eiser er ook rekening mee had moeten houden dat de inhoud van de gewraakte artikelen zich nog in het zogeheten cache geheugen van zoekmachines kon bevinden waardoor de inhoud van de artikelen toch nog kenbaar was. Gedaagde vindt van wel, helemaal nu een klein onderzoek op Google hem had geleerd dat de verwijdering van dit cache geheugen redelijk eenvoudig door eiser bewerkstelligd had kunnen worden.

Naar aanleiding van eigen onderzoek oordeelt de rechter dat een leek dit inderdaad makkelijk had kunnen doen. Informatie hieromtrent is volgens hem redelijk gemakkelijk te vinden en begrijpelijk geformuleerd. Uit deze informatie volgt, aldus de rechter, dat eiser twee stappen had moeten volgen om ook het cache geheugen te verwijderen. Namelijk het verwijderen van de inhoud van de informatie door de eigenaar van de website, alsmede het verzoek aan Google om de bewuste informatie uit de zoekfuncties te verwijderen.

De rechter merkt op dat eiser niet beide stappen heeft gezet en derhalve niet aan het vonnis heeft voldaan. Eiser heeft wel de verschillende beheerders van de websites en de zoekmachines verzocht om de inhoud van de betreffende artikelen te verwijderen maar zij heeft geen seperaat verzoek aan Google gedaan om ook de cache uit zoekmachines te verwijderen. Eiser had een zware inspanningsverplichting uit hoofde van het vonnis, naar aanleiding waarvan zij zich in ieder geval over deze stappen had moeten voorlichten of nadere informatie over had moeten in winnen. Dat zij dit niet heeft gedaan dient voor haar eigen rekening en risico te blijven. Daar komt nog bij dat zij ook uit een reactie van één van de beheerders had kunnen opmaken wat de procedure is voor het verwijderen van content uit zoekresultaten en cache uit zoekmachines.

De maatstaf lijkt vrij streng te zijn toegepast. Wellicht dat dit te maken heeft met het feit dat de artikelen gingen over vermeend seksueel misbruik van kinderen, welke artikelen zeer schadelijk zijn voor gedaagde.

Dit bericht is oorspronkelijk verschenen op: http://dirkzwagerieit.nl/2010/06/15/rechter-oordeelt-ook-een-leek-moet-zorgen-voor-verwijdering-cache/

IT 68

Bij ontbinding koop op afstand mogen geen verzendkosten worden gerekend

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft vandaag een arrest gewezen waarin zij heeft bepaald dat wanneer een consument bij koop op afstand van zijn herroepingsrecht gebruik maakt, de (oorspronkelijke) verzendkosten voor heenverzending niet in rekening mogen worden gebracht (HvJEG 15-04-2010, C‑511/08).

Met dank aan Mark Jansen, Dirkzwager advocaten.

Bij ontbinding koop op afstand mogen geen verzendkosten worden gerekend

Dankzij de Richtlijn koop op afstand (Richtlijn 97/7/EG) is in de hele Europese Unie geregeld dat een door een consument op afstand gesloten overeenkomst (bijvoorbeeld via internet of telefoon) in principe gedurende 7 werkdagen door die consument kosteloos herroepen kan worden. Deze richtlijn is in Nederland geimplementeerd in de Wet koop op afstand.

In de zaak waar de uitspraak van het Hof op ziet speelt in dat kader het volgende. Het Duitse postorderbedrijf Heinrich Heine had in haar algemene voorwaarden staan dat de standaard verzendkosten 4,95 euro bedragen. Ook stond vermeld dat deze kosten niet worden terugbetaald indien de consument gebruik maakt van zijn herroepingsrecht. Een Duitse consumentenorganistie kwam tegen dat laatste in actie en startte een rechtszaak. Deze zaak leidde er uiteindelijk toe dat er door de Duitse rechter vragen werden gesteld aan het Hof van Justitie.

Het Hof oordeelt dat de richtlijn verbiedt dat na het herroepen van de overeenkomst toch de kosten van de oorspronkelijk (heen)verzending van het product aan de consument worden aangerekend. In de richtlijn staat namelijk bepaald dat alleen de rechtstreekse kosten voor het terugzenden aan de consument in rekening mogen worden gebracht. Volgens het Hof zou het in rekening brengen van andere kosten de consument mogelijk ervan weerhouden gebruik te maken van zijn herroepingsrecht. Alle kosten die de consument reeds heeft betaald moeten na herroeping door de winkelier worden terugbetaald.

Opvallend is nog dat het Hof overweegt dat de verplichting voor de winkelier om het geld aan de consument terug te storten ziet op “alle bedragen die de consument heeft gestort naar aanleiding van de overeenkomst, ongeacht de oorzaak van betaling ervan“. Het lijkt er daarmee op dat ook bijvoorbeeld vooruitbetaalde onderhoudskosten na herroeping door de consument zullen moeten worden terugbetaald door de leverancier. Leveranciers en webwinkeliers doen er verstandig aan met deze ruime uitleg van het herroepingsrecht rekening te houden.

Dit bericht verscheen oorspronkelijk op http://dirkzwagerieit.nl/2010/04/15/bij-ontbinding-koop-op-afstand-mogen-geen-verzendkosten-worden-gerekend/

IT 75

Papierloze UDRP bij WIPO

Sinds 14 december 2009 is het mogelijk om bij de WIPO (World Intellectual Property Organisation) een papierloze UDRP procedure te voeren. De procedure kan volledig per e-mail worden gevoerd. Voorheen was dit niet mogelijk. Doel hiervan is de UDRP procedure efficiënter te laten verlopen en om verspilling van papier tegen te gaan.

Met dank aan Ernst-Jan van de Pas, Dirkzwager advocaten

Onder de UDRP procedure is het mogelijk om domeinnaamgeschillen voor onder meer .com/.net/.org-domeinnamen te beslechten. Het WIPO Arbitration and Mediation Center is een van de aangewezen scheidsgerechten voor UDRP procedures. Lees de nieuwe procedure van WIPO.

Dit bericht is oorspronkelijk verschenen op: http://dirkzwagerieit.nl/2009/12/15/papierloze-udrp-bij-wipo/

IT 77

HvJ EG: Geen gebruiksvergoeding bij herroeping overeenkomst door consument

Het Hof van Justitie voor de Europese Gemeenschappen (HvJ EG) heeft zich in een arrest van 3 september 2009 uitgelaten over de – belangrijke – vraag of een internetverkoper compensatie mag eisen voor het gebruik door de koper van een via internet gekocht goed in de herroepingsperiode, indien het goed vervolgens binnen die periode defect raakt en de koper zich daarna tijdig op het herroepingsrecht beroept (HvJEG, 03-09-2009, zaak C-489/07).

Met dank aan Joost Becker , Dirkzwager advocaten.

In deze Duitse zaak gaat het om de aanschaf via internet van een laptop ter waarde van € 278,–. De laptop is op 2 december 2005 gekocht. In augustus 2006 treedt er een defect op, welk defect op 4 augustus 2006 door de koper bij de internetverkoper is gemeld. De internetverkoper weigert vervolgens het defect gratis te repareren en het notebook terug te nemen tegen terugbetaling van de koopprijs aan de koper, die zich vervolgens tijdig op het herroepingsrecht beroept. (Hierbij teken ik aan dat de herroepingsperiode in Duitsland volgens deze uitspraak langer is; te weten 6 maanden in plaats van 3. Indien de consument-koper niet naar behoren is geïnformeerd over het herroepingsrecht, vervalt het niet.)

Volgens de internetverkoper moet de koper sowieso een gebruiksvergoeding betalen voor de 8 maanden dat van de laptop gebruik is gemaakt. De internetverkoper fixeert dit op een bedrag van € 118,80 per kwartaal, in totaal € 316,80.

Hierop stelt de Duitse rechter een prejudiciële vraag aan het HvJ EG; mag de verkoper bij tijdige herroeping door de consument een gebruiksvergoeding eisen voor een geleverd consumtiegoed? Het antwoord is in beginsel nee.

Het HvJ EG stelt voorop dat aan de consument voor uitoefening van het herroepingsrecht ten hoogste de rechtstreekse kosten voor het terugzenden van goederen kunnen worden aangerekend. Anders wordt uitoefening van het herroepingsrecht tezeer geblokkeerd. De consument moet volgens het HvJ EG ook een passende bedenktijd krijgen om het goed (in alle vrijheid en zonder enige druk) te keuren en uit te proberen. Het betalen van een compenserende vergoeding voor gebruik van het goed is hiermee niet verenigbaar.

Een en ander staat er volgens het HvJ EG echter niet aan in de weg dat een consument-koper verplicht kan zijn een billijke compenserende vergoedig te betalen, indien de koper het goed dat via internet is verworven heeft gebruikt op een wijze die niet verenigbaar is met de beginselen van burgerlijk recht, zoals goede trouw of ongerechtvaardigde verrijking. Met dat laatste lijkt het HvJ EG op situaties van misbruik of behaald voordeel te wijzen. Helaas laat het HvJ EG na deze omstandigheden verder uit te werken. Wél maakt het HvJ EG in dit kader duidelijk dat de hoogte van een compenserende vergoeding geen afbreuk mag doen aan de doeltreffendheid en effectiviteit van het herroepingsrecht, bijvoorbeeld indien de compensatie qua hoogte in geen verhouding staat tot de koopprijs of de consument-koper zou moeten bewijzen dat hij het goed niet heeft gebruikt op een wijze die verder gaat dan nodig voor het uitoefenen van het herroepingsrecht. Ook de vraag hoelang het heeft geduurd voordat de consument het herroepingsrecht heeft uitgeoefend, kan hierbij een rol spelen.

Dit bericht is oorspronkelijk verschenen op: http://dirkzwagerieit.nl/2009/09/14/hvj-eg-internetverkoper-mag-in-beginsel-geen-compenstatie-eisen-voor-gebruik-goed-bij-herroeping-door-koper/