Internet

IT 189

Spammen in strijd met huisregels: boete

Rb Utrecht 8 december 2010, zaaknummer 676425 AC EXPL 10-934 LH 464. Eiser Gay Group exploiteert een website, Gay.nl genaamd, bedoeld als platform voor dienstverlening aan homoseksuelen. Van de website maken onder meer een forum en een chatdienst deel uit, waarmee gebruikers van de website met elkaar in contact kunnen komen. Gedaagde had op de site commerciële berichten verstuurd in strijd met de huisregels. Op grond van boetebeding wordt hij veroordeeld tot € 5.000. Met dank aan Arnoud Engelfriet, ICTRecht.

Het vonnis doet denken aan Netwise/NTS, waarin ook een spammer werd gehouden aan huisregels. Verschil is dat Gay Group een boetebeding had ingebouwd en dat de rechter dit van toepassing acht. Spammer moet € 5.000 betalen want boete was beperkt tot 10 overtredingen (van de 198 begane).

Meest relevante rechtsoverwegingen:

"4.3. Vervolgens bestaat geschil over de vraag of V M op 9 juli 2009 de door Gay Group opgestelde berichten aan 198 mede-gebruikers van de website heeft verzonden. Ook deze vraag beantwoordt de kantonrechter bevestigend. V M ontkent dat hij (zelf) de litigieuze berichten heeft verstuurd, maar hij laat zich wisselend uit over de mogelijkheid dat het een van zijn freelance medewerkers is geweest. V M bedient zich van een domeinnaam, genaamd ‘[][][].nl’. Enerzijds betwist V M dat de berichten door (een of meer van) zijn medewerkers zijn verstuurd, overigens zonder dit te motiveren (hij stelt zijn freelancers niet volledig te kunnen controleren). V M heeft niet verklaard waarom een ander bedrijf, dat ook van het betreffende IP-adres gebruik heeft gemaakt, er belang bij zou kunnen hebben om gebruikers van Gay.nl te attenderen op het 0906-nummer van V M. Anderzijds suggereert V M dat de verzending van de berichten het werk kan zijn geweest van een van zijn medewerkers. Redelijkerwijs kan alleen dit laatste verklaren dat de gebruikers van Gay.nl op 9 juli 2009 werd gevraagd via MSN contact te zoeken en daarop een automatisch bericht volgde met het verzoek te bellen met het 0906-telefoonnummer van het bedrijf van V M. Ingevolge artikel 3:70 Burgerlijk Wetboek (BW) heeft V M in te staan voor de volmacht van degenen door wie hij zich in het kader van zijn bedrijfsactiviteiten doet vertegenwoordigen. Hierop stuit dit deel van het verweer van V M af. Of V M zelf op 9 juli 2009 in het buitenland was, is daarom in dit geding niet van belang.

4.4. Ook het verweer van V M dat geen sprake is van door artikel 7 van de algemene voorwaarden van Gay Group verboden spam, wordt verworpen, Met Gay Group is de kantonrechter van oordeel dat het aantal berichten dat op 9 juli 2009 in korte tijd werd verzonden erop wijst dat de website werd gebruikt voor een ander doel dan het leggen van privé contacten met andere homoseksuelen. Dat het hier een commercieel gebruik betrof, volgt tevens uit het feit dat de gebruikers van Gay.nl werden bewogen te bellen met de door V M zakelijk geëxploiteerde 0906-telefoonlijn. Dat de gebruikers van de website niet direct via de website van Gay Group, maar eerst door het automatisch gegenereerde MSN-bericht werd verzocht met dat 0906-telefoonnummer te bellen, doet er niet aan af dat van een door artikel 7 van de algemene voorwaarden van Gay Group verboden commercieel gebruik van de website sprake was. Daarop wijst ook het woord ‘initiëren’ in dat artikel. V M heeft zich dan ook aan overtreding van de uit de gebruiksrechtovereenkomst voortgevloeide verplichting schuldig gemaakt. De rechtsgeldigheid van het boetebeding van het tweede lid van genoemd artikel 7 heeft V M niet betwist. Zoals uit artikel 6:91 BW volgt kan een dergelijk beding strekken zowel tot vergoeding van schade als (enkel) tot aansporing tot nakoming. De kantonrechter begrijpt Gay Group aldus dat het haar om de preventieve werking van het boetebeding te doen is. Dat de boete bepaald op € 500,-- per gebeurtenis is hiermee niet onverenigbaar. Anders dan V M meent, is het aantal door Gay Group van gebruikers van haar website ontvangen klachten niet relevant. Een gebeurtenis die tot het verbeuren van de overeengekomen boete leidt, bestaat in de verzending van een verboden bericht. Voor zover V M matiging van de boete mocht hebben verlangd, valt niet in te zien dat de billijkheid matiging klaarblijkelijk zou eisen. Hierbij worden de wederzijdse belangen van partijen in aanmerking genomen, alsook de omstandigheid dat Gay Group de boete reeds heeft beperkt door slechts van tien overtredingen uit te gaan, terwijl vast staat dat op 9 juli 2009 een veelvoud aan berichten is verzonden, met het oogmerk om de geadresseerden te bewegen met het 0906-nummer van V M te bellen. De vordering tot betaling van € 5.000,-- aan boetes wordt daarom toegewezen. De wettelijke rente hierover is, als niet specifiek betwist, eveneens toewijsbaar."

Lees het vonnis hier.

IT 185

Gerichtheid websites - vervolg

Op welk land richt een website zich? Blog van Arnoud Engelfriet sluit mooi aan bij IT 179, 162 en 161. Wanneer richt een website zich op een bepaald land? Een ontzettend lastige vraag, maar het Europese Hof van Justitie ontkwam er niet aan deze te beantwoorden. In twee arresten (C‑585/08 en C‑144/09) komt ze met een mooi genuanceerd antwoord: een website alleen is niet genoeg, maar geografisch getargete advertenties of taalkeuzes kunnen dat wel zijn.

In beide zaken ging het om een consument die een overeenkomst sloot met een bedrijf dat in een ander Europees land gevestigd was. (In de eerste zaak was het een pakketreis (vervoer en verblijf), in de tweede een geboekte hotelkamer.) Beide consumenten hadden ruzie met het bedrijf over de uitvoering van de overeenkomst, en in beide gevallen betwistte het bedrijf dat de rechtbank bevoegd was omdat zij in een ander land gevestigd was. Omdat het hier ging om bestellingen via internet, iets waar nog geen jurisprudentie over is, besloten de rechtbanken de vraag voor te leggen aan het Europese Hof van Justitie.

Europese regels, met name Verordening 593/2008 (toepasselijk recht) en Verordening 44/2001 (bevoegde rechtbank) zijn niet heel duidelijk, zoals ik in mei al besprak. Het criterium is grofweg of je je als bedrijf “richt op het land” waar de consument woont. In dat geval is de rechtbank van dat land bevoegd, ongeacht waar het bedrijf gevestigd is.

Het Hof worstelt met dat criterium, maar vindt dan aan aanknopingspunt bij de reclame-uitingen van de ondernemer. Bij traditionele reclame is dit immers doorslaggevend: wie in een Duitse krant adverteert, wil kennelijk in Duitsland zaken doen en valt dan onder Duits recht. Logisch.

Maar bij internetreclame is dat een heel stuk lastiger. Websites en banners verschijnen door de hele Europese Unie, maar om daar nu uit te concluderen dat je je dus op elk land in de EU wil richten, gaat het Hof te ver. In dat geval had de wetgever dat maar expliciet moeten opschrijven. Sterker nog, bij de totstandkoming van verordening 44/2001 is een tekst met die strekking geschrapt voordat deze van kracht werd.

Een website is dus niet genoeg, of in de woorden van het Hof:

De wetgever van de Unie wenst weliswaar de consument beter te beschermen, maar is niet zo ver gegaan te bepalen dat het loutere gebruik van een internetsite, dat een gebruikelijk middel is geworden om handel te drijven, ongeacht het geviseerde grondgebied, een activiteit is die „gericht is op” andere lidstaten en de toepassing meebrengt van de beschermende bevoegdheidsregel van artikel 15, lid 1, sub c, van verordening nr. 44/2001.

Je moet dus op zoek naar méér: waaruit kun je halen dat de ondernemer van plan was om handel te drijven met consumenten uit bepaalde andere landen? Wat het Hof noemt “elke duidelijke uitdrukking van de wil om de consumenten in deze lidstaat als klanten te winnen”.

Een negatieve aanwijzing is een e-mailadres, postadres of telefoonnummer - in ieder geval zonder internationaal kengetal. Die gegevens moet iedere onderneming verplicht op zijn site hebben, dus daar kun je niet uit afleiden dat men internationaal bezig wil zijn.

Positieve aanwijzingen zijn daarentegen:

  • Met naam één of meerdere landen noemen waar je bereid bent zaken te doen. Ik denk dat die standaard dropdown met alle landen ter wereld niet genoeg is, maar een zelfgemaakte landenlijst bij je bestelformulier zou dus genoeg moeten zijn. (Waarom gebruiken mensen die giga-dropdown eigenlijk? Hoe veel klanten komen er uit Samoa of Antigua?)

  • Adverteren bij een zoekmachine en die advertentie geografisch targeten op dat land. Dat is dus in feite het traditionele criterium van reclame in een land. Hoe je dit bewijst, is me niet duidelijk.

  • Een combinatie van secundaire factoren als een telefoonnummer met internationaal kengetal, een niet-landgebonden topleveldomeinnaam, routebeschrijvingen die in dat andere land beginnen of testimonials van internationale klanten. Elk van die dingen is op zich misschien niet genoeg, maar bij elkaar waarschijnlijk wel.

  • Taal of munteenheid, mits die niet ook in je eigen land gebruikelijk zijn (Nederlandse ondernemers richten zich dus niet automatisch op België, maar met Noorse tekst en prijzen in kroner richt je je als Nederlander wel op Noorwegen)

Ook leuk kan het worden als je met tussenpersonen werkt: als die jou vertegenwoordigen, dan wordt de beoordeling van hun websites aan jou toegerekend. Denk je dus alleen aan Nederlanders te leveren maar gaan je agenten in het Duits reclame maken, dan vallen boekingen van Duitsers onder Duits recht.

Wat zouden nog meer handige criteria kunnen zijn? Wat zijn op internet “duidelijke uitdrukkingen van de wil” om klanten uit een bepaald land binnen te halen?

Lees de blog en reacties hier.

IT 184

Selectief weergeven acquisitie telefoongesprek bestraft

Blog Menno Weij (SOLV): door slechts een gedeelte van gesprekken vast te leggen, namelijk voor zover zij bewijs kunnen leveren van de totstandkoming van een overeenkomst tot plaatsing bedrijfsgegevens op internetsite, dus in haar eigen voordeel, heeft [eiseres] [gedaagde] de mogelijkheid ontnomen aan te tonen dat hem is meegedeeld dat hij kon afzien van de totstandkoming van een overeenkomst.

Velen hebben er wellicht al mee te maken gehad (ik wel althans): een telefonische benadering voor het plaatsen van je bedrijfsgegevens op een internetsite. En voordat je het weet, heb je een factuur op de mat liggen. Zo ook in deze zaak (en deze zaak is bepaald niet de enige trouwens).

Een geanonimiseerde gedaagde wordt voor de kantonrechter in Den Bosch gesleept, omdat hij telefonisch een overeenkomst zou hebben gesloten met een exploitant van een bedrijveninformatie-website. Ter onderbouwing van haar stelling, legt de exploitant een gedeelte van het gevoerde telefoongesprek als bewijs over. (De zaak gaat trouwens niet in op de toelaatbaarheid daarvan.)

De geanonimiseerde gedaagde verklaart echter dat hem buiten de opname om, is meegedeeld dat hij binnen een bepaalde tijd kon annuleren, en dat hij ook daadwerkelijk heeft teruggebeld. Daarover kon de exploitant echter geen nadere inlichtingen verstrekken.

De rechter straft de exploitant af: "door slechts een gedeelte van gesprekken vast te leggen, namelijk voor zover zij bewijs kunnen leveren van de totstandkoming van een overeenkomst, dus in haar eigen voordeel, heeft Uitgeverij SN [gedaagde] de mogelijkheid ontnomen aan te tonen dat hem is meegedeeld dat hij kon afzien van de totstandkoming van een overeenkomst. De door [gedaagde] afgelegde verklaring dat hij nadien telefonisch contact heeft gehad is wel geloofwaardig. Op grond van het hiervoor overwogene is de kantonrechter van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat er uiteindelijk geen overeenkomst tot stand is gekomen tussen partijen."

Lees hier de uitspraak.

IT 179

Onvoldoende gerichtheid op Nederland

Voorzieningenrechter Rechtbank te ’s-Gravenhage, vonnis in kort geding d.d. 8 december 2010, X en Playseats B.V. tegen Y c.s. (KG ZA 10-1207). Van voldoende gerichtheid op Nederland is naar voorlopig oordeel geen sprake op grond van het enkele gegeven dat eBay ook het aanbod van buitenlandse aanbieders op buitenlandse versies van eBay weergeeft. Ook het opnemen van een standaard Google vertaalmodule (mede voor de Nederlandse taal) levert geen gerichtheid op Nederland op. Met dank aan Hidde Koenraad, Vondst Advocaten. 

Het geschil betreft de vraag of sprake is van merkgebruik in Nederland door gebruik van het merk Playseats op diverse websites. Daarnaasts speelt de vraag of een buitenlandse advertentie die opduikt op de Nederlandse ebay-site, merkgebruik in Nederland oplevert.

Van voldoende gerichtheid op Nederland is naar voorlopig oordeel geen sprake op grond van het enkele gegeven dat eBay zijn buitenlandse databases met elkaar in verbinding heeft gebracht en aldus via <ebay.nl> ook het aanbod van buitenlandse aanbieders op buitenlandse versies van eBay weergeeft. Ook het opnemen van een standaard Google vertaalmodule (mede voor de Nederlandse taal) in de heading van een op Duitland gerichte website wordt in casu naar voorlopig oordeel niet genoegzaam geacht om van gerichtheid op Nederland te kunnen spreken:

"4.9. De tweede grondslag [voor merkinbreuk, red.] is het aanbieden door Y. c.s. middels eBay.nl. Y c.s. weerspreekt ook hier naar voorlopig oordeel terecht dat sprake is van voldoende gerichtheid op Nederland. De betreffende webshop van Y en Playseat GmbH is opgezet in het Duits voor Duitsland en door de uitbater van eBay gekoppeld, zodat deze Duitse webwinkel met zekere Nederlandse standaardteksten opduikt op eBay.nl. Het enkele gegeven dat eBay zijn buitenlandse database met elkaar in verbinding heeft gebracht en aldus via <ebay.nl> ook het aanbod van buitenlandse aanbieders op buitenlandse (bijvoorbeeld, zoals in het onderhavige geval: Duitse) versies van eBay weergeeft, levert naar voorlopig oordeel geen voldoende gerichtheid op Nederland op in de zin van de vaste rechtspraak terzake. Dit is naar voorlopig oordeel namelijk op een lijn te stellen met de omstandigheid dat buitenlandse websites vanuit Nederland ook bereikbaar zijn, maar daarmee is naar vaste rechtspraak nog geen sprake van gerichtheid op Nederland in de thans aan de orde zijnde zin.

4.10 De “Nederlandse taal” component uit de op Duitsland gerichte website www.race-star.de betreft een standaard Google vertaalmodule in de heading van deze website (die overigens thans niet meer wordt gevoerd door Y c.s.), die aangeklikt kan worden en vervolgens zorgt voor een (rudimentaire) zogenoemde machinevertaling in (onder meer) het Nederlands. Ook dat ik naar voorlopig oordeel niet genoegzaam om gerichtheid op Nederland te kunnen spreken – zo op deze forum-achtige website überhaupt als sprake zou zijn van aanbieden, wat X c.s. wel stelt, maar Y c.s. bestrijdt. […]."

Lees het vonnis hier.

Voor een eerder discussie over gerichtheid van websites, zie hier en hier.

IT 178

Elektronisch factureren en elektronische handtekening

Volgens de Europese Commissie bestaan er binnen Europa te veel belemmeringen voor elektronisch factureren. De Commissie heeft onder meer aangekondigd om het raamwerk voor elektronische handtekeningen aan te passen om zo het gebruik van elektronisch factureren te bevorderen. Lees de mededeling over elektronisch factureren hier.

Voor de aangekondigde verandering van het raamwerk voor elektronische handtekeningen zie blz. 7:

"Some e-invoicing solutions make use of electronic signatures (e-signatures). However, the diversity of legal requirements among Member States for e-signatures have led to cross border interoperability problems which contributed to slow down the uptake of cross-border e-invoicing solutions in so far as they make use of e-signatures. Despite the positive impact of existing legal provisions on the use of e-signatures and the political commitments taken by the Member States and the Commission, a more coordinated and comprehensive approach is needed to facilitate the EU-wide cross-border interoperability of e-signatures. To this end in the framework of the Digital Agenda, the Commission proposed to revise the current Directive 1999/93/EC on e-signatures."

IT 175

HvJ EG: ban op online verkoop medische hulpmiddelen disproportioneel

Hof van Justitie van de Europese Unie, 2 december 2010 (Ker-Optika), C-108/09. De Hongaarse wet verbiedt de online verkoop van contactlenzen om de gezondheid van contactlensdragers te beschermen. Doel van de wet is om oogaandoeningen en chronische gezichtsgebreken tegen te gaan. Het HvJ acht de wet daartoe inderdaad geschikt, maar tegelijkertijd oordeelt het Hof dat de wet verder gaat dan noodzakelijk is om het doel te bereiken. "De artikelen 34 VWEU en 36 VWEU alsook richtlijn 2000/31 moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling volgens welke contactlenzen uitsluitend in speciaalzaken voor medische hulpmiddelen mogen worden verkocht."

Het Hof vat eerst samen onder welke omstandigheden een nationale wet het vrije verkeer van goederen opzij kan zetten:

"57 Volgens vaste rechtspraak kan een belemmering van het vrije verkeer van goederen worden gerechtvaardigd door een van de in artikel 36 VWEU omschreven redenen van algemeen belang of op grond van dwingende vereisten. In beide gevallen dient de nationale maatregel geschikt te zijn om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen en mag hij niet verder gaan dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken (zie met name arrest Commissie/Italië, reeds aangehaald, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

58 Bij een maatregel inzake volksgezondheid moet ermee rekening worden gehouden dat de gezondheid en het leven van personen de eerste plaats innemen onder de goederen en belangen die door het Verdrag worden beschermd, en dat het de taak van de lidstaten is om te beslissen op welk niveau zij de bescherming van de volksgezondheid wensen te verzekeren en hoe dit dient te gebeuren. Aangezien dit niveau per lidstaat kan verschillen, beschikken de lidstaten over een beoordelingsmarge (zie arrest van 1 juni 2010, Blanco Pérez en Chao Gómez, C‑570/07 en C‑571/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."

In r.o. 59-64 concludeert het Hof dat de Hongaarse wet geschikt is om het nagestreefde doel (tegengaan oogaandoeningen en chronische gezichtsgebreken) te bereiken. Vervolgens komt het Hof echter tot de conclusie dat de regeling te ver gaat:

"68 Elke gebruiker van contactlenzen kiest dus vrij voor een dergelijk onderzoek en consult, zodat het hoofdzakelijk zijn beslissing is, waarbij de opticien hem adviseert.

69 De klant kan bij internetverkoop op dezelfde wijze vóór de levering van de contactlenzen worden geadviseerd met interactieve gegevens op de betrokken website die de klant vóór aankoop van dergelijke lenzen moet gebruiken (zie in die zin wat internetverkoop van geneesmiddelen betreft, arrest Deutscher Apothekerverband, reeds aangehaald, punt 114).

70 In de tweede plaats kan de lidstaat – zoals is vastgesteld in punt 63 van het onderhavige arrest – zeker eisen dat een opticien de geschiktste soort contactlenzen bepaalt, waarbij hij moet controleren of de klant de lenzen juist op zijn ogen aanbrengt en hem moet adviseren over het correcte gebruik en onderhoud ervan.

71 Deze diensten zijn in beginsel evenwel alleen bij de eerste levering van contactlenzen vereist. Latere leveringen vereisen in de regel namelijk geen dergelijke diensten aan de klant. De klant hoeft de verkoper alleen mee te delen welk soort lenzen hij bij de eerste levering heeft gekregen, waarbij in voorkomend geval de eigenschappen van deze lenzen bij een nieuw voorschrift van een oogarts aan het gewijzigde gezichtsvermogen van de klant worden aangepast.

72 In de derde plaats kan de klant, wanneer langdurig gebruik van de contactlenzen extra inlichtingen en advies vereist, deze informatie krijgen via interactieve gegevens op de website van de leverancier.

73 Bovendien kan een lidstaat de betrokken marktdeelnemers ertoe verplichten een beroep te doen op een geschoold opticien die de klant op afstand geïndividualiseerde inlichtingen en geïndividualiseerd advies voor gebruik en onderhoud van de contactlenzen verstrekt. Wanneer inlichtingen en advies op afstand worden verstrekt, kan dit overigens voordelen bieden daar de contactlensdrager zonder verplaatsing zijn vragen weloverwogen en doelgericht kan stellen (zie in die zin wat internetverkoop van geneesmiddelen betreft, arrest Deutscher Apothekerverband, reeds aangehaald, punt 113).

74 Derhalve kan het doel de gezondheid van de contactlensdragers te beschermen worden bereikt met minder restrictieve maatregelen dan die krachtens de regeling in het hoofdgeding, wanneer alleen de eerste levering van lenzen aan bepaalde beperkingen wordt onderworpen en de betrokken marktdeelnemers ertoe worden verplicht, een geschoold opticien ter beschikking van de klant te stellen."

Lees het arrest hier.

IT 174

Onvoldoende beveiligde websites schenden privacywetgeving

De laatste tijd is er in IT-land veel te doen om de open-source software Firesheep. Met deze software is het heel eenvoudig het acccount van een ander op een website over te nemen. De betreffende websites schenden hiermee de verplichting tot het garanderen van een passend niveau van beveiliging. Gebruikmaken van de software is echter ook niet zonder risico.

Met dank aan Mark Jansen, Dirkzwager advocaten & notarissen

Werking software Firesheep

De software Firesheep maakt gebruik van het volgende principe. Op moderne “web 2.0″ websites moet je veelal inloggen om de (volledige) functionaliteit van de website te kunnen gebruiken (sites als Facebook, Hotmail, Hyves, etc.). Na succesvol inloggen wordt meestal een cookie teruggezonden aan de bezoeker, zodat deze bij een volgend bezoek eenvoudig herkend kan worden. Die cookie wordt vaak onversleuteld verzonden en is dus – bijvoorbeeld bij gebruik van draadloos internet – door iedereen af te vangen. Firesheep detecteert dergelijke onbeveiligd verzonden cookies automatisch op ieder draadloos netwerk in de buurt. Na afvangen van de betreffende cookie kan eenvoudig worden ingelogd op de website onder de naam van degene wiens cookie is afgevangen.

Beveiligingsverplichting

Deze software roept juridisch de nodige vragen op. Websites waarop moet worden ingelogd om toegang te krijgen tot het eigen account, verwerken persoonsgegevens in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens (WBP). Op grond van artikel 13 WBP moet de exploitant van de website “passende technische en organisatorische maatregelen” treffen om die gegevens te beveiligen tegen o.a. verlies. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat dit onder andere betekent dat de beveiliging in overeenstemming moet zijn “met de stand van de techniek“.

Huidige stand van de techniek

Een korte zoektocht op internet leert dat diverse bedrijven hun beveiliging naar aanleiding van de software hebben aangepast. Ook blijkt uit onderzoek dat bij diverse websites het inlogproces niet af te luisteren is. Daarmee kan denk ik goed verdedigd worden dat, voor zover het hanteren van een versleuteld inlogproces en het versleuteld versturen van cookies niet al tot de stand van de techniek behoorde, dat thans toch in ieder geval wel de stand van de techniek is geworden.

Risico websitehouders die stand techniek niet gebruiken

Websitehouders die deze stand van de techniek niet hanteren voor hun inlogproces, schenden dus hoogstwaarschijnlijk de beveiligingsverplichting die artikel 13 WBP stelt. Het College Bescherming Persoonsgegevens zou hier tegen kunnen optreden door het opleggen van dwangsommen of boetes. Ook is denkbaar dat individuele gebruikers van wie de account gekaapt is, de websitehouder voor alle daaruit voortvloeiende schade aansprakelijk kunnen stellen.

Risico gebruikers software

Overigens is het gebruik van de Firesheep software ook niet zonder risico. Het inloggen op andermans account met gebruikmaking van afgevangen cookies valt zeer waarschijnlijk onder het delict computervredebreuk (artikel 138ab Wetboek van Strafrecht). Op dit misdrijf staat maximaal een jaar gevangenisstraf of € 19.000 boete. Die gevangenisstraf wordt verhoogd naar maximaal vier jaren wanneer na inloggen op het account gegevens worden overgenomen. Wanneer na inloggen op andermans account gegevens worden gewijzigd, is vermoedelijk sprake van het misdrijf beschreven in artikel 350a Sr. Hierop staat maximaal twee jaar gevangenisstraf en dezelfde boete.

Dit bericht is oorspronkelijk verschenen op: http://dirkzwagerieit.nl/2010/12/02/onvoldoende-beveiligde-websites-schenden-privacywetgeving/ 

IT 171

Website aansprakelijk voor illegale content die door derden is geplaatst

Rechtbank Amsterdam, 24 november 2010, LJN BP6880, HA ZA 09-185 (Kim Holland Productions B.V. c.s. tegen 123 Video B.V.)

Op grond van art. 6:196c BW is een louter faciliterende tussenpersoon niet aansprakelijk voor eventuele inbreuken door uploaders. De rechtbank is in deze zaak echter van mening dat 123video niet slechts het uploaden van filmpjes faciliteert, maar deze zelf opnieuw publiceert. En daarbij mag ze géén beroep doen op de uitsluiting voor aansprakelijkheid voor tussenpersonen. Met dank aan Arnoud Engelfriet.

Op 123video kunnen gebruikers zelf filmpjes uploaden in diverse categorieën, waaronder "XXX - Erotiek & Sex". Eind 2007 en begin 2008 werden er filmpjes geüpload van Kim Holland, die daarvoor de site aansprakelijk stelde. De site had de
uploader in vrijwaring
opgeroepen, maar dat bleek uiteindelijk geen praktisch haalbare kaart. 123video verweerde zich vervolgens zelf, met als hoofdargument dat zij niet aansprakelijk is voor auteursrechteninbreuk. 123video ziet zich als een tussenpersoon, een dienstverlener die mensen filmpjes laat uploaden maar zelf geen bemoeienis heeft met de inhoud. En volgens art. 6:196c BW is zo'n tussenpersoon niet aansprakelijk voor eventuele inbreuken door uploaders.

De rechtbank denkt daar anders over:

"123 Video komt met volledige kennis van de gevolgen van haar gedrag tussen om aan bezoekers van haar site toegang tot beschermde werken te verlenen. Zij heeft op haar website een aparte categorie voor pornovideo's aangemaakt, waardoor de op haar site geplaatste pornovideo's voor gebruikers eenvoudig toegankelijk zijn. Video's die in de categorie XXX niet thuishoren, maar daar desalniettemin zijn geplaatst, verplaatst 123 Video (al dan niet na een melding) naar een andere categorie."

Daarbij neemt de rechtbank voor onweersproken en dus waar aan dat:

"Bijna alle andere grote online pornosites hebben hetzelfde gedaan:
eerst veel materiaal naar de site laten uploaden. Dat genereert het nodige verkeer naar de site. ... Zodra er voldoende verkeer naar de site is, wordt de content gelegaliseerd. [...] De rechtbank houdt het er daarom voor dat de aanwezigheid van illegale content binnen de categorie XXX eerder regel dan uitzondering was."

123video faciliteert dus niet slechts het uploaden van filmpjes maar publiceert ze zelf opnieuw. En daarbij mag ze géén beroep doen op de uitsluiting voor aansprakelijkheid voor tussenpersonen: 123 laat zich "wel degelijk in met de van gebruikers afkomstige informatie, alsmede dat zij controle heeft over die informatie en de gebruikers van de website van 123 Video". Het beroep op 6:196c BW wordt dan ook afgewezen.

Kim Holland wordt opgeroepen nader bewijs te leveren dat zij auteursrechthebbende is op de filmpjes.

Lees de uitspraak hier.

Inmiddels ook verschenen op IEForum.