Internet

IT 2181

Geen maatschap ontstaan door samenwerking bij Bitcoin betaalplatform, geen beheersregeling als bestaan gemeenschap nog niet zeker is

Rechtbank , IT 2181; (PikaBay I, II, III), http://www.itenrecht.nl/artikelen/geen-maatschap-ontstaan-door-samenwerking-bij-bitcoin-betaalplatform-geen-beheersregeling-als-bestaa

Rechtbank Midden-Nederland 24 december 2015 (PikaPay I); Rechtbank Midden-Nederland 18 mei 2016 (PikaPay II); Beschikking Ktr. Rechtbank Amsterdam 16 november 2016, IT 2181 (PikaPay III) Bitcoin. Dhr. Bontje is met een zakenpartner enkele jaren geleden een samenwerking begonnen. De samenwerking zag op de ontwikkeling van een betalingsplatform voor bitcoin. Dit platform, genaamd ‘PikaPay’ diende het mogelijk te maken om via Twitter bitcoins aan elkaar over te maken. Een bij PikaPay aangesloten gebruiker kon bijv., theoretisch, 0.5 bitcoin overmaken aan het Twitter-account van de minister president @MinPres. De daadwerkelijke betaling verliep vervolgens niet via Twitter, maar via PikaPay zelf. Bovengenoemd platform is zowel creatief als technisch ontwikkeld door onze cliënt. Hoewel partijen aanvankelijk intensief wilden samenwerken en overeenkomsten sloten om bepaalde vennootschappen op te richten, is het van een intensieve samenwerking (of de oprichting van deze vennootschapen) nooit gekomen. Na ongeveer 2 jaar proef te hebben gedraaid constateerde Bontje dat het platform weinig aantrekkelijk bleek voor de markt en besloot de samenwerking met de wederpartij te beëindigen. Partijen zijn daarna niet tot een vergelijk gekomen. Omdat het onbeheerd laten van een betalingsplatform onverstandig leek, heeft cliënt over een periode van 2 jaar PikaPay afgesloten.

De kern van het vonnis d.d. 24 december 2015 is gelegen in r.o. 4.4, derde en vierde alinea: het enkele samenwerken en het opstellen van overeenkomsten tot oprichting van vennootschappen (waar geen uitvoering aan is gegeven) veronderstelt nog geen maatschap.

De kern van het vonnis d.d. 18 mei 2016 is gelegen in r.o. 4.6: een executant die een uitkering beslaat via een derdenbeslag (op de bankrekening waar de uitkering gestort werd) maakt geen misbruik van bevoegdheid ex. art. 3:13 BW als de geëxecuteerde nog bitcoin onder zich houdt.

De kern van de beschikking van 16 november jl. is gelegen in r.o. 8: een verzoek tot beheersregeling ex. art. 3:168 lid 2 BW kan niet worden getroffen als nog niet vaststaat dat er sprake is van een gemeenschappelijk auteursrecht (een stelling die voor het eerst ter zitting werd opgeworpen). Voor zover ik weet is de jurisprudentie m.b.t. beheersregelingen van gemeenschappelijke intellectuele eigendom zeer beperkt.

IT 2174

Conclusie AG: Plaats waar houder van exclusieve distributierecht verkoopdaling heeft, is schadebrengende feit

Hof van Jusitie EU 9 nov 2016, IT 2174; ECLI:EU:C:2016:843 (concurrence tegen Samsung en Amazon), http://www.itenrecht.nl/artikelen/conclusie-ag-plaats-waar-houder-van-exclusieve-distributierecht-verkoopdaling-heeft-is-schadebrengen

Conclusie AG HvJ EU 9 november 2016, IEF 16382; IEFbe 1997; IT 2174; ECLI:EU:C:2016:843; Zaak C‑618/15 (concurrence tegen Samsung en Amazon) Procesrecht. Bevoegdheid. Verbintenissen uit onrechtmatige daad. Selectief distributienetwerk met verbod op online doorverkoop buiten een netwerk. Concurrence is een elektronicadetailhandel met een winkel in Parijs en verkoop via een website. Zij heeft met verweerster Samsung een selectieve distributieovereenkomst gesloten voor de verkoop van Samsung-producten. Samsung verwijt nu verzoekster doorverkoop via een onlinemarktplaats het contractuele beding te schenden en beëindigt de relatie. Vordering tot staking van de onrechtmatige verstoring. Aanknopingspunt schadebrengende feit. Conclusie AG:

Artikel 5, punt 3, van EEX-Vo moet aldus worden uitgelegd dat, in geval van schending van het verbod op verkoop buiten een exclusief distributienetwerk door middel van een online aanbod, op websites in verschillende lidstaten, van producten die onder het exclusieve recht vallen, als de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan moet worden aangemerkt: de plaats waar de houder van het exclusieve distributierecht te maken heeft met een verkoopdaling, welke plaats samenvalt met het grondgebied waarop zijn recht wordt beschermd. De oorsprong van de websites waar de betrokken producten op worden aangeboden, is niet relevant bij de vaststelling van de rechterlijke bevoegdheid.

 

IT 2169

Verbod negatief uitlaten over niet voldoen aan Gedragscode Mobiele Diensten, afgewezen

Rechtbank 15 sep 2016, IT 2169; (EDF Communications en X tegen Stichting Gedragscodes Mobiele Diensten), http://www.itenrecht.nl/artikelen/verbod-negatief-uitlaten-over-niet-voldoen-aan-gedragscode-mobiele-diensten-afgewezen
Stichting Gedragscodes Mobiele Diensten

Vzr. Rechtbank Amsterdam 15 september 2016, IEF 16368; RB2793; IT 2169 (EDF tegen Stichting Gedragscodes Mobiele Diensten) Mobiele dienst. EDF richt zich op de ontwikkeling en het wereldwijd op de markt brengen van applicaties voor mobiele telefoons. Na onderzoek blijkt dat EDF het in de Gedragscode (waar zij staan geregistreerd) voorgeschreven scherm dat aanbieders van mobiele internetdiensten, wanneer bij hen een bestelling wordt geplaatst, aan de consument moeten tonen om duidelijk te maken dat deze door het plaatsen van de bestelling een betalingsverplichting op zich neemt, niet toont. EDF vordert nu dat de Stichting verboden wordt uitspraken te doen of anderszins negatief uit te laten, totdat vaststaat dat EDF aan de gedragscode gebonden is en deze niet in strijd is met de wet. EDF is ook via haar contract met Dimico aan de Gedragscode gebonden is, omdat zij als de klant zich verplicht tot naleving van de Country Specific Regulations, waaronder de Gedragscode. Dat een Roemeense medewerker die het formulier van de Gedragscode invulde niet bevoegd zou zijn en het Engels niet voldoende beheerst, is onaannemelijk. Het is niet aannemelijk dat de gevorderde verboden in een bodemprocedure worden toegewezen, en wordt in kort geding afgewezen.

IT 2165

Vodafone handelt onrechtmatig door de weigering om NAW-gegevens van abonnee bekend te maken

Rechtbank 24 okt 2016, IT 2165; ECLI:NL:RBLIM:2016:9210 (X tegen VODAFONE LIBERTEL B.V.), http://www.itenrecht.nl/artikelen/vodafone-handelt-onrechtmatig-door-de-weigering-om-naw-gegevens-van-abonnee-bekend-te-maken
vodafone

Vzr. Rechtbank Limburg 24 oktober 2016, IT 2165; ECLI:NL:RBLIM:2016:9210 (X tegen VODAFONE LIBERTEL B.V.) Onrechtmatig handelen. NAW-gegevens. Eiser verlangt dat Vodafone de NAW-gegevens verstrekt van de abonnee aan wie het IP-adres toebehoort, omdat er een Facebookpagina was aangemaakt waarin mensen stelden gedupeerd te zijn door de winkel van eiser. Eiser vordert bij Vodafone alle bij haar bekende gebruikers/contactgegevens, waaronder de naam, woonplaats en behorende bij het IP-adres. Vodafone weigert. Het gaat nu om de vraag of de weigering van Vodafone om de NAW-gegevens van haar abonnee aan eiser bekend te maken in strijd met de zorgvuldigheid die zij jegens eiser in acht dient te nemen. Na toetsing aan deze criteria uit het Lyco/Pessers arrest komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat Vodafone onrechtmatig handelt jegens eiser. Het is volgens de rechtbank voldoende aannemelijk dat dergelijke beschuldiging op Facebook, indien vast zou komen te staan dat deze niet op een feitelijke grondslag berust, onrechtmatig is jegens de eiser. In dat geval is het niet ondenkbaar dat eiser ten gevolge van deze mogelijk onrechtmatige uitlatingen schade, zoals bijvoorbeeld reputatieschade, heeft geleden.

IT 2166

Rectificatie als proportioneel middel nu beschuldigingen over (mede-eigenaar van) Sint Martinus University ongefundeerd zijn

Overige instanties 19 okt 2016, IT 2166; ECLI:NL:OGEAC:2016:107 en ECLI:NL:OGEAC:2016:108 (mede-eigenaar van Sint Martinus University tegen gedaagde en Sint Martinus University N.V. tegen gedaagde), http://www.itenrecht.nl/artikelen/rectificatie-als-proportioneel-middel-nu-beschuldigingen-over-mede-eigenaar-van-sint-martinus-univer
Sint Martinus University

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 19 oktober 2016, IT 2166; ECLI:NL:OGEAC:2016:107 en ECLI:NL:OGEAC:2016:108 (mede-eigenaar van Sint Martinus University tegen gedaagde en Sint Martinus University N.V. tegen gedaagde). Rectificatie. Ongefundeerde beschuldigingen. Eisers in deze zaken zijn de Sint Martinus University en een mede-eigenaar van Sint Martinus University (SMU), een medische school op Curaçao. Beschuldigingen van gedaagde aan het adres van eiseres houden in dat eiseres het systeem bedriegt door illegale medewerkers aan te stellen en documenten van studenten uit India vervalst, om meer studenten te werven en dus meer geld te verdienen. Sint Martinus University stelt dat de school schade lijdt, zowel financieel als wat betreft de eer en goede naam. Ook wat betreft de mede-eigenaar gaat het om zware beschuldigingen die een ernstige inbreuk vormen op de goede naam van eiseres, maar waarmee - indien ze juist zijn - ook een ernstige misstand aan de kaak zou worden gesteld. Eisers vorderen rectificatie van deze beschuldigingen. Het gerecht stelt dat het uiten van deze ongefundeerde beschuldigingen onrechtmatig is. Het is in het belang van eisers noodzakelijk dat een en ander wordt rechtgezet. Rectificatie is daartoe een adequaat middel en ook proportioneel, voor zover de rectificatie wordt beperkt tot de digitale krant waarin gedaagde de beschuldigingen heeft geuit.

IT 2163

Vragen aan HvJ over de hoedanigheid als 'consument' bij zakelijke gebruik privé-Facebookaccount

Hof van Jusitie EU 3 nov 2016, IT 2163; C-498/16 (X tegen Facebook Ireland), http://www.itenrecht.nl/artikelen/vragen-aan-hvj-over-de-hoedanigheid-als-consument-bij-zakelijke-gebruik-priv-facebookaccount
Facebook

HvJ EU, 3 november 2016, IEFBE 1987; IT 2163; C-498/16 (X tegen Facebook Ireland) Social media. Consumenten. Ten behoeve van die voorgenomen procedures, voorlichting en bewustmaking heeft verzoeker een vereniging (zonder personeel en zonder winstoogmerk) opgezet. Zijn klacht luidt dat verweerster talrijke inbreuken pleegt op gegevensbeschermings-rechtelijke regelingen die in de OOS (en andere) databeschermingswetten zijn verankerd. De internationale bevoegdheid van de rechter ontleent verzoeker aan het forum consumentis (verzoeker is OOS staatsburger). Maar verweerster stelt dat verzoeker zich wegens zijn commerciële activiteiten daarop niet kan beroepen en wegens de on-overdraagbaarheid van forum consumentis kan verzoeker geen gebruik maken van de aan hem gecedeerde rechten. De rechter in eerste aanleg wijst de vordering af op grond van het beroepsmatige gebruik van Facebook door verzoeker. Het oordeel na beroep is voor beide partijen aanleiding beroep in Revision aan te vragen. Partijen zijn het niet eens dat verzoeker een consument is. Verzoeker baseert zich daarbij op de overeenkomst met verweerster inzake zijn particuliere facebookaccount, en die tussen de cedenten en verweerster. Op grond van de huidige stand van de jurisprudentie kan de rechter geen zekerheid geven over in hoeverre een consument die door andere consumenten rechten aan hem laat cederen om deze gezamenlijk geldend te maken zich op ‘ forum consumentis’ kan beroepen. Hij legt de volgende vragen voor aan het HvJEU:

IT 2162

Europese Hof van Justitie: Dynamisch IP-adres is persoonsgegeven

Op 19 oktober 2016 oordeelde het Europese Hof van Justitie (HvJ EU) in het Breyer/ Duitsland arrest (IT 2155, red.) dat dynamische IP-adressen persoonsgegevens kunnen zijn in de zin van de Privacyrichtlijn 95/46. Deze richtlijn is geïmplementeerd in onze Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). 
Hieronder zal kort uiteengezet worden hoe het HvJ EU tot haar oordeel is gekomen en wat dit voor de praktijk betekent ('lees meer', red.)

IT 2156

Software gebruik na het beëindigen van de samenwerking

Rechtbank 24 aug 2016, IT 2156; ECLI:NL:RBGEL:2016:5198 (DEVINE SOFTWARE DEVELOPMENT B.V. tegen gedaagde), http://www.itenrecht.nl/artikelen/software-gebruik-na-het-be-indigen-van-de-samenwerking
devine software

Rechtbank Gelderland 24 augustus 2016, IEF 2156; ECLI:NL:RBGEL:2016:5198 (DEVINE SOFTWARE DEVELOPMENT B.V. tegen gedaagde) Het gaat in deze zaak onder andere om de vraag of het gebruik van software na het beëindiging de samenwerking in het kader van onderneming studie- en huiswerkbegeleiding onrechtmatig is. Daarnaast is de vraag aan de orde of het achterhouden van de boekhouding onrechtmatig is. Van onrechtmatig gebruik van de software door ondernemingen van gedaagde is sprake als het gebruik van de software is verkregen van een partij die daar niet toe gerechtigd is, in casu anderen dan DSD. De enkele ontkenning van gedaagde dat het pakket nog door zijn ondernemingen of door derden met zijn toestemming gebruikt wordt is niet voldoende om de vordering van DSD in zoverre af te wijzen. DSD zal in de gelegenheid gesteld worden haar vordering nader te onderbouwen en te specificeren en bij volgehouden betwisting bewijs bij te brengen.