Telecomrecht

IT 1224

Staat van de Ether 2012

Agentschap Telecom, Staat van de Ether 2012, Bijlage bij Kamerstukken II, 24 095 nr. 351.
Telecom. Het bezit van smartphones, tablets en andere apparatuur is de laatste jaren sterk gestegen. Draadloze toepassingen zijn niet meer weg te denken uit ons dagelijks leven. Telefoon, internet en e-mail zijn van wezenlijk belang voor het functioneren van onze huidige samenleving. Velen gebruiken in hun vrije tijd apps, luisteren online naar muziek of kijken naar tv of film via een mobiel apparaat. Het mobiele netwerk is daarmee een belangrijke levensader voor onze samenleving geworden. Zonder mobiel netwerk geen mobiele communicatie. (...)

Telecommunicatie bestaat allang niet meer alleen uit bellen. En het koperen draadje dat in vroeger tijden de basis voor ons netwerk vormde heeft zich ontwikkeld tot een omvangrijke en hoogwaardige technologische infrastructuur. Telecommunicatie is essentieel geworden voor ons dagelijks functioneren en een belangrijk onderdeel van de Nederlandse vitale infrastructuur.

Inhoudsopgave
Voorwoord 5
Inleiding 6
Telecom 8
Waarborgen moderne telecommunicatie 9
Waarborgen betrouwbare telecommunicatie 16
Media 24
Herstel en ontwikkeling 25
Vitale infrastructuren 38
Telecommunicatie: een vitale infrastructuur 39
1-1-2 storing 41
Loket Meldplicht Continuïteitsverstoringen 42
WION 44
Vergunningsvrije toepassingen en apparatuur 48
Meer ruimte voor vergunningsvrij frequentiegebruik 49

IT 1222

Resultaten onderzoek CBP naar packet inspection door telecomaanbieders

Uit het persbericht: Het College bescherming persoonsgegevens (CBP) publiceert vandaag zijn rapporten naar aanleiding van het onderzoek naar analyse van het dataverkeer (packet inspection) over het mobiele netwerk door de telecomaanbieders KPN, Tele2, T-Mobile en Vodafone. Deze vier telecomaanbieders zijn de grootste mobiele netwerkaanbieders in Nederland. Tijdens het onderzoek constateerde het CBP bij alle bedrijven overtredingen van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) en de Telecommunicatiewet (Tw). De bedrijven bleken onder meer in strijd met de wet op detailniveau gegevens te bewaren over de bezochte websites en gebruikte apps. Dergelijke gegevens moeten op basis van de wet zo snel mogelijk na het verzamelen worden verwijderd of onomkeerbaar worden geanonimiseerd. Gegevens over bezochte websites en gebruikte apps via de mobiele telefoon zeggen veel over het gedrag en de voorkeuren van mensen. Het is in veel gevallen niet noodzakelijk om deze gegevens op klantniveau te bewaren.

Uit het onderzoek kwam ook naar voren dat klanten niet of onjuist worden geïnformeerd over het feit dat de telecomaanbieders deze gedetailleerde informatie over hen verzamelen en wat zij ermee doen. Dit gebrek aan transparantie is ook in strijd met de wet.

Een deel van de geconstateerde overtredingen is inmiddels naar aanleiding van het onderzoek beëindigd. Het CBP zal nu controleren in hoeverre geconstateerde overtredingen nog voortduren en beslissen of het handhavende maatregelen zal nemen.

Lees het rapport van definitieve bevindingen van KPN (8,4 MB)
Lees het rapport van definitieve bevindingen van Tele2 (7 MB)
Lees het rapport van definitieve bevindingen van T-Mobile (9,1 MB)
Lees het rapport van definitieve bevindingen van Vodafone (10,8 MB)

K​PN
KPN heeft naar aanleiding van het onderzoek van het CBP maatregelen getroffen waardoor de geconstateerde overtredingen zijn beëindigd. De telecomaanbieder handelde in strijd met de wet door de voor het beheer van het netwerk verzamelde gegevens over websitebezoek en appgebruik niet zo snel mogelijk onomkeerbaar te anonimiseren of te verwijderen. Het bedrijf heeft de betreffende apparatuur voor data-analyse nog tijdens het onderzoek stopgezet en de hiermee verzamelde gegevens verwijderd. Inmiddels heeft KPN aangegeven apparatuur in gebruik te hebben genomen die gegevens zo snel mogelijk na het verzamelen anonimiseert.

Tele2
Het CBP heeft bij Tele2 meerdere overtredingen geconstateerd die op één overtreding na nog voortduren. Tele2 overtreedt onder meer de wet door de gegevens over websitebezoek en appgebruik van klanten weliswaar te versleutelen, maar niet zo snel mogelijk na het verzamelen onomkeerbaar te anonimiseren. Het bedrijf blijkt deze gegevens gedurende een jaar te bewaren. Tele2 gebruikt bovendien zonder toestemming van zijn klanten de verzamelde gegevens voor marktonderzoeksdoeleinden. Ook dat is in strijd met de wet.
Tele2 heeft naar aanleiding van het onderzoek inmiddels een algemene privacyverklaring opgesteld waarmee het bedrijf zijn abonnees informeert. Deze privacyverklaring is echter nog onvolledig. In geval van onderhoud en/of storingswerkzaamheden biedt Tele2 toegang tot de persoonsgegevens aan een ander bedrijf buiten de Europese Unie waar geen sprake is van een passend beschermingsniveau. Tele2 heeft inmiddels stappen aangekondigd om deze overtreding te beëindigen.

T-Mobile
T-Mobile heeft een aantal overtredingen van de wet inmiddels (ten dele) beëindigd naar aanleiding van het onderzoek. Het bedrijf is nog altijd in overtreding omdat het e-mailadressen niet zo snel mogelijk verwijdert. T-Mobile heeft verder weliswaar zijn privacyverklaring aangepast, maar deze is nog niet helder over de bewaartermijnen.

Vodafone
Vodafone heeft een aantal overtredingen van de wet inmiddels (ten dele) beëindigd naar aanleiding van het onderzoek. Vodafone bewaart ondanks aanpassingen een persoonsgegeven nog langer dan noodzakelijk is voor het detecteren en oplossen van problemen in het netwerk (netwerkmonitoring). Hierdoor is Vodafone op dit onderdeel nog in overtreding. Tijdens het onderzoek bleek dat Vodafone persoonsgegevens met betrekking tot websitebezoek en appgebruik op detailniveau bewaarde. Vodafone heeft inmiddels verklaard dat dit niet meer gebeurt.
Na sluiting van het onderzoek heeft Vodafone ook de nog tekortschietende privacyverklaring en de verplichte melding (van de gegevensverwerking) bij het CBP aangepast.

Achtergrond
In het voorjaar 2011 besloot telecomtoezichthouder OPTA (inmiddels opgegaan in de ACM) na berichten in de media over diepgaande analyse van het berichtenverkeer een ‘quick-scan’ te starten onder de vier telecomaanbieders KPN, Vodafone, T-Mobile en Tele2. In deze quick-scan is nagegaan of en hoe deze partijen hun dataverkeer analyseren. Op basis van deze quick-scan concludeerde OPTA eind juni 2011 dat er in dat stadium van het onderzoek op basis van de Telecommunicatiewet geen aanleiding was voor handhavend optreden. OPTA heeft op basis van het samenwerkingsprotocol met het CBP haar voorlopige bevindingen ter beschikking gesteld aan het CBP ten behoeve van zijn onderzoek.

 

IT 1213

Frankrijk schendt machtigingsrichtlijn

HvJ EU 27 juni 2013, zaak C-485/11(Vodafone Malta en Mobisle Communications) - dossier - persbericht
Niet-nakoming – Schending van artikel 12 van richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (PB L 108, blz. 21) – Bijdragen en vergoedingen voor ondernemingen met een algemene machtiging – Verenigbaarheid van een nationale wettelijke regeling waarbij een bijkomende bijdrage wordt opgelegd aan operatoren van elektronische telecommunicatie. Beroep wordt afgewezen.

Uit het persbericht: The Authorisation Directive does not preclude either the special charge levied in France on electronic communications operators or the Maltese excise duty on mobile telephony services. That directive does not restrict Member States’ powers to impose non-administrative charges in respect of the provision of electronic communications services.

(...) In its judgment today, the Court points out, first, that the administrative charges covered by the Directive represent remuneration and that the only purpose of such charges is to cover the administrative costs incurred in the issue, management, control and enforcement of the general authorisation scheme in the field of electronic communications. Thus, a charge the trigger3 for which is linked to the general authorisation procedure for access to the electronic

telecommunications services market constitutes an administrative charge within the meaning of the Directive and may be imposed only in accordance with the requirements set out in the Directive.

However, the Court finds that the trigger for the charge in question is linked neither to the general authorisation procedure for access to the electronic telecommunications services market nor to the grant of a right to use radio frequencies or numbers. Indeed, that charge relates to the operator’s activities, which consist in providing electronic communications
services to end users in France.

The Court observes in that regard that the charge at issue is not levied on all electronic communications operators holding a general authorisation or a right to use radio frequencies or numbers but only on operators holding a general authorisation who already provide their services on the electronic communications services market to end users. It is not therefore levied simply on the basis of the fact that the operator holds a general authorisation or has the right to use radio
frequencies or numbers but is linked to the operator’s business of providing communications services.
In those circumstances, the Court finds that the charge at issue does not constitute an administrative charge within the meaning of the Directive and does not therefore fall within its scope. Consequently, the Court dismisses the Commission’s action.

IT 1210

Machtigingrichtlijn staat telefonieoperatoren toe accijns te heffen

HvJ EU 27 juni 2013, zaak C-71/12 (Vodafone Malta en Mobisle Communications) - dossier - persbericht
Verzoek om een prejudiciële beslissing, Qorti Kostituzzjonali, Malta.
Telecom. Uitlegging van de artikelen 12 en 13 van richtlijn 2002/20/EG machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en –diensten. Nationale regelgeving die de operatoren van mobiele telefonie aan een heffing onderwerpt. Heffing enkel te betalen door de operatoren van mobiele telefonie en niet door andere ondernemingen die elektronischecommunicatiediensten ter beschikking stellen. Het Hof verklaart voor recht:

Artikel 12 van richtlijn 2002/20/EG [...] (machtigingsrichtlijn) moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan de regeling van een lidstaat als aan de orde in het hoofdgeding op grond waarvan de operatoren die mobieletelefoniediensten aanbieden een recht – „accijns” genaamd – zijn verschuldigd ten belope van een percentage van de betalingen die zij van de gebruikers van deze diensten ontvangen, op voorwaarde dat het belastbare feit waarop dat recht is gebaseerd, geen verband houdt met de algemene machtigingsprocedure ter verkrijging van toegang tot de markt voor elektronischecommunicatiediensten, maar met het gebruik van door de operatoren aangeboden mobieletelefoniediensten en dat recht uiteindelijk door de gebruiker van deze diensten wordt betaald. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of dat het geval is.

 

Vragen:

„Verbiedt [de machtigingsrichtlijn], en in het bijzonder de artikelen 12 en 13 ervan, de lidstaten om een fiscale last op te leggen aan operatoren van mobiele telecommunicatie, te weten:
a)      een recht, accijns genaamd, dat bij een nationale wettelijke regeling is ingevoerd;
b)      dat wordt berekend als een percentage van de vergoedingen die operatoren van mobiele telefonie van hun gebruikers vragen voor de door hen verrichte diensten, met uitzondering van de diensten die bij wet zijn vrijgesteld;
c)      dat individueel aan de operatoren van mobiele telefonie wordt betaald door hun gebruikers en vervolgens door alle aanbieders van mobieletelefoniediensten wordt overgemaakt aan de douanecontroleur, en dat enkel verschuldigd is door deze operatoren en niet door andere ondernemingen, daaronder begrepen de ondernemingen die andere elektronischecommunicatienetwerken en ‑diensten ter beschikking stellen?”
IT 1209

Begrip 'getroffen' in kaderrichtlijn

Prejudiciële vragen gesteld aan HvJ EU 24 april 2013, zaak C-282/13 (T-Mobile tegen Telekom-Control-Kommission) - dossier
Prejudiciële vragen gesteld door Verwaltungsgerichtshof (Oostenrijk).
Communicatie. Telecom. Dienstenrichtlijn. Orange Austria Telecommunication GmbH wordt overgenomen door Hutschison 3G Austria GmbH. Daarnaast is A1 Telekom Austria AG betrokken. Zij bieden net als verzoekster telecommunicatiediensten aan en hebben conform de telecomwet toestemming gevraagd voor de fusie en overdracht van frequenties.

Verzoekster heeft bij de Oostenrijkse Toezichthouder (verweerster) bezwaar gemaakt tegen de fusie omdat zij concurrentieverstoring voorzag. Verweerster heeft verzoeksters wens om in de procedure als partij te worden gehoord, alle stukken betekend te krijgen alsmede mededeling van de mogelijkheid tot beroep tegen de uiteindelijke beslissing te verkrijgen afgewezen. De vergunning is uiteindelijk onder voorwaarden verleend: één van de partners moet frequentierechten overdragen aan een derde, en dat is de hiervoor genoemde onderneming A1 geworden.

Verzoekster gaat tegen die beslissing in beroep. Zij meent dat bij de overdracht van gebruiksrechten (door wijzigingen in eigendomsstructuren van ondernemingen) ook concurrenten kunnen worden ‘getroffen’ in de zin van artikel 4.1 van de kaderrichtlijn.

De verwijzende Oostenrijkse rechter vraagt zich af wat in dit verband precies onder de term ‘getroffen’ moet worden verstaan. Hij kan niet uitsluiten dat verzoekster als houdster van rechten voor frequentiegebruik als ‘getroffen’ moet worden beschouwd, en besluit een vraag aan het HvJEU te stellen:

“Moeten de artikelen 4 en 9 ter van richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en –diensten (kaderrichtlijn) (PB L 108, blz. 33), juncto artikel 5, lid 6, van richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en –diensten (machtigingsrichtlijn) (PB L 108, blz. 21) aldus worden uitgelegd dat op grond daarvan een concurrent in een in artikel 5, lid 6, van de machtigingsrichtlijn bedoelde nationale procedure de hoedanigheid van getroffen onderneming in de zin van artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn heeft?”

IT 1203

Prejudiciële vragen over uitleg Richtlijn 2002/20/EG

Prejudiciële vragen gesteld aan HvJ EU 7 mei 2013, gevoegde zaken C-256/13 en C-264/13 (Belgacom ea) - dossier zaak C-256/13 en zaak C-264/13
Prejudiciële vraag gesteld door Hof van Beroep Antwerpen, België. Belasten economische activiteit. Vergoeding. Richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische communicatienetwerken en diensten (‘Machtigingsrichtlijn’).

Verzoekster Belgacom (zaak C-256/13) levert telecommunicatiediensten. Zij is het oude staatsbedrijf en heeft van oudsher een netwerk. De pylonen die reeds voor vaste telefonie werden gebruikt worden nu ingezet voor de mobiele telefoondiensten. Om het hele grondgebied van België te bestrijken zijn meer pylonen, die enkel voor mobiele telefonie bestemd zijn, geïnstalleerd op (bestaande, gehuurde) gebouwen of speciaal daarvoor opgerichte bouwwerken. In 2006 is een Algemene Provinciebelasting Bedrijven 2007 op ‘vestigingen’ aangenomen. Voor de provincie Antwerpen ontvangt verzoekster voor drie vestigingen in totaal een aanslag van € 297,00. Zij dient in december 2007 een bezwaarschrift in, en in december 2008 een aanvulling. De provincie verwerpt het bezwaarschrift. Verzoekster ontvangt een aanvullende aanslag (jaar 2007bis) ten bedrage van € 45.441,-. Ook tegen die aanslag dient verzoekster 1 december 2008 bezwaar in dat al op 9 december wordt afgewezen. Er volgt nog een aanslag (2007ter) voor een bedrag van € 3.960,- waartegen ook weer bezwaar wordt gemaakt maar ook dit wordt verworpen.

Verzoekster is van mening dat voor de aanslagen een geldige rechtsgrondslag ontbreekt (publicatie van de regel had nog niet plaatsgevonden op moment van oplegging). Zij stapt naar de rechter die de vier zaken samenvoegt. De rechter in eerste instantie stelt verzoekster in het gelijk dat de provincialeregeling in strijd is met ‘de wet’. Verweerster (Provincie) gaat in beroep. Zij houdt vol dat verzoekster onroerende zaken in bezit heeft (voor de zendmasten) die als ‘vestigingen’ beschouwd worden. Deze bouwwerken komen niet in aanmerking voor belastingvrijdom. Verzoekster stelt dat de regeling weliswaar grondwetconform is maar indruist tegen RL 2002/20, de ‘machtigingsrichtlijn’, met name artikel 13 volgens welk artikel alleen een vergoeding mag worden gevraagd, geen belasting mag worden geheven.

De verwijzende Belgische rechter acht het stellen van een vraag aan het HvJEU noodzakelijk om deze zaak te kunnen beslissen:  "Moet(en) artikel 6 en/of artikel 13 van richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische communicatienetwerken en diensten (Machtigingsrichtlijn) aldus worden uitgelegd dat zij/het in de weg staan/staat dat het een overheid van een lidstaat toegelaten is om de economische activiteit van de telecomoperatoren die op het grondgebied of een deel ervan verwezenlijkt wordt door de aanwezigheid op publiek of privaat domein van gsm-masten, -pylonen of -antennes die voor die activiteit worden aangewend, te belasten om budgettaire of andere redenen?"

Zaak C-264/13: In deze zaak is verzoekster Mobistar NV is tevens leverancier van mobiele diensten. De bedragen zijn anders maar de kern van de zaak is hetzelfde.

IT 1197

Riksdag: Opinie kostenreductie high-speed electronic communication network

Reasoned opinion by the Swedish Parliament on the proposal for a Regulation of the European Parliament and of the Council on measures to reduce the cost of deploying high-speed electronic communications networks, COM(2013)0147 - C7-0082/2013 - 2013/0080(COD)
Swerige RiksdagTelecom. The Riksdag considers that the measures proposed in the Commission proposal are necessary at the level of the Union to improve the conditions for the establishment and functioning of the internal market. The Riksdag can thus endorse the Commission’s assessment with respect to the subsidiarity principle. Many of the proposals in the regulation are, however, complex and the Riksdag notes that these would both affect and require changes in a number of provisions.

 

The government’s explanatory memorandum in response to the Commission proposal (2012/13: FPM92) identifies areas such as the Land Law (1970:994), the Law on Electronic Communications (2003:389), the Rights of Way Act (1973:1144), the Joint Facilities Act (1973:1149), the Expropriation Act (1972:719) and the Planning and Building Act (2010:900). In this context, the Riksdag questions the appropriateness of the Commission’s choice of legal instrument. A regulation is by definition directly applicable in the Member States – as noted above, however, the Commission’s proposal seems to imply the need for a number of changes to national legislation. It thus appears more appropriate to the Riksdag that the proposed EU rules take the form of a directive form rather than a regulation.

The Riksdag also considers that some elements of the proposed regulation are extensive and far-reaching, especially as regards landowners’ rights and the protection of property rights. The Riksdag believes that this may raise doubts as to whether the measures are proportionate for achieving the objectives of the proposal.

IT 1195

Herroeping boetebesluit vanwege overtreding Bude

CBB 20 juni 2013, LJN CA3716 (ACM  in hoger beroep)
Zie eerder Rb Rotterdam. Telecommunicatiewet - Herroeping boetebesluit. Softwarepakket. Overtreding 4.1 lid 1 Besluit universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen (Bude).

Volgens ACM hebben A c.s. gedurende de periode oktober 2005 tot 15 november 2006 onder de naam DollarRevenue via het internet toegang verkregen tot (software)gegevens op de computers van eindgebruikers dan wel (software)gegevens opgeslagen op de computers van eindgebruikers zonder daaraan voorafgaand deze eindgebruikers duidelijk en nauwkeurig te informeren over de doeleinden van die toegang dan wel gegevensopslag. Bovendien werd de eindgebruikers volgens ACM niet op een voldoende kenbare manier een gelegenheid geboden om de betreffende handeling te weigeren. De rechtbank heeft het beroep van D en C gegrond verklaard en het beroep van A, B en E ongegrond verklaard.

Het Bude is een algemene maatregel van bestuur, die is gebaseerd op de Telecommunicatiewet (Tw). Artikel 4.1 Bude is per 5 juni 2012 komen te vervallen en vervangen door artikel 11.7a Tw.

In citaten:
Volgens ACM hebben A, B, C, D en E allen zelfstandig de norm overtreden. Tevens is volgens ACM sprake van functioneel daderschap. Volgens A, B, C, D en E zijn, voor zover sprake is van een overtreding, de affiliates de overtreders.
Het softwarepakket was op zichzelf niet in strijd met artikel 4.1 Bude. Evenmin is het (opstellen en) ter beschikking stellen aan een derde van een tekortschietende EULA op zichzelf in strijd met deze bepaling.

3.7.3. Het College concludeert dat A, B, C, D of E niet als overtreders kunnen worden aangemerkt. Er bestond daarom geen grond voor het opleggen van de boetes. Gelet op deze conclusie behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.

3.6  Overtreding
3.6.1  Volgens ACM is de software van DollarRevenue op verschillende manieren geïnstalleerd op de computer van de eindgebruikers. ACM onderscheidt hierbij twee categorieën. De eerste categorie bestaat uit verspreiding via .exe linkbestanden. Dit betreft installaties via botnets, exploits en misleidende of onschuldig ogende bestandstypen. De tweede categorie betreft installatie via Active X. Volgens ACM is bij alle installatiemethoden artikel 4.1, eerste lid aanhef en onder a èn b, Bude overtreden. Bij de installatiemethoden in de eerste categorie is artikel 4.1 Bude overtreden, omdat het inherent is aan deze installatiemethoden dat geen informatie en weigeringsmogelijkheid wordt gegeven. Bij installatie via Active X is het bepaalde in artikel 4.1, eerste lid, aanhef en onder a, Bude overtreden, omdat de informatie in het Active X-venster en wijze waarop de gebruikers in dat venster naar de EULA werden verwezen niet voldeed aan de eisen van deze bepaling. Bovendien voldeed de inhoud van de EULA niet aan de norm 'op een duidelijke en nauwkeurige wijze informeren'. Tevens is bij installatie via Active X artikel 4.1, eerste lid, aanhef en onder b, Bude overtreden, omdat weliswaar een weigeringsmogelijkheid werd geboden, maar het niet voldoende kenbaar was welke handelingen werden geweigerd. Er werd de eindgebruikers geen expliciete mogelijkheid geboden om de voor hen onbekende en automatisch meegeïnstalleerde software te weigeren, aldus ACM. A c.s. betwisten dat sprake is van overtreding van artikel 4.1 Bude.

Het College:
- verklaart het hoger beroep van D en C niet-ontvankelijk;
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank op het beroep van C en D heeft beslist;
- vernietigt de aangevallen uitspraak voor het overige (inclusief de proceskostenveroordeling en vergoeding griffierecht);
- doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen:
- verklaart het beroep van A, B en E tegen het besluit op bezwaar van 18 juni 2006 gegrond;
- vernietigt het besluit op bezwaar van 18 juni 2006 in zoverre;
- herroept het boetebesluit in zoverre;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- veroordeelt ACM in de door appellanten in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep gezamenlijk gemaakte proceskosten en in de door A, B en E in verband met de behandeling van het hoger beroep gezamenlijk gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 5.664,-- (zegge: vijfduizendzeshonderdvierenzestig euro);
- gelast dat ACM aan appellante het door hen voor de behandeling van het beroep gezamenlijk betaalde griffierecht ten bedrage € 288,-- (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt;
- gelast dat ACM aan appellanten het door hen voor de behandeling van het hoger beroep gezamenlijk betaalde griffierecht ten bedrage van € 448,-- (zegge: vierhonderdachtenveertig euro) vergoedt.

Op andere blogs:
SOLV (Boetes aan DollarRevenue geschrapt door het CBb)