IT 96

Oordeel deskundige nodig i.v.m. exoneratie

Rechtbank Rotterdam 29 juli 2009, 282253 / HA ZA 07-1011 (LJN: BJ5602). Softwaregeschil. De vraag is of een exoneratie stand houdt. De rechter besluit zich door een deskundige te laten voorlichten om zich een oordeel te vormen of toepassing van de exoneratieclausules in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. (Verder aan de orde: 6:271 en 272 BW, tekortkoming: schadevergoeding, verschuldigdheid dwangsommen uit hoofde van een kort geding vonnis, 6:194 BW, 6:60 BW). Met dank aan Hans Jansen, Vondst Advocaten.

De belangrijkste overwegingen:

"5.13 Over het beroep op het exoneratiebeding wordt als volgt overwogen. Volgens vaste jurisprudentie dient een exoneratiebeding buiten toepassing te blijven voor zover die toepassing in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, wat in het algemeen het geval zal zijn als de schade is te wijten aan opzet of bewuste roekeloosheid van de schuldenaar of van met de leiding van zijn bedrijf belaste personen. Bij de beoordeling of er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid moet de rechter reke-ning houden met alle omstandigheden waarop de partij die het beding buiten toepassing gelaten wil zien, zich heeft beroepen.

5.14 [eiseres] beroept zich - zakelijk weergegeven - in dit verband op de navolgende omstandigheden:

a. de ernst van de tekortkoming, waaronder de ernstige mate waarin dVision essentiële functionaliteiten over het hoofd heeft gezien en bepaalde functionaliteiten ten onrechte als standaard heeft aangemerkt, de ernstige mate van termijnoverschrijding (juli 2004 gepland, juli 2006 nog niet af) en de grote budgetoverschrijding, de slechte kwaliteit van het programmeerwerk, waardoor er in juli 2006 nog veel punten openstonden en de software niet bruikbaar was en in het bijzonder het onderschatten van de impact van het aantal te verwerken transacties per week;

b. dVision heeft herhaaldelijk het werk neergelegd gedurende langere periodes, waardoor evident voorzienbaar was dat er vertraging zou ontstaan terwijl [eiseres] een groot belang had bij tijdige implementatie doordat haar oude systeem zeer gebrekkig was en essentieel was voor haar bedrijfsvoering;

c. dVision schakelde onervaren werknemers in zonder voldoende begeleiding;

d. dVision presenteerde zich als een ter zake deskundige partij, van wie beter verwacht mocht worden;

e. dVision heeft een eerder project bij een andere afnemer ook volledig uit de hand laten lopen;

f. dVision is verzekerd voor beroepsaansprakelijkheid.

5.15 dVision bestrijdt deze omstandigheden. Kort gezegd betoogt zij dat zij het werk niet heeft onderschat en goed heeft uitgevoerd, dat [eiseres] te hoge en onrealistische verwachtingen had en steeds met nieuwe eisen kwam en dat het stilleggen van het werk het gevolg was van het feit dat [eiseres] niet betaalde.

5.16 De rechtbank heeft in verband met het debat over de exoneratie van dVision op verschillende punten be-hoefte aan voorlichting door een deskundige. Op de vraagstelling wordt hierna in § G nader ingegaan.

[...]

G. Benoeming deskundige en het verdere procesverloop 

[...]

b. Indien de deskundige tot de slotsom komt dat dVision niet heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwame automatiseringsdeskundige kan worden verwacht, dan wordt de deskundige voorts verzocht:

(i) in verband met de discussie over de exoneratiebedingen aan te geven:
- hoe ernstig de mate is waarin dVision tekortgeschoten is in haar verplichtingen en daarbij in te gaan op de onder 5.14a weergegeven omstandigheden;
- aan te geven in welke mate de tekortkoming voor dVision voorzienbaar was;
- in welke mate de inzet van onervaren werknemers heeft plaatsgevonden zonder voldoende begeleiding door meer ervaren werknemers en welke invloed dit op het project heeft gehad?
- in welke periodes dVision haar werkzaamheden niet heeft uitgevoerd ([eiseres] stelt bij conclusie van dupliek in reconventie dat dit de periodes januari 2005 tot en met maart 2005, september 2005 tot en met november 2005, januari 2006 tot en met maart 2006 en vanaf juni 2006 betreft, dVision heeft hierop nog niet kunnen reageren)."

Lees de uitspraak hier.

IT 95

Voorontwerp wijziging van de Auteurswet en ZZP'er in de IT.

Tot 1 oktober is een voorontwerp van het wetsvoorstel tot wijziging van de Auteurswet beschikbaar voor consultatie. De wetgever gaat in het voorstel echter voorbij aan het verschil in verdienmodel in de verschillende sectoren waarop het auteursrecht doorwerkt.

De Auteurswet is van toepassing op ‘makers van een werk’. Hierbij kan men denken aan schrijvers, tekenaars, schilders, muzikanten maar ook aan programmeurs en grafisch ontwerpers. Van deze beroepsgroepen heeft de een meer behoefte aan bescherming dan de ander. Vooral in de muziekindustrie worden beginnende artiesten niet zelden geconfronteerd met machtige platenmaatschappijen welke hun rechten praktisch gratis opkopen. Om dergelijke praktijken tegen te gaan bevat het voorontwerp een algemene regeling voor het zeer diverse rechtsgebied van het auteursrecht. Met name op het gebied van het auteurscontractrecht worden de nodige wijzigingen voorgesteld.

Hier zal niet verder worden ingegaan op de verschillen in verdienmodel, onderhandelingspositie of behoefte aan bescherming van diverse sectoren maar zullen enkele van de gevolgen van het wetsvoorstel voor de zelfstandige zonder personeel (zzp’er) in de IT branche worden beschouwd.  Bovendien zullen de recent gepubliceerde Rijksvoorwaarden bij IT-overeenkomsten (Arbit) worden bekeken aan de hand van het voorontwerp van de Auteurswet.

Het (niet) overdragen van auteursrechten.

Het wetsvoorstel is er op gericht de contractuele positie van de natuurlijk persoon als maker van een auteursrechtelijk beschermd werk te versterken. Een van de instrumenten hiervoor is dat een maker - natuurlijk persoon -, zelfs als deze gehandeld heeft in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf (denk aan freelancers / zzp’ers), de auteursrechten op zijn werk niet kan overdragen. Voor een bedrijf met rechtspersoonlijkheid blijft het wel mogelijk om auteursrechten over te dragen. Ditzelfde geldt voor auteursrechten op werken gemaakt door een werknemer in opdracht van een werkgever. Auteursrechten op computerprogrammatuur worden in het wetsvoorstel aan deze uitzonderingen toegevoegd. Bij auteursrechtelijk beschermde werken in de IT branche kan echter aan meer worden gedacht dan computerprogrammatuur; denk aan adviezen, rapporten en bijvoorbeeld websites. Een zzp’er kan zijn rechten op laatstgenoemde werken niet langer overdragen als het voorontwerp tot wet verheven wordt. Dit zou niet per definitie een probleem opleveren ware het niet dat het voorstel wat licentieverlening betreft ook regels stelt.

Alternatief voor overdracht: het verlenen van gebruikslicenties.

Omdat overdracht van auteursrechten door een natuurlijk persoon, ook al handelt deze in de uitoefening van beroep of bedrijf, wordt uitgesloten, is de zelfstandige aangewezen op licentieverlening. Wat licentieverlening betreft verandert er het volgende als het voorstel wet zal worden:

• Exclusieve licentieovereenkomsten voor een periode langer dan vijf jaar kunnen door de licentiegever tegen het einde van elk vijfde jaar worden opgezegd. 

• Makers hebben het recht op een billijke vergoeding voor het verlenen van een exclusieve licentie. Een vergoeding wordt geacht billijk te zijn, indien de hoogte daarvan is vastgesteld door de Minister van OCW in overleg met de Minster van Justitie. De Minister van OCW zal alleen een billijke vergoeding vaststellen op gezamenlijk verzoek van een branchevereniging van makers en een exploitant of een vereniging van exploitanten van deze werken. 

• De rechter kan een exclusieve licentieovereenkomst op het verzoek van de maker te zijner gunste wijzigen, indien de vergoeding die hij ontvangt een ernstige onevenredigheid vertoont.
 
• De maker kan de licentieovereenkomst ontbinden indien de exclusieve licentienemer het werk niet binnen een redelijke termijn na het sluiten van de overeenkomst exploiteert.
 
• Een exclusief licentiebeding is vernietigbaar indien het voor een onredelijk lange of onvoldoende bepaalde termijn aanspraak maakt op toekomstige werken van de maker.

Deze voorschriften komen de licentiegever alleen maar ten goede zou men in eerste instantie kunnen denken. Helaas kennen wij het principe van marktwerking, een voorbeeld:
Een opdrachtgever benadert een zzp’er voor de ontwikkeling van een website. Deze zzp’er kan zijn auteursrechten op de ontwikkelde website niet aan de opdrachtgever overdragen en zal dus een licentie verstrekken. De opdrachtgever is hier niet blij mee, de eigendom van zijn website ligt dan immers bij een persoon buiten zijn bedrijf. De opdrachtgever zal bovendien een exclusieve licentie verlangen, op een concurrent met een soortgelijke website zit hij namelijk niet te wachten.
Vervolgens zal de opdrachtgever een licentie onder ogen krijgen welke om de vijf jaar opnieuw moet worden verstrekt. Bij het opnieuw verstrekken van de licentie loopt hij het risico te worden geconfronteerd met verhoogde licentiebedragen. Als de opdrachtgever, omdat de zaken even minder gaan, het online zetten van de website uitstelt kan de licentieovereenkomst worden ontbonden. Als de zaken beter gaan dan verwacht loopt de opdrachtgever het risico dat de rechter hem verplicht meer te betalen voor de licentie.
Wat doet de opdrachtgever, hij besteedt de ontwikkeling van de website uit aan een bedrijf dat rechtspersoonlijkheid bezit zodat hij de auteursrechten wel kan overnemen en alle risico’s vermijdt. De zzp’er staat met lege handen omdat ook dit andere bedrijf hem, vanwege bovenstaande, niet zal inhuren.

Het gevolg van de wijzigingen in de Auteurswet is dat, als er al wordt overgegaan tot licentieverstrekking, een licentie van een zzp’er in waarde zal dalen. Een licentienemer bedenkt zich immers wel drie keer voordat hij betaalt voor een licentie waarbij veel macht in handen van de licentiegever blijft. De verbeterde bescherming van de auteursrechten van een natuurlijk persoon leidt zo, voor de zzp’er in de IT, tot minder verdiensten.

Geen ontkomen aan de Auteurswet en haar gevolgen.

In een overeenkomst uitwijken naar een ander rechtstelsel dan het Nederlandse om zo toch auteursrechten over te dragen is geen oplossing. Als de overeenkomst geheel of in overwegende mate in Nederland ten uitvoer wordt gebracht zijn de voorschriften in de auteurswet van kracht. Vanuit een ander land de werkzaamheden verrichten lost dus niets op. Van deze bepaling kan door de maker geen afstand worden gedaan, zelf als hij dat zou willen.
De activiteiten onderbrengen in een B.V. is slechts een gedeeltelijke oplossing voor het probleem. Auteursrechten worden niet vatbaar voor overdracht dus alle rechten op reeds geproduceerde werken blijven bij de zzp’er. Vanuit de B.V. kunnen dan geen rechten op werken geproduceerd in het verleden worden overgedragen.
Het niet kunnen overdragen van het auteursrecht brengt bovendien met zich mee dat een natuurlijk persoon op deze rechten geen pand of hypotheek kan laten vestigen. Vestigen van dergelijke zekerheidsrechten kan namelijk alleen op overdraagbare goederen. Een pand of hypotheekrecht is voor een bank een belangrijke voorwaarde voor financiering. Een zzp’er kan, na invoering van de wijzigingen zoals voorgesteld, zijn auteursrechten niet als onderpand aanbieden bij de bank. Dit terwijl juist zzp’ers voor verdere professionalisering van hun dienstverlening en bedrijfsvoering dikwijls externe financiering nodig hebben.
‘Ik ben de maker van een werk en eigenaar van de auteursrechten, ik heb niet het recht om mijn eigen werk inclusief rechten te verkopen of als zekerheid beschikbaar te stellen.’ Deze bizarre stelling is grofweg een van de uitkomsten van het voorontwerp van de nieuwe Auteurswet. Historisch gezien is eigendom echter een recht waarbij bezit, exploitatie, belasting en overdracht naar goeddunken van de eigenaar kunnen worden geregeld.

De voorgestelde Auteurswet en de Arbit.

De overheid zou de zzp’er de helpende hand kunnen bieden door bij overheidsopdrachten zzp’ers dezelfde kansen te geven als bedrijven met rechtspersoonlijkheid (hiertoe is de overheid sowieso verplicht). Het tegenovergestelde is echter waar wanneer men het voorstel tot wijziging van de Auteurswet naast de Arbit legt. De Arbit betreft standaard ICT inkoopvoorwaarden van de overheid.
Op grond van artikel 8 van de Arbit dienen intellectuele eigendomsrechten bij voorbaat aan de overheid te worden overgedragen zodra er sprake is van een prestatie welke specifiek voor de overheid is ontworpen of gemaakt. Deze bepaling staat haaks op het voorstel tot wijziging van de Auteurswet waarin overdracht van auteursrechten door natuurlijke personen, ook als zij handelen in de uitoefening van beroep of bedrijf, onmogelijk is. Zoals besproken kunnen bedrijven met rechtspersoonlijkheid hun auteursrechten wel overdragen en kunnen dus, in tegenstelling tot een zzp’er, aan bovenstaande bepaling voldoen.
De zzp’er kan niet meer dan gebruikslicenties verschaffen. Bij het bepalen van de omvang van de gebruikslicenties vereist artikel 43 van de Arbit verlening van een ‘eeuwigdurend en onherroepelijk’ gebruiksrecht. De Auteurswet kent voor een maker zijnde een natuurlijk persoon slechts een gebruiksrecht van maximaal 5 jaar en onherroepelijk is dit gebruiksrecht allerminst. Ook met de overheid zelf als klant is licentieverlening geen afdoende alternatief voor de overdracht van auteursrechten.

Als men de Arbit als uitgangspunt neemt, heeft de onmogelijkheid tot overdracht van auteursrechten en de beperkingen op de licentieverlening discriminatie bij het plaatsen van overheidsopdrachten tot gevolg. Zpp’ers zijn, bij invoering van de voorgestelde wijzigingen, niet in staat om aan de vereisten in de Arbit te voldoen terwijl bedrijven met rechtspersoonlijkheid dit wel kunnen. Een van de uitgangspunten van de Europese markt is het creëren van gelijke kansen voor alle ondernemers op deze markt. Het heeft er alle schijn van dat de overheid dit vergeten is bij het voorstel tot wijziging van de Auteurswet. Zoals eerder gezegd is het wetsvoorstel voorbijgegaan aan de verschillen tussen de sectoren waarop de Auteurswet invloed heeft. Muzikanten en kunstenaars hebben misschien behoefte aan een betere bescherming van hun auteursrechten maar voor de zzp’er in de IT branche en zijn opdrachtgever is het te hopen dat de voorgestelde wijzigingen geen doorgang vinden.
De overheid zelf is hier ook bij gebaat. De Nederlandse overheid maakt zich, bij daadwerkelijke invoering van de wet, schuldig aan discriminatie van natuurlijke personen bij het plaatsen van overheidsopdrachten welke de overdracht van auteursrechten of het verlenen van gebruikslicenties op auteursrechten verlangen.

Lees het voorontwerp wetsvoorstel en de toelichting erop hier.

Met dank aan Teun Burgers,
Cordemeyer & Slager Advocaten.

IT 94

Voorbeeld voor beheersregels archief

Altijd handig om een voorbeeld bij de hand te hebben voor een regeling voor archiefbeheer. Volgens de Archiefwet moeten overheidsorganisaties beschikken over beheersregels waarin de verantwoordelijkheden van hun archiefbeheer zijn vastgelegd. Bij OPTA zijn deze beheersregels vastgelegd in de Beheersregeling document- en archiefbeheer 2010 dat op 27 september 2010 is gepubliceerd. Deze regeling kan natuurlijk ook een goede inspiratiebron zijn in een commerciële setting. 

In deze nieuwe versie zijn de verantwoordelijkheden voor de decentrale archieven van OPTA en verwijzingen naar gewijzigde regelgeving geactualiseerd. Nieuwe versies van de beheersregeling moeten ook worden gepubliceerd in de Staatscourant.

Lees het oorspronkelijke bericht hier.

Het document vindt u hier.

IT 93

Brinkers is terecht

De klassieker der klassiekers is terecht. Zowel Tina van der Linden (Universiteit Utrecht) als Wouter Dammers (SOLV) wezen ons naar de prachtige site Internetrechtspraak van de Universiteit van Utrecht. Tina van der Linden, die mede verantwoordelijk is voor die website, gaf toestemming voor directe plaatsing op ITenRecht.nl, waarvoor veel dank. Hopelijk volgt er in de toekomst meer, zodat ITenRecht.nl nog completer wordt.

De Hof uitspraak vindt u hier: Gerechtshof 's-Gravenhage 14 maart 1984. Zie de nu al klassiek geworden r.o. 15:

"Het Hof stelt voorop dat het voor de beoordeling van de vraag of door Bronner wanprestatie is gepleegd beslissend is of het advies [...] al of niet voldeed aan de mate van zorgvuldigheid en deskundigheid die van een redelijk handelend en bekwaam automatiseringsdeskundige geëist mag worden."

De latere HR uitspraak vindt u hier: HR 16 april 1986. Zoals Tycho de Graaf (Nauta Dutilh, Universiteit Leiden) terecht opmerkt in voetnoot 12 van zijn boek Exoneraties in (ICT-)contracten tussen professionele partijen, bekrachtigt de HR weliswaar het arrest van het Hof, maar laat de HR, bij gebreke van een daarop betrekking hebbend cassatiemiddel, zich niet uit over de juistheid van deze maatstaf. Algemeen wordt door IT-juristen (en rechterlijke colleges) aangenomen dat de door het Hof geformuleerde maatstaf een juiste maatstaf is.

IT 90

Software in de markt zetten mislukt

Gerechtshof 's-Gravenhage 12 januari 2010, 105.005.825/01 (LJN: BK9370). Kraan en Duolink zijn overeengekomen dat Kraan bepaalde software zal ontwikkelen en op de markt zal zetten. Dat mislukt. De vraag is dan ook of Kraan zich voldoende heeft ingespannen. Het Hof overweegt dat Kraan vooralsnog voldoende heeft aangevoerd om aan te tonen dat zij voldoende heeft ondernomen, maar laat Duolink toe tegenbewijs te leveren.

Kraan heeft onder meer betoogd:

"[5] d. Ondanks de vele kosten en inspanningen die Kraan voor de ontwikkeling, marketing en verkoop
van BouwVision heeft gedaan, is het haar niet gelukt om van BouwVision een succes te maken. Dit is
Duolink eerder ook niet gelukt en Cane later evenmin. Naast de door Duolink voorgestelde getuigen
[getuige 5], [getuige 3] en [getuige 4] kunnen deze inspanningen worden bevestigd door [S] en [B], die
eveneens inhoudelijk betrokken zijn geweest bij de inspanningen van Kraan bij de verdere
ontwikkeling en het in de markt zetten van BouwVision."

Het Hof overweegt:

"9. Na de voorgaande rechtsoverwegingen is bij de verdere beoordeling van het geschil nog slechts de
vraag van belang of Kraan niet of onvoldoende heeft voldaan aan haar verplichting om BouwVision in
combinatie met de Navision programmatuur verder te ontwikkelen en in de markt te zetten. In dit
verband heeft Kraan onder meer diverse schriftelijke stukken overgelegd en naar voren gebracht dat
uit de schriftelijke verklaringen van [getuige 4] en [getuige 3] blijkt dat Kraan aanzienlijke inspanningen
heeft verricht en kosten heeft gemaakt om BouwVision verder te ontwikkelen en in de markt te zetten
en dat het aanbod van Duolink om het van haar verlangde bewijs bij te brengen door het horen van de
door haar voorgestelde vijf getuigen te vaag is en als onvoldoende gespecificeerd dient te worden
gepasseerd.
10 Aan de door Kraan in het geding gebrachte schriftelijke verklaringen van [getuige 4] en [getuige 3]
en de door haar en Duolink in het geding gebrachte schriftelijke bewijsstukken, zoals enkele
Kraankranten uit 2003, 2004 en 2005, de brochure Kraan Business Solutions ten behoeve van onder
meer de stand van Kraan op de (tweejaarlijkse) Internationale Bouwbeurs 2005 in de Jaarbeurs te
Utrecht (in eerste aanleg) en de overeenkomsten met Best Practice Marketing van 19 april 2004 en
met Computervak van 28 mei 2004 (in hoger beroep), kan zonder meer het vermoeden worden
ontleend dat Kraan ook in dit opzicht aan haar verplichtingen uit de overeenkomst jegens Duolink
heeft voldaan, mede gelet op de beleidsvrijheid in het kader van een verantwoorde bedrijfsvoering die
haar hierbij toekomt. Nu Duolink deze verklaringen echter gemotiveerd heeft betwist en enkele
vraagtekens heeft geplaatst bij de overeenkomsten met Best Practice Marketing en Computervak,
dient Duolink in de gelegenheid te worden gesteld om dit vermoeden te ontzenuwen door het horen
van de door haar voorgestelde personen als getuigen."

Lees de uitspraak hier.

IT 89

Een laptop met klantgegevens

Rechtbank Zwolle , 16 juni 2010. Kort geding over oneerlijke concurrentie met gebruikmaking van een laptop met klantgegevens. Schadevorderingen en concurrentieverbod afgewezen. De stellingen over het gebruik van emailadressen waren niet met stukken onderbouwd en de gevorderde laptop was al teruggegeven.

Lees het vonnis hier.

IT 88

Een hulpprogramma “backgrnd exe”

Procederen over software uit 1986 in 2010. Tegenbewijs na tussenvonnis. Een korte selectie uit enkele overwegingen. Gerechtshof 's-Gravenhage , 29 juni 2010, LJN: BN8145

6. [Appellant] heeft zichzelf als getuige voorgebracht. Hij heeft verklaard dat de programmatuur die hij in 1986 van Texcom heeft gekregen niet dezelfde kan zijn geweest als de programmatuur die Texcom aan de deskundige (als zijnde de Syntha programmatuur) heeft verstrekt om de volgende redenen. Met dank aan Mark Jansen, Dirkzwager Advocaten

 

7. Allereerst verklaart hij dat het Syntha-programma dat hij (in 1986) ontving van Texcom niet voorzien was van een gebruikersinterface [...] 
De deskundige stelt immers in haar rapport dat van het door haar onderzochte “Syntha-programma” geen executable version gemaakt kon worden, hetgeen betekent dat het niet (via scherm en toetsenbord) gebruikt kon worden. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is de verklaring van [appellant] op dit punt dus onjuist, althans onbegrijpelijk. In dit verband wijst het hof er op dat [appellant] in de stukken, waar uitvoerig over de authenticiteit van het door de deskundige onderzochte materiaal is gedebatteerd, niet eerder gesteld heeft dat de deskundige over een Syntha-programma met een gebruikerinterface heeft beschikt.

8. Voorts verklaart [appellant] dat hij nooit een backgrndmodule heeft ontvangen,(...) [appellant] stelt in de processtukken ook zelf dat het Synthapakket gebruik maakte van een hulpprogramma “backgrnd exe” (vergelijk pagina 6 van de memorie van grieven). Dit valt ook af te leiden uit de akte van 3 december 1986 (productie 1 bij conclusie van eis van [appellant]) waarbij Syntha Compute(r)s “het telexprogramma Syntha met bijbehorende (backgrnd) modules etc., en de auteursrechten” aan Texcom heeft overgedragen. Dat in de verklaring van 3 december 1986 (waarin [appellant] verklaart wat hij van Texcom heeft ontvangen) dit hulpprogramma niet expliciet wordt genoemd is in het licht van het bovenstaande onvoldoende reden om aan te nemen dat hij dit niet heeft ontvangen.

9. Het hof merkt tenslotte op dat [appellant] niets verklaard heeft waaruit de juistheid zou kunnen worden afgeleid dat zijn stelling dat de door Texcom aan de deskundige ter hand gestelde programmatuur een bewerking moet zijn geweest van de Nethercomm programmatuur die [B] (van Texcom) zich in 1987 wederrechtelijk zou hebben toegeëigend, terwijl juist die stelling - voor zover hier van belang - de basis van zijn verweer was.

10. Het hof is derhalve van oordeel dat [appellant] er niet in geslaagd is voormeld vermoeden te ontzenuwen en dat [appellant] inbreuk heeft gemaakt op de auteursrechten van Texcom met betrekking tot de programma’s Backgrnd en Macros. In zoverre falen de grieven 4 tot en met 7 derhalve.

Lees het volledige arrest hier 

IT 87

Greentech regelgeving die de sector zelf mag uitschrijven

Voer voor de "hardcore" Greentech specialisten. De Europese Commissie houdt een consultatieronde over de eventuele aampassing van bepaalde uitzonderingen in de RoHS-Richtlijn (richtlijn 2002/95/EG betreffende beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur).

De industrie wordt uitgenodigd om op een drietal uitzonderingen in de Richtlijn (over o.a. het gebruik van soldeermetalen in LCD schermen en loodoxide in laserapparatuur) commentaar te geven. Lees het consultatiedocument hier.

IT 86

Oproep aan overheid om te innoveren, opdrachtgeverschap te verbeteren en meer uit te besteden

Het Platform voor de InformatieSamenleving (ECP-EPN) en ICT~Office hebben elk kort commentaar gegeven op de Miljoenennota. ECP-EPN is verheugd dat in de Miljoenennota het belang wordt onderkend van innovatie en de toepassing van technologie, in het bijzonder informatie- en communicatietechnologie, om maatschappelijke vraagstukken zoals de druk op onze concurrentiekracht, een duurzame energievoorziening, de mobiliteit en de roep om een efficiënte overheid, het hoofd te bieden. ICT~Office roept de overheid op beter samen te werken en meer uit te besteden.

 

ICT~Office benadrukt dat de overheid beter moet samenwerken met de ICT-sector en ziet ICT als een essentieel element voor economisch herstel, doordat het innovatie en werkgelegenheid versnelt en voor economische groei zorgt. Door uitbesteding van ICT aan het bedrijfsleven kan de overheid de complexiteit en kosten van haar ICT-dienstverlening beter beheersen. Een succesvolle ICT uitbesteding hangt af van een goede en open relatie. ICT~Offfice vindt dat er extra aandacht nodig is voor goed opdrachtgeverschap en er moet een focus zijn op de juiste motieven voor uitbesteding.
ICT-Office zal de Tweede Kamer daarom vragen in haar behandeling van de Begroting 2011 de mogelijkheid van het uitbesteden van dienstverlening te betrekken bij haar discussie over het verminderen van het aantal ambtenaren.

Ook ECP-EPN ziet een verband tussen de toepassing van ICT en productiviteitsgroei en zegt dat Nederland ondanks hoge lonen toch kan concurreren vooral dankzij een innovatief bedrijfsleven. ECP-EPN is positief over het publiekprivaat programma en verwacht in het kader van duurzaamheid, die zonder toepassing van ICT niet zal worden kunnen bereikt, dat investeringen zullen leiden tot innovatieve bedrijvigheid.
ECP-EPN heeft aanbevelingen gedaan om maatschappelijke problemen op te lossen. Ze meent dat door de inzet van ICT de zorgkostenstijging verlaagd kan worden en de mobiliteit kan worden bevorderd. In het bijzonder door ‘het nieuwe werken’ te bevorderen, kan veel maatschappelijk voordeel behaald worden, wat , wederom, alleen mogelijk is met de toepassing van ICT.

Lees de reactie van ICT~Office hier en van ECP-EPN hier.

IT 85

ISO richtlijn voor Outsourcing wordt een feit

In samenwerking tussen Platform Outsourcing Nederland en NEN is een NEN normcommissie ingesteld die het initiatief heeft genomen voor het ontwikkelen van een wereldwijd erkende ISO-richtlijn voor outsourcing. Het Nederlandse voorstel zal de basis vormen waarop een nationale en internationale werkgroep de richtlijn gaat uitwerken, die vervolgens wereldwijd zal worden geadopteerd.

De tekst van het volledige persbericht:

"Een normcommissie heeft het initiatief genomen voor het ontwikkelen van een wereldwijd erkende ISO-richtlijn voor outsourcing. Deze wordt internationaal door de ISO landen ondersteund. Dat betekent dat een werkgroep de richtlijn gaat uitwerken.
Het Nederlandse voorstel zal de basis vormen waarop een nationale en internationale werkgroep de richtlijn gaat uitwerken, die vervolgens wereldwijd zal worden geadopteerd.

Klantorganisaties krijgen met deze richtlijn zicht op wat er moet worden geregeld om outsourcing goed te kunnen regisseren en op welke wijze het traject van outsourcing volgens best practices kan verlopen. Leveranciers krijgen door deze richtlijn duidelijkheid over wat zij moeten hebben geregeld om outsourcing bij hun klanten te kunnen leveren, maar ook wat zij van hun klanten kunnen verwachten. De richtlijn levert daarmee een belangrijke bijdrage in de professionalisering van outsourcing naar een externe partij. De richtlijn heeft betrekking op alle domeinen van outsourcing, dus zowel ICT, als Facility Management, HRM en andere vormen van dienstverlening.

Straks kan met behulp van de ISO-richtlijn voor outsourcing beter kennis worden uitgewisseld, verzameld en overgedragen. Dat is het grote voordeel wat behaald wordt door invoering van deze richtlijn. Daarmee wordt de richtlijn niet alleen interessant voor opdrachtgevers en leveranciers, maar ook voor adviseurs, juristen, onderzoekers en studenten.

De internationale ISO vergadering over dit onderwerp zal in november 2010 in Nederland plaatsvinden. De ontwikkeling van de richtlijn is nog in de beginfase. De normcommissie staat nu nog open voor nieuwe belanghebbenden om deel te nemen aan het schrijven van de richtlijn.

Meer informatie
Voor meer informatie over de richtlijn en deelname aan de normcommissie kunt u contact opnemen met Frank Willems van Hanze University Groningen, voorzitter van de Nederlandse normcommissie; via e-mail c.b.m.willems@pl.hanze.nl, of telefonisch: (033) 46 777 42 Tim Kniep van NEN, Secretaris van de normcommissie; via e-mail, tim.kniep@nen.nl, of telefonisch: Tim Kniep, telefoon (015) 2 690 100."

Het orginele persbericht is hier te vinden.

IT 84

In verzuim zonder ingebrekestelling

Uit de oude doos. Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30 maart 2010 (Cubeware - A-Line), HD 103.000.883 (LJN: BM0119). Gezien de omstandigheden van het geval kan naar redelijkheid en billijkheid een expliciete schriftelijke ingebrekestelling achterwege blijven en komt Cubeware ondanks het ontbreken daarvan in verzuim. Met dank aan Fehmi Kemal Kutluer, Vondst Advocaten.

A-Line, het oude bedrijf van Nina Brink en inmiddels niet meer bestaand, wint een slepende zaak van ERP-leverancier Cubeware.

Ten aanzien van de betekenis van een rapport dat is opgesteld door een door de rechter benoemde deskundige overweegt het Hof:

"19.3 [...] Aan dergelijke rapporten komt in beginsel grote betekenis toe, zodat bezwaren die ertegen worden ingebracht zwaarwegend dienen te zijn. Het hof stelt vast dat tegen het rapport geen zwaarwegende bezwaren zijn ingebracht, zodat het hof het rapport en de conclusies ervan overneemt en tot de zijne maakt."

De conclusies uit het rapport zijn kenbaar uit het tussenarrest van 29 september 2009:

"16.4 De deskundige komt, kort samengevat, tot de volgende bevindingen en conclusies:

Ad 1
"De levering van de programmatuur volgens de overeenkomst van 14 juli 1997, de CubeWare/Oracle versie, heeft nooit plaatsgevonden. (..) Uit de correspondentie A-Line met CubeWare en de rapportage van Ernst&Young blijkt, dat ook in de periode augustus/september 2000 de Cubewa- re/Thouroughbred versie niet volledig voldeed aan de eisen, geformuleerd op 2 maart 2000 en contractueel vastgelegd 15 juni 2000, die daaraan redelijkerwijze gesteld kunnen worden."

Ad 2
"Levering van de CubeWare/Oracle versie heeft nooit plaatsgevonden. De CubeWare/Thorougbred versie is in gebruik genomen, op de volgende data blijkt de Cubewa- re/Thoroughbred versie niet deugdelijke te werken [volgen data en vindplaatsen] (..) Uit de analyse, gebaseerd op de rapportage van Ernst&Young, blijkt op welke onderdelen het werk (Cubeware 1.0) in het najaar van 2000 in elk geval niet deugdelijk is (..)".

Ad 3
"Gebreken in ERP-programmatuur kunnen naar hun aard nagenoeg altijd worden hersteld volgens standaard methoden en technieken. Beperkingen hierbij zijn: tijd benodigd om de gebreken op te lossen, doorlooptijd, geld en expertise bij de leverancier."

Ad 4
"A-Line heeft door de gebreken schade geleden."

Ad 5
De deskundige acht voor de beantwoording van deze vraag medewerking van de rapporteur van Ernst & Young EDP Audit noodzakelijk. Omdat deze daartoe niet bereid is gebleken, kan de deskundige deze vraag niet beantwoorden.

Ad 6
Bij deze vraag herneemt de deskundige de zes stappen die bij een ERP-implementatie steeds gevolgd moeten worden en beschrijft per stap hoe deze bij A-Line - op onvoldoende wijze - zijn uitgevoerd."

Vervolgens komt de vraag op of Cubeware in verzuim is geraakt, omdat geen schriftelijke ingebrekestelling is verstuurd. Terzake overweegt het hof als volgt:

"19.7 Uit de beantwoording van vraag 3 door de deskundige blijkt dat correcte nakoming niet blijvend of tijdelijk
onmogelijk was. In verband met de vraag of Cubeware ondanks het ontbreken van een schriftelijke ingebrekestelling van de kant van A-Line in verzuim is geraakt dienen de volgende omstandigheden in aanmerking genomen te worden. Allereerst is de oorspronkelijke opleverdatum door Cubeware niet in acht genomen. Vervolgens zijn door partijen nadere afspraken gemaakt die twee hoofdpunten bevatten: enerzijds het voortgaan met de implementatie van Cube 1.0 en het inschakelen van een externe deskundige om een oordeel te geven over het gerealiseerde Cube 1.0 in de organisatie waarna - zonodig - nadere afspraken gemaakt zouden worden. Daarmee is de verdere voortgang van de samenwerking tussen partijen mede afhankelijk gemaakt van een positief oordeel van de externe deskundige, Ernst & Young EDP Audit, die evenwel in oktober 2000 geen positief oordeel heeft gegeven. In de tussentijd, met name op 4 augustus 2000, was door A-Line al aan Cubeware aangegeven dat de voortgang zorgen baarde. Toen op 17 oktober 2000 het rapport van Ernst & Young EDP Audit uitkwam, waarover op 20 oktober 2000 door A-Line aan Cubeware werd geschreven, kon A-Line daaruit redelijkerwijze de conclusie trekken dat verder voortgaan op de ingeslagen weg een heilloze onderneming zou zijn en dat niet te verwachten was dat Cubeware de opdracht alsnog binnen afzienbare tijd tot een goed einde zou kunnen brengen. Cubeware heeft zich tegen dit rapport verzet, zowel naar de inhoud als de totstandkoming ervan, maar uit het thans uitgebrachte deskundigenbericht kan niet anders worden afgeleid dan dat Cubeware in de verschillende fasen van de samenwerking (CubeWare/Oracle, CubeWare/Thoroughbred en Cube 1.0) er niet in is geslaagd om een deugdelijk resultaat te bewerkstelligen, zodat A-Line in oktober 2000 terecht de conclusie heeft getrokken dat Cubeware niet alsnog haar verplichtingen uit de overeenkomst zou (kunnen) nakomen. Onder deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, kan naar het oordeel van het hof naar redelijkheid en billijkheid een expliciete schriftelijke ingebrekestelling achterwege blijven en komt Cubeware ondanks het ontbreken daarvan in verzuim. Om deze redenen slaagt grief 3 in het incidenteel appel."

U kunt het arrest hier vinden.

Het arrest is al eerder besproken op webwereld.

IT 83

OV-bedrijven trekken zich niets aan van inzageverzoek persoonsgegevens

Volgens een onderzoeker aan de Universiteit van Leiden, voldoen vier van de zes Openbaar Vervoer bedrijven niet aan een verzoek tot inzage van zijn persoonsgegevens, zo meldde security.nl gisteren. Connexxion, RET, Veolia en GVB zouden niet voldoen aan de Wbp.

Met dank aan Lot Nelissen, Dirkzwager advocaten

Op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (artikel 35) heb je als betrokkene recht om van een bedrijf of instelling te weten welke persoonsgegevens van jou worden verzameld of vastgelegd, wat het doel is van het gebruik van deze gegevens en aan wie de gegevens eventueel zijn verstrekt. Het bedrijf of de instelling (de verantwoordelijke) moet de betrokkene deze gegevens schriftelijk binnen vier weken mee delen. De onderzoeker had op 20 juli 2010 een dergelijk verzoek bij 6 OV-bedrijven ingediend. Slechts 2 bedrijven voldeden aan zijn verzoek, te weten TLS en de NS.

Zo kreeg hij van TLS te weten dat TLS zijn NAW-gegevens, pasfoto, geboortedatum, geslacht, OV chipkaart nummer, gegevens omtrent de kaart, transactiegegevens, gegevens over het gebruik van de kaartservices en klanten en informatieverzoeken vastlegt. Hem bleek dat elk in- en uit-checkmoment wordt vastgelegd met daarbij de plaats en de datum.

De overige vervoersbedrijven reageerden niet of onvoldoende op zijn verzoek. RET gaf aan dat zij geen persoonsgegevens verwerkt terwijl in hun algemene voorwaarden staat dat ze dat wel degelijk doen. Ditzelfde geldt voor Veolia. GVB stuurde wel een brief, maar de bijlage met een overzicht van de gegevens van de onderzoeker ontbrak. Connexxion reageerde helemaal niet op zijn verzoek tot inzage van zijn persoonsgegevens. Deze vier OV-bedrijven voldoen aldus niet aan de Wet bescherming persoonsgegevens. Het College Bescherming Persoonsegevens kan hiervoor een sanctie opleggen, zij zijn immers bevoegd tot het uitdelen van boetes.

Dien je een verzoek als hiervoor beschreven in maar krijg je geen of een onvolledige reactie, dan kun je je wenden tot het College Bescherming Persoonsgegevens. Je kan daar een bemiddelingsverzoek indienen. Het Cbp kan in dat geval helpen inzage in de persoonsgegevens te verkrijgen, of voorlichten hoe om te gaan met een weigering.

Dit bericht is oorspronkelijk verschenen op: http://dirkzwagerieit.nl/2010/09/22/ov-bedrijven-trekken-zich-niets-aan-van-inzageverzoek-persoonsgegevens/

IT 82

Over ernstige tekortkomingen die de ontbinding toch niet rechtvaardigen

Gerechtshof ’s-Gravenhage 7 september 2010 (D.O.R.C./TNO), LJN: BN7804. Procedure over mislukt ontwikkeltraject. Hoewel het geen software maar een medisch apparaat betreft, doet de zaak niet onder voor menig mislukt automatiseringsproject. 

 DORC (Dutch Ophthalmic Research Center) heeft vanaf 1998 een aantal overeenkomsten met TNO gesloten voor de doorontwikkeling van een apparaat gebruikt bij oogchirurgie, de zogeheten Harmony. De door TNO in vijf fases te ontwikkelen versie (nu de Associate geheten), loopt echter vanaf fase drie vertraging op. DORC vordert gedeeltelijke ontbinding en schadevergoeding. De rechtbank  verklaart voor recht dat de overeenkomst die betrekking heeft op de vierde fase rechtsgeldig is ontbonden.

Het hof is echter van oordeel dat er geen grond is voor ontbinding, maar wel een tekortkoming die vergoeding van het positief contractsbelang rechtvaardigt. Dit is een opmerkelijke conclusie van het hof. Het Hof nam namelijk wel reële tekortkomingen aan; de door TNO ontworpen modellen voor de behuizing en de cartridge voldeden niet aan het programma van eisen(!).  Met dank aan Wouter Seinen, CMS Derks Star Busmann

Kennelijk wil het hof een soort redelijkheidscorrectie toepassen omdat, aldus, het Hof DORC ertoe bijgedragen dat TNO op de gekozen weg is verder gegaan (zie r.o. 9). Voor die correctie wordt niet de weg van (bijvoorbeeld) eigen schuld bewandeld, maar de uitzonderingsbepaling van artikel 6:265 BW (“… tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt”) gebruikt. Hoewel een dergelijke oprekking van deze correctie in de literatuur wel is bepleit, heeft de Hoge Raad dergelijke extensieve interpretaties van de hand gewezen. Dit lijkt dus een gedurfde uitspraak.

Rechtsoverwegingen met betrekking tot de schadebepaling:

“4. In zijn arrest van 21 februari 2008 heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat, hoewel de tekortkomingen in de fasen 3 en 4 uiteindelijk niet de ontbinding van de desbetreffende overeenkomsten rechtvaardigen, wel plaats is voor (de subsidiair door DORC gevorderde) vervangende schadevergoeding en dat daarbij het positieve contractsbelang tot uitgangspunt dient te worden genomen. Dat betekent dat DORC door de schadevergoeding in de positie moet worden gebracht alsof de overeenkomst (wat fase 3 en 4 betreft) correct was nagekomen, dit zonodig met inachtneming van hetgeen omtrent de reikwijdte van de exoneratie van TNO is overwogen.”

Het positieve contractsbelang wordt vastgesteld op het bedrag dat geïnvesteerd is om alsnog het overeengekomen product te verkrijgen:

“6. (…) Om die reden heeft het hof – wat betreft de kosten van derden – inzicht willen verkrijgen in de kosten die zijn gemaakt om alsnog het (met de tussen DORC en TNO gesloten overeenkomsten) beoogde resultaat te verkrijgen. Hoewel DORC niet met zoveel woorden vergoeding van deze kosten vordert, wordt daarmee een indicatie verkregen van het gedeelte van de kosten van TNO dat vergeefs is gemaakt omdat de betreffende kosten, teneinde het overeengekomen resultaat te bereiken, opnieuw gemaakt moesten worden. Deze wijze van schadebegroting brengt mee dat de (rest)waarde van het door TNO geleverde prototype niet behoeft te worden vastgesteld. Indien DORC de kosten vergoed krijgt die zij, in verband met de tekortkomingen van TNO in de uitvoering van de fasen 3 en 4, heeft moeten maken om in de positie te geraken waarin zij zou hebben verkeerd wanneer TNO de desbetreffende overeenkomsten correct was nagekomen, is daarmee – behoudens beperkingen voortvloeiend uit de regels van stelplicht en bewijslast en de in artikel 8.1 van de algemene voorwaarden overeengekomen exoneratie – haar positieve contractsbelang vergoed.”

Over de afwijzing van de ontbinding:

9. De opdracht aan NPK betreft de ontwikkeling van de behuizing van de Associate en van een nieuw disposable cartridge systeem. Beide betreffen onderdelen van het apparaat ten aanzien waarvan het hof met de deskundige in hetgeen door TNO is afgeleverd (ernstige) tekortkomingen heeft geconstateerd.

Fase 1 voorziet kort gezegd in de overdracht en analyse van de bij DORC aanwezige informatie, bespreking van de kosten en het opstellen van een programma van eisen voor de behuizing en de cartridge. Het hof is van oordeel dat deze werkzaamheden voor het grootste deel redelijkerwijs noodzakelijk waren om NPK in staat te stellen haar werk te doen, zodat deze voor vergoeding in aanmerking komen. Dat is anders wat betreft het opstellen van een plan van eisen voor de behuizing en de cartridge. Nu in het oorspronkelijke programma van eisen (versie 0.8, hierna: PvE) reeds voorzien wordt in de aan de cartridge en de behuizing te stellen eisen (waarmee TNO het moest doen) en DORC heeft verklaard dat dat PvE uitgangspunt is geweest voor de aan derden opgedragen werkzaamheden, acht het hof het (bij gebreke van een nadere toelichting zijdens DORC op dit punt) niet redelijk het opstellen van nieuwe programma’s van eisen toe te rekenen aan de tekortkomingen van TNO.

Fase 2 betreft het ontwerpen en evalueren van concepten voor de behuizing en voor de cartridge. De fasen 3 tot en met 8 betreffen de uitwerking daarvan. Nu de door TNO ontworpen modellen voor de behuizing en de cartridge niet aan het PvE voldeden, waren deze werkzaamheden noodzakelijk en kunnen zij in beginsel worden toegerekend aan de tekortkomingen van TNO. Een deel van de werkzaamheden in de fasen 2 tot en met 8 valt blijkens de omschrijving evenwel samen met de werkzaamheden die door TNO in fase 2 zijn verricht, te weten (onder meer): de ontwikkeling van modellen voor het exterieur (de behuizing) en de cartridge. Nu die werkzaamheden door DORC zijn aanvaard, acht het hof het niet redelijk àlle kosten verband houdend met de fasen 2 tot en met 8 aan de tekortkomingen van TNO toe te rekenen. Immers, door de aanvaarding van die werkzaamheden (modellen) heeft DORC ertoe bijgedragen dat TNO op de gekozen weg is verder gegaan. Dat DORC er, mogelijk met voortschrijdend inzicht harerzijds, kennelijk voor heeft gekozen de behuizing en de cartridge geheel opnieuw te laten ontwikkelen, dient dan in elk geval deels voor haar rekening te blijven"

Ook aan de contractsbepaling “voltooiing van de opdracht” geeft het hof haar eigen uitleg:

“21. Nu partijen van mening verschillen over de uitleg van hun overeenkomst op dit punt, is het aan het hof om vast te stellen wat partijen geacht worden terzake te zijn overeengekomen. Het hof is van oordeel dat DORC de afspraken op dit punt redelijkerwijs niet aldus heeft mogen uitleggen dat zij ook in de onderhavige situatie, waarin zij terzake van de tekortkomingen van TNO gecompenseerd wordt door vergoeding van de kosten die zij heeft moeten maken om alsnog tot het beoogde eindproduct te komen, niet gehouden zou zijn de tweede 50% van de overeengekomen prijs te betalen. Aldus zou DORC immers dubbel gecompenseerd worden voor de tekortkomingen van TNO. Met de betaling van de bij dit arrest vastgestelde schadevergoeding moet de opdracht geacht worden te zijn voltooid.”

Lees het arrest hier

Lees het vonnis van de rechtbank hier

IT 81

Convenant VNG, EZ en BZK inzake aanbesteden onder de drempel

Op 31 augustus jl. sloten de ministeries van Economische Zaken en Binnenlandse Zaken, en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten een convenant om het aanbesteden onder de drempel te uniformeren.

Met dank aan Annechien ten Kate-Sloots, ICT~Office.

In het convenant zijn afspraken gemaakt over de diverse beleidsmaatregelen waar het ministerie van Economische Zaken op dit moment druk mee bezig is. Deze beleidsmaatregelen zouden onder meer aanbestedende diensten moeten professionaliseren. De in het convenant genoemde maatregelen, variërend van Richtsnoeren leveringen en diensten, een Handreiking Proportionaliteit tot modelvoorwaarden, zouden te zijner tijd door de VNG moeten worden opgenomen in een model Inkoopreglement. Dit model zouden gemeenten dan kunnen overnemen ten behoeve van hun eigen inkoopbeleid.

Het convenant treft u hier aan.

 

IT 79

Verwachting klant bepaalt leverplicht

Rechtbank 's-Gravenhage 18 augustus 2010 (Nextprint/TU Delft), 334164/ HA ZA 09-1082 (LJN: BN3944). Onderwerp van geschil is de capaciteit van het online dictaten-bestelsysteem Nextstore dat door Nextprint is geleverd aan TU Delft. Partijen zijn het er over eens dat de overeenkomst geen concrete normen bevat voor de capaciteit van Nextsore. "Bij gebreke aan een concrete norm komt het er op aan wat TU Delft op grond van de Overeenkomst en de verklaringen over en weer redelijkerwijze mocht verwachten van de capaciteit van Nextstore." Met dank aan Polo van der Putt, Vondst Advocaten.

Voor het IT-contractenrecht een uitspraak om te smullen. Uitleg overeenkomst, de vraag of correct is nagekomen, een beroep op overmacht, opschorting, ontbinding, alles komt aan bod.

Vast staat dat de virtuele winkel van Nextprint tijdelijk te weinig capaciteit had om alle bestellingen van de studenten van TU Delf te kunnen verwerken. Maar wat hebben partijen nu afgesproken over de benodigde capaciteit? De overeenkomst is niet concreet:

"4.4. Partijen zijn het erover eens dat de Overeenkomst ten tijde van de problemen in september 2006, geen concrete normen bevatte ten aanzien van de capaciteit waarover Nextstore diende te beschikken. Bij gebreke aan een concrete norm komt het er op aan wat TU Delft op grond van de Overeenkomst en de verklaringen over en weer redelijkerwijze mocht verwachten van de capaciteit van Nextstore. De strekking van de Overeenkomst is het beschikbaar maken van Nextstore, een online bestelsysteem voor dictaten, voor studenten van TU Delft. TU Delft mocht verwachten dat de studenten zich - nadat Nextstore door TU Delft in gebruik was genomen - bij aanvang van het academisch jaar zonder problemen konden registreren en bestellingen konden plaatsen. Dat was in de week van 4 tot en met 8 september 2006 niet het geval. Nextprint erkent dat de capaciteitsproblemen van Nextstore die in die week optraden grotendeels zijn veroorzaakt door een fout in de software en niet hadden mogen plaatsvinden. Op grond van het bovenstaande constateert de rechtbank dat Nextstore in de week van 4 tot en met 8 september 2006 niet aan de Overeenkomst voldeed."

De fout werd veroorzaakt door een fout in de software. Nextprint beroept zich op overmacht, maar de rechtbank gaat daar niet in mee:

"4.5. Nextprint stelt dat er niettemin geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming van haar kant. Zij beroept zich op overmacht en met name op artikel 6.1 van de Overeenkomst, dat onder overmacht mede begrijpt "hardware- en/of infrastructuur verval, [...] en al het overige wat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid als overmacht aangemerkt moet worden". Nextprint heeft echter onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat er sprake is geweest van verval van hardware, dat wil zeggen van hardware die, in combinatie met de toegepaste software, op zichzelf voldoende capaciteit heeft, maar die, bijvoorbeeld door het uitvallen van bepaalde componenten, desalniettemin gebrekkig functioneerde. Verder voert Nextprint aan dat haar op grond van de redelijkheid en billijkheid een beroep op overmacht toekomt. Daartoe voert Nextprint een aantal omstandigheden aan: de capaciteitsproblemen waren snel opgelost en hebben zich daarna niet meer voorgedaan, TU Delft had aan studenten een foute url kenbaar gemaakt, Nextprint had op verzoek van TU Delft een groot aantal aanpassingen in de software doorgevoerd (waaronder de aanpassing die in de praktijk leidde tot het capaciteitsprobleem), de 1200 readers zouden per 1 september 2006 in Nextstore opgenomen zijn maar het aantal gebruikers zou geleidelijk worden opgevoerd doordat de verschillende faculteiten zich geleidelijk zouden aansluiten en de studenten zich geleidelijk zouden registreren, en er waren geen concrete afspraken gemaakt met betrekking tot de capaciteit van Nextstore. De rechtbank kan Nextprint hier niet in volgen. Uit de audit door KPMG (zie r.o. 2.9) blijkt dat er geen technische stresstest is uitgevoerd voor de ingebruikname van Nextstore en dat daarmee tijdig had kunnen worden vastgesteld dat bij een grote belasting van Nextstore er capaciteitsproblemen konden ontstaan. Het is een algemeen bekend feit dat computersystemen voordat zij in gebruik genomen worden adequaat getest dienen te worden en het is, indien een dergelijke test niet plaatsheeft, voorzienbaar dat nadat aanpassingen in de software zijn doorgevoerd het systeem in de praktijk onverwachte gebreken kan vertonen die met een test ontdekt hadden kunnen worden. Tevens was voorzienbaar dat bij de ingebruikneming aan het begin van het academisch jaar de 13.000 studenten, die allen voor de eerste keer van Nextstore gebruik zouden maken en zich daartoe eerst moesten registreren, de capaciteit van het systeem op de proef zouden stellen. Nu Nextprint geen stresstest heeft uitgevoerd, noch TU Delft heeft geadviseerd een stresstest uit te laten voeren, vóór dat Nextstore in gebruik genomen werd, kan onder de hiervoor geschetste omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank van overmacht geen sprake zijn."

Nexprint stelt nog dat is overeengekomen dat in geval van tekortkoming zij een hersteltermijn heeft en dat zij pas bij het falen van het herstel in verzuim is. De rechtbank gaat daar niet in mee:

"4.6. Voorts beroept Nextprint zich op de Aanvullende Voorwaarden, waarin de volgende bepaling is opgenomen: "Nextprint zal zich inspannen om ervoor te zorgen dat Nextstore ingeval van aan Nextprint toe te rekenen factoren niet functioneert, binnen redelijke termijn na melding door de klant, weer voor de klant beschikbaar is." Aan deze bepaling verbindt Nextprint de conclusie dat er pas sprake zou zijn van een tekortkoming van Nextprint indien (i) Nextstore niet zou functioneren en (ii) Nextprint dit niet binnen redelijke termijn zou verhelpen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt dit niet uit de tekst van de genoemde bepaling. Veeleer ligt het voor de hand om de bepaling zo te lezen dat, als er sprake is van een toerekenbare tekortkoming van Nextprint, op Nextprint de verplichting rust om de schade te beperken door het probleem snel op te lossen. Indien Nextprint de bedoeling had om overeen te komen dat er pas sprake is van een toerekenbare tekortkoming indien Nextprint ook tekortschiet in de verplichting om Nextstore weer beschikbaar te maken, dan had het op de weg van Nextprint gelegen om dit met zoveel woorden in haar Aanvullende Voorwaarden te bepalen. Bij gebreke daaraan zal de rechtbank Nextprint op dit punt niet volgen."

De overige (interessante) overwegingen moet u zelf maar lezen. Lees de uitspraak hier.

IT 63

Bewijsbeslag in de wolken

Rechtbank Leeuwarden, 10 september 2010, rekestnummer 106986 / KG RK 10-509. Rechtbank Leeuwarden geeft eerste duidelijke beschikking om bewijsbeslag te leggen in de wolken. Zij heeft na enige aarzeling toestemming gegeven om bewijsbeslag te leggen bij de Cloud Service Providers (zo nodig op afstand via het internet). In hoeverre de data zich feitelijk in het buitenland bevindt, wordt niet in de beoordeling betrokken. Is met deze beschikking de Roode Roos nu voor altijd geknakt? Met dank aan Paul Mazel, Trip Advocaten en Govert Bakker, Equilibristen gerechtsdeurwaarders.

Lees de beschikking, inclusief de eerdere afwijzing, hier.

IT 62

Verwijzing naar online vindplaats is terhandstelling

Rechtbank Amsterdam 17 februari 2010 (Diginotra/De Bedrijvendatabank), 412658 / HA ZA 08-3201 (LJN: BN0310). Diginotar stelt De Bedrijvendatabank in gebreke, maar pas na de ingebrekstelling blijkt dat nakoming blijvend onmogelijk is. Dit leidt tot verzuim. Zijn de algemene voorwaarden rechtsgeldig ter hand gesteld? Vast staat dat de door De Bedrijvendatabank voor akkoord ondertekende offerte een verwijzing naar de vindplaats van de algemene voorwaarden op internet bevat. Mede gelet op het feit dat De Bedrijvendatabank een op digitaal verkeer gericht bedrijf is, oordeelt de rechtbank dat hiermee rechtsgeldig te hand is gesteld. Met dank aan Hans Jansen en Fehmi Kemal Kutluer, Vondst Advocaten.

De belangrijkste overwegingen ten aanzien van de ingebrekstelling en het verzuim:

"4.20. Ontbinding is, behoudens ingeval nakoming tijdelijk of blijvend onmogelijk is, pas mogelijk indien sprake is van verzuim. Diginotar ontkent dat zij in verzuim is en stelt verder dat nakoming niet blijvend onmogelijk is.

4.21. Ter comparitie is vast komen te staan dat “NotarSign” niet de mogelijkheid biedt om twee digitaal getekende documenten in één e-mail te verzenden. Dat de implementatiefase nog niet is afgerond, zoals Diginotar aanvoert, staat er niet aan in de weg dat ook in dat geval ten aanzien van dit punt vast staat dat nakoming blijvend onmogelijk is.

4.22. Ten tijde van de ontbinding ging De Bedrijvendatabank, blijkens de inhoud van de ingebrekestelling van 6 juni 2008 en hetgeen ter comparitie is verklaard, nog niet uit van blijvende onmogelijkheid. In lijn met hetgeen door de Hoge Raad is overwogen in zijn arrest van 29 juni 2007 (LJN AZ4850) met betrekking tot eerst na de ontbindingsverklaring aan het licht gekomen gebreken oordeelt de rechtbank dat de eerst na de ontbindingsverklaring gebleken omstandigheid dat nakoming van een geconstateerde tekortkoming blijvend onmogelijk is van belang kan zijn voor de beoordeling of de ontbinding gerechtvaardigd is. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat een ingebrekestelling met betrekking tot de hiervoor genoemde tekortkoming niet noodzakelijk was. Hetgeen Diginotar met betrekking tot de ingebrekestelling heeft opgemerkt behoeft derhalve wat deze punten betreft geen behandeling meer."

Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de algemene voorwaarden correct ter hand zijn gesteld. Doorslaggevend acht de rechtbank daartoe dat in de voor akkoord ondertekende offerte de voorwaarden van toepassing worden verklaard en de offerte de vindplaats van de voorwaarden op het internet bevat:

"4.31. De Bedrijvendatabank heeft aangevoerd dat de algemene voorwaarden niet aan haar ter hand zijn gesteld. Diginotar stelt dat deze voorwaarden wel zijn overhandigd maar acht los daarvan de in de overeenkomst opgenomen verwijzing naar de vindplaats van de algemene voorwaarden op haar website voldoende, waarbij zij zich beroept op, naar de rechtbank begrijpt, een uitspraak van de rechtbank te Haarlem van 29 augustus 2007 (LJN BB2576).

4.32. De Bedrijvendatabank heeft zich, gelet op hetgeen in de offerte is bepaald onder het kopje “Ondertekening” (zie de eerder bij de feitenweergave aangehaalde passage) door ondertekening van de offerte akkoord verklaard met de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden. De rechtbank begrijpt uit hetgeen De Bedrijvendatabank heeft aangevoerd dat zij ingevolge artikel 6:233 BW een beroep doet op de vernietigbaarheid van artikel 10.4 van de algemene voorwaarden omdat haar geen redelijke mogelijkheid is geboden van de algemene voorwaarden kennis te nemen, hetgeen ingevolge artikel 6:234 lid 1 onder a BW neerkomt op het ter hand stellen van de voorwaarden aan De Bedrijvendatabank.

4.33. In het onderhavige geval is in geschil of de algemene voorwaarden ter hand zijn gesteld. Vast staat evenwel dat de door De Bedrijvendatabank voor akkoord ondertekende offerte een verwijzing naar de vindplaats van de algemene voorwaarden op internet bevat. Het op digitale wijze verschaffen van informatie is tegenwoordig geenszins ongebruikelijk. Mede gelet op de aard van de door De Bedrijvendatabank gevoerde onderneming, een op digitaal verkeer gericht bedrijf, is de rechtbank van mening dat in het onderhavige geval het op elektronische wijze beschikbaar stellen van de algemene voorwaarden gelijkwaardig geacht kan worden aan de feitelijke terhandstelling daarvan als genoemd in artikel 6:234 lid 1 sub BW. Het voorgaande leidt ertoe dat het beroep op de vernietigbaarheid van artikel 10.4 van de algemene voorwaarden geen effect kan sorteren."

De rechtbank geeft hiermee niet alleen een vrije interpretatie van art. 6:234 lid 1 BW, de uitspraak wijkt ook af van de (toen nog toekomstige) regeling van art. 6:234 lid 2 en 3, die bepaalt dat digitale terhandstelling in een offline contract slechts mogelijk is indien de wederpartij daar uitdrukkelijk mee instemt.

Lees de uitspraak hier.

IT 61

Uit de oude doos, in de kennisdatabank van IT en Recht

U heeft al met regelmaat minder recente uitspraken voorbij zie komen op IT en Recht. Daar zitten echte pareltjes tussen. Naast het bieden van actualiteiten beoogt IT en Recht ook een kennisdatabank te zijn. Zo kunt u via de menu's "Veel gebruikte voorwaarden" en "Wet- en regelgeving"  in enkele klikken veel gebruikte voorwaarden en relevante wetgeving vinden, inclusief de parlementaire stukken. Het doel is daarnaast om via IT en Recht alle relevante IT-jurisprudentie te ontsluiten. Er is veel meer dan wij altijd hebben gedacht. En zeker meer dan Computerrecht ons biedt. Deels verstopt op www.rechtspraak.nl, deels in de archieven van advocaten. Vaak slechts bekend bij partijen en nooit ontsloten voor het brede IT-publiek. Vandaar dat regelmatig ook minder recente uitspraken worden gepubliceerd op IT en Recht. Heeft u nog een IT-uitspraak liggen, stuur hem in! Speciale oproep: wie o wie heeft het origineel van het Brinkers-arrest, zodat wij die kunnen toevoegen onder het menu "Klassiekers".

IT 60

FSA deelt recordboete uit ivm ontbreken beveiliging

Financial Services Authority (UK) deelt recordboete van £2,275,000 uit aan Zurich Insurance vanwege onvoldoende beveiliging. Zurich Insurance (althans een zusterbedrijf in Zuid Afrika aan wie de verwerking was uitbesteed) verloor een niet-gecodeerde back-up tape met gegevens van 46.000 polishouders. Doordat adequate 'reporting' ontbrak vernam Zurich Insurance pas een jaar na dato van het incident. Met dank aan Louwrens Phoelich, Allen & Overy.

The Financial Services Authority (FSA) has fined the UK branch of Zurich Insurance Plc (Zurich UK) £2,275,000 for failing to have adequate systems and controls in place to prevent the loss of customers’ confidential information. The fine is the highest levied to date on a single firm for data security failings. The failings came to light following the loss of 46,000 customers’ personal details, including identity details, and in some cases bank account and credit card information, details about insured assets and security arrangements. The loss could have led to serious financial detriment for customers and even exposed them to the risk of burglary. Zurich UK has seen no evidence to suggest that the personal data was compromised or misused. Zurich UK outsourced the processing of some of its general insurance customer data to Zurich Insurance Company South Africa Limited (Zurich SA). In August 2008, Zurich SA lost an unencrypted back-up tape during a routine transfer to a data storage centre. As there were no proper reporting lines in place Zurich UK did not learn of the incident until a year later.

Klik hier voor bericht op FSA website.

Lees het besluit hier.

IT 59

Aanbesteding portaalsite "Uw Europa" ongeldig

Arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 9 september 2010, Evropaïki Dynamiki c.s. / Europese Commissie.

Aanbestedingsrecht. Griekse automatiseerder vordert met succes de nietigverklaring van de Europese aanbesteding van het beheer en het onderhoud van de portaalsite "Uw Europa". Met dank aan Wouter Seinen, CMS Derks Star Busmann

Het besluit van de Commissie van 13 juli 2007 tot afwijzing van de offerte die Evropaïki Dynamiki - Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE in het kader van aanbesteding ENTR/05/78 inzake het beheer en het onderhoud van de portaalsite "Uw Europa" had ingediend voor perceel nr. 2 (infrastructuurbeheer), en tot gunning van deze opdracht aan een andere inschrijver, wordt nietig verklaard.

Lees het arrest hier.