DOSSIERS
Alle dossiers

Internet  

IT 387

Informaticaprestaties kernbeding

Kantonrechter Rechtbank Utrecht 20 mei 2011, LJN BQ6664 (eisers tegen Proximedia B.V.)

Contractrecht. Websites. reflexwerking colportagewet. Beroep op dwaling, wanprestatie, is er sprake van een kernbeding, is dat beding evenwel onredelijk bezwarend?

Bij overeenkomst van 28 september 2006, genaamd “overeenkomst voor informaticaprestaties”, verplicht Proximedia zich tot terbeschikkingstelling aan [eisers] van een multimedia computer en een internetverbinding, het ontwerpen van een website en het verzorgen van een basisopleiding bij het personeel en het leveren van technische bijstand en een helpdesk. Binnen een week is er zowel telefonisch als per email aangegeven dat eiser contract wil annuleren, dat kan slechts tegen kosten. 14 mei 2009 wordt beroep gedaan op vernietigbaarheid, ontbinding, onredelijke bezwarend beding, dwaling en wanprestatie. Vorderingen worden afgewezen.

Vergelijk met RB 662, verder in citaten:

4.1.  [eisers] baseren hun vordering in conventie primair op de (reflexwerking van de) Colportagewet. Zij stellen dat zij materieel met een consument zijn te vergelijken, reden waarom hen via reflexwerking de bescherming toekomt van de Colportagewet.
Proximedia betwist dat aan hen die bescherming toekomt, reeds omdat zij niet te kwalificeren zijn als kleine zelfstandige (eenmanszaak) zonder personeel (ZZP-er), maar als een vennootschap onder firma. [eisers] hebben daartegenover naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gesteld om te kunnen concluderen dat zij vergelijkbaar zijn met een consument. Het enkele feit dat zij geen werknemers in dienst hebben is onvoldoende. Zij hebben niets gesteld omtrent de omvang van hun onderneming, waarin zij beiden werkzaam zijn. Zij stellen dat zij door de vertegenwoordiger zijn bezocht op hun “woon- en/of bedrijfsadres”. De kantonrechter begrijpt uit de dagvaarding dat zij kantoor of filiaal houden op het adres waar de vertegenwoordiger van Proximedia hen beiden heeft bezocht en dat zij door deze derhalve niet zijn bezocht op hun woonadres. Uit de scheiding van zaaks- en woonadres in samenhang met de rechtsvorm van de onderneming kan worden opgemaakt dat het gaat om een iets grotere onderneming, die wat betreft de omvang niet te vergelijken is met de onderneming van een kleine zelfstandige. Daarnaast geldt dat zij vóór het bezoek van de vertegenwoordiger van Proximedia reeds beschikten over een website. Het afsluiten van een overeenkomst als de onderhavige behoort weliswaar niet tot de kernactiviteit van hun onderneming, deze rechtshandeling valt, gelet op de omvang van hun onderneming in samenhang met hun ervaring op het gebied van internetdiensten, echter wel binnen hun deskundigheid als ondernemer.
De kantonrechter komt tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat [eisers] materieel met een consument zijn te vergelijken. Hun beroep op de reflexwerking van de Colportagewet kan daarom niet slagen.

Dwaling: 4.4 (...) Mede gelet op het tijdsverloop tussen het sluiten van de overeenkomst en hun beroep op dwaling moet dit beroep daarom worden verworpen.

Wanprestatie: 4.5.  [eisers] beroepen zich op de ontbinding van de overeenkomst wegens wanprestatie. Zij stellen dat de kwaliteit van de website bedenkelijk is en daarom geen reclame voor hun onderneming. Tijdens de ontwikkeling van de website was de bestaande website uit de lucht gehaald omdat Proximedia hun domeinnaam had weggehaald bij de vorige provider. Toen de website klaar was bleek deze door de zoekmachines niet gevonden te worden.
Proximedia betwist dat zij haar verplichtingen uit de overeenkomst niet zou zijn nagekomen. Zij benadrukt dat [eisers] haar nooit hebben verzocht de website conform hun wensen aan te passen. Dat de bestaande website tijdens de ontwikkeling van de nieuwe website uit de lucht is, is niet meer dan logisch. Nadien is deze direct weer on-line gezet.
Op het moment dat [eisers] te kennen hebben gegeven dat de website niet goed en snel genoeg door de zoekmachines werd gevonden heeft Proximedia hen direct van informatie voorzien over hoe zij ervoor kunnen zorgen dat hun website beter wordt gevonden. Zij verwijst naar haar brief aan hen van 2 januari 2007.

4.6.  [eisers] hebben in reactie op dit verweer van Proximedia niet gesteld dat zij Proximedia hebben aangesproken op de door hen thans gestelde tekortkomingen in de nakoming van de overeenkomst. Proximedia heeft bij conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie als productie 5, 5de pagina een brief van [eisers] aan haar gedateerd 27 december 2006 overgelegd, waarin [eisers] zich erover beklagen dat de website onvindbaar is voor de zoekmachine van Google en waarin zij Proximedia een termijn van 10 werkdagen geven om ervoor te zorgen dat de website goed vindbaar wordt op het internet, bij gebreke waarvan zij de overeenkomst zullen ontbinden wegens wanprestatie. Proximedia heeft daarop schriftelijk gereageerd bij brief van 2 januari 2007 (productie 5,1ste pagina, bij conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie). Zij schrijft in die brief dat zij heeft gecontroleerd door welke zoekmachines de website op dat moment wel gevonden wordt en zij verstrekken aan [eisers] bij die brief een handleiding om de vindbaarheid van de website door zoekmachines te optimaliseren.
[eisers] hebben niet toegelicht dat en of het probleem na het toepassen van de aanwijzingen in de van Proximedia ontvangen handleiding is opgelost en - voor zover dit niet het geval bleek te zijn - wat zij vervolgens nog hebben ondernomen richting Proximedia.
De kantonrechter concludeert daarom dat Proximedia niet in verzuim is geraakt. Aan [eisers] komt daarom niet het recht toe de overeenkomst te ontbinden wegens wanprestatie.

Kernbeding 4.7.  Proximedia betwist de stelling van [eisers] dat artikel 7.1 een beding is in de zin van artikel 7:231 BW. Zij benadrukt dat dit beding voor haar van groot belang is. Zonder dit beding is het voor haar onacceptabel de overeenkomst te sluiten. Proximedia heeft voor [eisers] immers vele investeringen gedaan. In lijn met de parlementaire geschiedenis en de uitspraken van de Hoge Raad van 19 september 1997 (NJ 1998,6) en 21 februari 2003 (JOR 2003,103) dient op grond van objectieve maatstaven aangenomen te worden dat artikel 7.1 een kernbeding is.

2.4.  Artikel 7.1 van de overeenkomst luidt als volgt:
“Onverminderd de verlengingen die verband houden met eventueel gebruik van de optie zoals omschreven in artikel 11, wordt onderhavige Overeenkomst gesloten voor een onherroepelijke en niet reduceerbare termijn van 48 maanden. De Abonnee kan evenwel besluiten om de Overeenkomst te ontbinden mits de betaling van een ontbindingsvergoeding gelijk aan 60% van de nog niet vervallen maandelijkse betalingen voor de lopende periode. In alle andere gevallen van vervroegde contractbreuk door een handeling of een overtreding door de Abonnee, is deze ook gehouden om aan Proximedia, bij wijze van forfaitaire vergoeding, een som te betalen gelijk is aan 60% van de nog niet vervallen maandelijkse betalingen voor de lopende periode.
Als er geen ontbinding van de Overeenkomst wordt aangekondigd door de ene partij aan de andere, drie maanden voor de einddatum van de Overeenkomst, via een aangetekende brief met ontvangstbevestiging, dan wordt de Overeenkomst stilzwijgend verlengd voor een achtereenvolgende periode van één jaar.
In alle gevallen van beëindiging van de onderhavige Overeenkomst door het verstrijken van de termijn of door vervroegde ontbinding, is de Abonnee ook gehouden alle te zijner beschikking gestelde apparatuur onmiddellijk aan Proximedia terug te geven en wordt bij niet-naleving een dwangsom opgelegd van € 50,-- per dag vertraging.”

Onredelijk bezwarend: 4.13(...) Gelet op de aard van die overeenkomst kan een beding waarbij de ondernemer bij tussentijdse beëindiging aan Proximedia een vergoeding is verschuldigd voor reeds gemaakte kosten daarom naar het oordeel van de kantonrechter op zich niet als onredelijk bezwarend worden aangemerkt.

Lees de uitspraak hier (link / pdf)

IT 385

Via Google niet meer vindbaar maken

Rechtbank Zutphen 1 juni 2011, LJN BQ6672 (eiser tegen gedaagde & naam B.V.)

Eiser vordert van gedaagden een verbod om uitlatingen over eiser te doen en verwijdering van uitlatingen over hem van internet (websites, blogs en twitter). De voorzieningenrechter wijst de vorderingen toe. Tijdens een eerder kort geding hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten. Gedaagden hebben geen vordering tot wijziging of (gedeeltelijke) ontbinding van die overeenkomst ingesteld. Onweersproken is dat na het sluiten van de overeenkomst de berichten op het internet zijn geplaatst. Gelet op de inhoud van die berichten staat vast dat de afspraken zoals opgenomen in de vaststellingsovereenkomst niet zijn nagekomen. De vorderingen worden toegewezen.

5.2.  veroordeelt gedaagden om alle aan hen toe te rekenen uitlatingen over [eiser] en zijn activiteiten, in welke vorm dan ook, binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis van internet, onder andere van de navolgende, niet limitatieve lijst van websites en/of twitteraccounts:
- [site C];
- [site D];
- [site E];
- [site F]
- [site B];
- [twitteraccount A];
te (doen) verwijderen en verwijderd te houden, aldus dat die uitingen via Google niet meer zijn terug te vinden;

5.3.  veroordeelt gedaagden om het verspreiden van negatieve berichtgeving over [eiser] en de aan hem gelieerde personen en/of rechtspersonen in welk medium dan ook met onmiddellijke ingang na betekening van het te wijzen vonnis te staken en gestaakt te houden;

Lees de uitspraak hier (link / pdf).

IT 365

Reactie: Verstrekken informatie herroepingsrecht in de algemene voorwaarden is onvoldoende!

Reactie op IT 363 (Herroepingsrecht mag niet in algemene voorwaarden?). Veerle van Druenen van ICTRecht kan zich wél vinden in de uitspraak van de Groningse kantonrechter.

"Het verstrekken van voldoende informatie over het herroepingsrecht aan consumenten is niet alleen voor de consument, maar ook voor u als ondernemer van groot belang. Verstrekt u namelijk onvoldoende informatie over het herroepingsrecht, dan is de consequentie dat de herroepingstermijn verlengd wordt van 7 werkdagen naar 3 maanden. De wet bepaalt dat de informatie die verstrekt wordt ‘duidelijk en begrijpelijk’ moet zijn. Maar wanneer is dat nu het geval? In een recente uitspraak stelde de kantonrechter in Groningen dat het enkele opnemen van de informatie in de algemene voorwaarden in ieder geval niet voldoende is. Volgens mij een terechte uitspraak, hoewel niet iedereen het daar mee eens is.

Volgens de wet moeten alle ondernemers die producten of diensten op afstand verkopen consumenten 7 werkdagen bedenktijd bieden. Ondernemers moeten bovendien voldoende ‘duidelijke en begrijpelijke’ informatie verstrekken over het herroepingsrecht en de manier waarop de consument daarvan gebruik kan maken. Deze informatie moet u niet alleen voor de totstandkoming van de overeenkomst verstrekken, maar ook nog een schriftelijk na de totstandkoming van de overeenkomst. Doet u dit niet, dan wordt de herroepingstermijn aanzienlijk verlengd.

In de in de inleiding genoemde zaak, sloot R. telefonisch een overeenkomst voor de vermelding van zijn gegevens (tegen betaling) op de internetsite van Q. Na het sluiten van de overeenkomst ontving R. de algemene voorwaarden en een welkomstbrief. R. stelt in de procedure (onder meer) dat Q. niet aan zijn informatieplichten heeft voldaan.

De kantonrechter is het daarmee eens. Volgens de rechter heeft Q. onvoldoende informatie verstrekt over het herroepingsrecht en is er daarom sprake van een herroepingstermijn van 3 maanden. Q. stelt weliswaar dat in de algemene voorwaarden – die samen met de welkomstbrief aan R. zijn toegezonden – gewezen wordt op de herroepingstermijn, maar dit acht de rechter onvoldoende. De kantonrechter stelt vast: “dat met de enkele vermelding van de ontbindingsmogelijkheid in de algemene voorwaarden, waarnaar in de welkomstbrief niet wordt verwezen, niet voldaan is aan een duidelijke mededeling als bedoeld in artikel 46c lid 2 BW”.

Dit is wat mij betreft een terechte uitspraak, maar dat is zoals gezegd niet iedereen met mij eens. Zo wordt op It & Recht gesteld dat het een normale praktijk is voor webwinkels om alleen in de algemene voorwaarden te wijzen op het herroepingsrecht. Daarbij wordt uitdrukkelijk verwezen naar de Algemene Voorwaarden Thuiswinkel waarin artikelen over het herroepingsrecht zijn opgenomen en wordt gesteld dat van een consument verwacht mag worden dat hij de algemene voorwaarden erbij pakt als hij een koop wil annuleren.

Volgens mij ligt dat toch anders. Alle leden van de Thuiswinkel Organisatie zijn verplicht om ook buiten de algemene voorwaarden informatie te verstrekken over het herroepingsrecht. Dit wordt (toekomstige) leden van de Thuiswinkel Organisatie dan ook op het hart gedrukt. Ook veel webwinkels die geen lid zijn van de Thuiswinkel Organisatie verstrekken inmiddels informatie over het herroepingsrecht op bijvoorbeeld een informatiepagina en in een informatiebrief die naar de consument toegezonden wordt. Van een normale praktijk waarin slechts in de algemene voorwaarden wordt gewezen op het herroepingsrecht is m.i. (gelukkig) dan ook geen sprake.

Ook met de stelling dat van consumenten verwacht mag worden dat zij de AV lezen als ze iets terug willen sturen ben ik het niet eens. De hele verplichting tot informatieverstrekking bestaat nu juist omdat consumenten vaak niet weten dat ze een herroepingsrecht hebben. Het is dan ook vreemd om van de consument te verwachten dat hij op eigen gelegenheid gaat zoeken of er misschien een manier is om nog onder de overeenkomst uit te komen.

Ook de Consumentenautoriteit, die toezicht houdt op de naleving van het consumentenrecht, acht vermelding in de algemene voorwaarden onvoldoende. De toezichthouder stelt op haar website: De informatie over de bedenktijd moet u per brief melden. U mag deze informatie dus niet alleen per e-mail verstrekken. Ook is het niet voldoende de bedenktermijn op te nemen in de algemene voorwaarden. U kunt het beste de informatiebrief voegen bij het product dat wordt geleverd. Dat is ook het meest praktisch.”

Verder is het belangrijk nog belangrijk om op te merken dat het in de besproken zaak niet ging om de verplichting om vooraf informatie te verstrekken over het herroepingsrecht, maar om de verplichting om uiterlijk bij de nakoming van de overeenkomst de informatie over het herroepingsrecht te verstrekken (dus na het sluiten van de overeenkomst). Uit de wet volgt dat het verplicht is om de informatie over het herroepingsrecht ook nog schriftelijk te verstrekken. Het enkel opnemen van de informatie in de algemene voorwaarden op de website is dus al helemaal niet voldoende!

Ons advies is en blijft dus: verstrek duidelijke informatie over het herroepingsrecht op een informatie- of faq-pagina op de website en in een informatiebrief die u consumenten (per post!) toestuurt na de totstandkoming van de overeenkomst (bijvoorbeeld bij aflevering van het product). Zo komt u als webwinkelier niet voor vervelende verassingen te staan."

Lees de oorspronkelijke blog hier.

IT 363

Herroepingsrecht mag niet in algemene voorwaarden?

Rechtbank Groningen sector kanton 20 april 2011, LJN BQ5238 (Q. tegen R. Bouwkunde).

Met dank aan Polo van der Putt, Vondst Advocaten.

Art. 7:46d jo 7:46c lid 2 BW. Herroeping vermelding in internetgids. Bij diensten op afstand dient dienstverlener tijdig bij de nakoming de afnemer op duidelijke en begrijpelijke wijze te informeren over zijn wettelijke herroepingsrecht. Als hier niet aan wordt voldaan, kan de afnemer de overeenkomst annuleren gedurende 3 maanden na sluiten overeenkomst (i.p.v. de normale termijn van 7 dagen). In deze zaak informeert dienstverlener de afnemer over het herroepingsrecht in zijn algemene voorwaarden. Dat is de gangbare wijze van informeren door webwinkels. Toch oordeelt de Groningse rechter dat dit niet overeenkomstig de wet is. Dienen webwinkels hun voorwaarden te herzien?

De kantonrechter oordeelt:

"4.2 [...] Met betrekking tot de vraag of Q. op enig moment heeft meegedeeld dat R. gedurende zeven werkdagen na 18 mei 2010 het recht heeft de overeenkomst zonder opgaaf van redenen te ontbinden, heeft Q. gesteld dat in de algemene voorwaarden, die samen met de welkomstbrief aan hem zijn toegezonden, de bedenktijd van zeven dagen is vermeld. De kantonrechter is evenwel van oordeel dat met de enkele vermelding van de ontbindingsmogelijkheid in de algemene voorwaarden, waarnaar in de welkomstbrief niet wordt verwezen, niet is voldaan aan een duidelijke mededeling als bedoeld in artikel 46c lid 2 BW. Nu niet is voldaan aan alle in artikel 7:46c lid 2 BW gestelde eisen, bedraagt de bedenktijd drie maanden."

Informeren via algemene voorwaarden mag dus niet van de kantonrechter. Dit oordeel staat haaks op het praktijkgebruik van de meeste webwinkels, zie bijvoorbeeld de algemene voorwaarden van Thuiswinkel.org. Als de herroepingstermijn op een logische plek staat in voorwaarden, en zeker als het herroepingsrecht in de inhoudsopgave en titel van een artikel wordt genoemd (zoals bij Thuiswinkel.org), lijkt mij het standpunt van de kantonrechter niet houdbaar. Ook van een consument mag immers verwacht worden dat hij de algemene voorwaarden erbij pakt als hij een koop wil annuleren. Het lijkt mij dan ook niet dat webwinkels op basis van deze uitspraak de wijze waarop zij consumenten informeren hoeven te wijzigen.

Er is nog wel wat meer op te merken bij de uitspraak. De afnemer, zo mogen wij uit de uitspraak afleiden, handelde in de uitoefening van een onderneming (zie de partijnaam en het feit dat de internetgids ondernemingen vermeldt). De Wet Koop op Afstand is uitsluitend van toepassing op consumenten. Nu afnemer niet handelde als consument, is de wet niet van toepassing en komt afnemer überhaupt geen herroepingsrecht toe.

Even aangenomen dat de Wet Koop op Afstand wel van toepassing is, dan vraag ik mij af of de dienstverlener niet een beroep op art. 7:46i lid 5 toekomt. Als met instemming van afnemer met de dienstverlening (vermelding in de gids) wordt begonnen, vervalt het herroepingsrecht.

Tot slot valt op dat afnemer, die telefonisch was benaderd, ontkent dat er telefonsich een overeenkomst tot stand was gekomen. De dienstverlener blijkt echter een bandopname te hebben gemaakt en de rechter is op grond van die opname van mening dat er weldegelijk een overeenkomst is gesloten. Heeft afnemer het zich gewoon niet meer zo goed herinnerd of heeft hij gelogen?

Lees de uitspraak hier (link) of hier (pdf).

IT 358

Artikel Toxbot-zaak

Op 22 februari 2011 heeft de Hoge Raad een opmerkelijk arrest gewezen in de Toxbot-zaak. De meest opvallende aspecten uit het arrest is de gelijkstelling van het besmetten van computers met malware aan het delict computervredebreuk en de extensieve interpretatie van het delict computersabotage. Samen met Bert-Jaap Koops heb ik hier artikel voor het Nederlands Juristenblad over geschreven. Het is artikel hier te downloaden. Eerder heb ik al een blogbericht over deze zaak geschreven.

J.J. Oerlemans & E.J. Koops, ‘De Hoge Raad bewijst een slechte dienst in high-tech-crimezaak over botnets’, Nederlands Juristenblad 2010, vol. 86, nr. 18, pp. 1181-1185

IT 356

Consultatie over Cloud computing

Om de behoeften, barrières, gebruik en kansen van de cloud te indexeren, houdt de Europese commissie een publieke consultatie over cloud computing. Het is als onderdeel van de door Eurocommissaris Kroes gepresenteerde Digitale Agenda van belang hier meer over te weten.

Er kan tot 31 augustus worden deelgenomen aan de enquete, link.

IT 354

Artikel 29 werkgroep: ook locatiegegevens zijn persoonsgegevens

van de SOLV-blog door: Milica Antic.  VolgensThe Wall Street Journal zal de Artikel 29 Werkgroep deze maand nog met een rapport komen waarin het standpunt wordt ingenomen dat ook locatiegegevens persoonsgegevens zijn.

De Artikel 29 Werkgroep is een Europees adviesorgaan dat bestaat uit de privacy toezichthouders van de verschillende Europese lidstaten. Voor Nederland is dat het College Bescherming Persoonsgegevens (‘CBP’). Omdat de Werkgroep daarmee wordt gevormd door de instanties die op nationaal niveau de privacy wetten moeten handhaven, is het een gezaghebbende organisatie.

Lees meer hier (link)

IT 353

disneyland.nl = DISNEYLAND

WIPO Arbitration and Mediation Center. geschillenbeslechter 14 aprrl 2011, Zaaknr. DNL2011-0009 (Disney Enterprises Incorporated tegen Stichting Domain City, inzake disneyland.nl) met dank aan Maarten Haak en Daniël Haije, Hoogenraad & Haak.

Merkenrecht. Domeinnaamrecht. WIPO Geschillenbeslechting (Gregor Vos). Identitieke tekens DISNEYLAND tegen disneyland.nl tegen; beoordelen zonder .nl-toplevel domain. Merken zijn niet doorgehaald, verweerder heeft geen recht noch legitiem belang. voldoende aannemelijk dat verweerder ten tijde van registratie op de hoogte was van merken.

6.A. Hoewel het voor een volledige onderbouwing van een eis op de weg van de eiser ligt om bewijs van gebruik van de relevante merken in te dienen (ook indien die merken wereldwijd bekend zouden zijn), impliceert het feit dat dergelijk bewijs niet is ingediend nog niet dat er – zoals blijkbaar in casu door Verweerder betoogd – geen sprake zou zijn van geldigheid van de ingeroepen merkregistraties. Artikel 2.1 sub a onder I van de Regeling vereist dat een eiser gemotiveerd stelt dat de betreffende domeinnaam identiek is aan of verwarringwekkend overeenstemt met een “naar Nederlands recht beschermd merk”.

Met betrekking tot de vraag of de Domeinnaam identiek is aan of mogelijk verwarringwekkend overeenstemt met de Merken overweegt de Geschillenbeslechter als volgt. Op grond van vaste rechtspraak onder de Regeling dient het top level domein “.nl” bij de beoordeling van overeenstemming tussen merk en domeinnaam buiten beschouwing te worden gelaten (zie Roompot Recreatie Beheer B.V. v. Edoco LTD, WIPO Zaaknr. DNL2008-0008). De Geschillenbeslechter is zodoende van oordeel dat de Domeinnaam <disneyland.nl> identiek is aan de DISNEYLAND Merken van Eiser.

6.C. (...) het is (mede gezien de stellingen van Verweerder over het “Disney concern”) voor de Geschillenbeslechter voldoende aannemelijk dat Verweerder ten tijde van de registratie op de hoogte was van Eiser en van de Merken van Eiser.

Lees de Uitspraak (link en pdf).

IT 352

Ex Parte tegen ISP

Vzr. Rechtbank Amsterdam 12 mei 2011 13.524 (ex parte Eredivisieclubs tegen Internet Dienstverlening B.V.)

met dank aan Arnout Groen, Sven Klos & Laura van Gijn, Klos Morel Vos & Schaap.

Auteursrecht. Live streaming online. Embedding. Ex partebevel tegen Internet Service Provider (ISP). Eredivisieclubs verzoeken de voorzieningenrechter om ex partebevel te geven tegen de ISP die websites welke live streams van live streams van voetbaluitzendingen ondersteund, met succes. Uit het verzoekschrift volgt:

22. Het handelen van de lllegale websites is zonder enige twijfel een (dreigende) inbreuk  op de  auteursrechten van de Verzoekers ten aanzien van de TV-registraties van de Eredivisie wedstrijden. De Illegale Websites maken immers illegale streams met TV-registraties van de Eredivisievoetbalwedstrijden openbaar in de zin van art. 1 jo. 12 lid 1 sub a Auteurswet zonder toestemming van de rechthebbenden (althans zij dreigen dat te gaan doen).

(…) 24. Ook voor zover de streams niet van de illegale Websites zijn, geldt dat deze via een embedded link aan het publiek beschikbaar worden gesteld, hetgeen met zich meebrengt dat er volgens vaste jurisprudentie sprake is van een openbaarmaking in auteursrechtelijke zin.

25. Er bestaat derhalve geen twijfel of de Illegale Websites TV-registraties van Eredivisievoetbalwedstrijden openbaar maken in de zin van art. 12 Auteurswet. Nu deze openbaarmaking gebeurt zonder toestemming van verzoeksters, is sprake van een auteursrechtelijke inbreuk

26. De Illegale Websites bevinden zich fysiek op de servers van de gerekwestreerden. Zij zijn ten aanzien van de Illegale Websites (en de (dreigende) auteursrechtinbreuken die op die websites plaatsvinden) tussenpersonen in de zin van art. 26d Auteurswet. 

Lees de beschikking hier (pdf)

IT 349

Controlevraag is beveiligingsrisico

De controlevraag die veel online aanbieders gebruiken als authenticatiemiddel voordat ze een vergeten wachtwoord toemailen aan een gebruiker, is een beveiligingsrisico. Dat zegt senior beveiligingsonderzoeker Roel Schouwenberg van Kaspersky.

Lees meer hier.