IT 2368

Aanwezigheid camera's gericht op achtertuin buurman is een verregaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer

Vzr. Rechtbank Gelderland 28 september 2017, IT 2368; ECLI:NL:RBGEL:2017:5188 (Buurman met terrashaard tegen buurman met camera) Burengeschil. Inbreuk op privacy. Gedaagde ervaart overlast van de terrashaard in de achtertuin van eiser. De politie is ter plaatse geweest, maar heeft niets ondernomen. Gedaagde heeft een Indoor Camera aan zijn slaapkamerraam bevestigd en is gericht op de achtertuin van eiser en heeft ook foto's van de achtertuin genomen op het moment dat de terrashaard werd gebruikt en die op een openbare Facebookpagina geplaatst. Eiser vordert veroordeling van gedaagde om de camera's te verwijderen. De voorzieningenrechter oordeelt dat de aanwezigheid van de camera's een verregaande inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van eiser en dat de ernst van de stelselmatige inbreuk op de privacy van eiser zodanig is dat het belang van eiser bij verwijdering van de camera’s zwaarder weegt dan het belang van gedaagde bij het behoud van de camera’s. 

Vaststaat dat een of meerdere camera's gedurende meerdere weken op een zodanige manier zijn gemonteerd dat deze uitsluitend opnames kunnen maken en dat voor eiser niet duidelijk is wanneer de camera's in werking zijn. Aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit is niet voldaan. Het bewijs kan ook op minder ingrijpende wijze worden verkregen, bijv. door het nemen van foto's met een los toestel. Dan hoeft eiser niet te vrezen dat zijn achtertuin continu wordt gefilmd en dat deze beelden worden geregistreerd en kan gedaagde toch aantonen welke vormen van overlast hij ervaart. De openbaarmaking van de beelden op Facebook zijn jegens eiser onrechtmatig. De voorzieningenrechter beveelt gedaagde om de camera's te verwijderen en verwijderd te houden en verbiedt gedaagde om foto's van de achtertuin van eiser op internet te publiceren.

4.4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. In deze zaak staat de vraag centraal of [gedaagde] met het gebruik van de camera(’s) onrechtmatig inbreuk maakt op het recht van [eiser] op bescherming van zijn privacy. Uitgangspunt daarbij is dat een inbreuk op een recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in beginsel een onrechtmatige daad oplevert. De aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond kan echter aan een inbreuk het onrechtmatige karakter ontnemen. Of een rechtvaardigingsgrond zich voordoet, kan slechts worden beoordeeld in het licht van alle omstandigheden van het geval. Daarbij moeten tegen elkaar worden afgewogen de ernst van die inbreuk en de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend (HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9609). Tevens dient te worden bezien of het gebruik van de camera voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

4.5. [gedaagde] heeft niet weersproken dat hij camera’s aan de achterzijde van zijn woning heeft gemonteerd en dat die camera’s zijn, althans waren gericht op de achtertuin van [eiser] Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen handelt [gedaagde] daarmee in beginsel onrechtmatig jegens [eiser]
[gedaagde] voert weliswaar aan dat de camera niet permanent op zijn slaapkamerraam is bevestigd, maar slechts op de momenten dat de terrashaard van [eiser] brandt, maar in dit kort geding kan niet worden vastgesteld dat de camera niet langer standaard op het raam is gemonteerd. Evenmin kan worden gecontroleerd welke opnames er op welk moment zijn/worden gemaakt. Daarbij komt dat het voor [eiser] niet duidelijk is of en wanneer er cameraopnames door [gedaagde] worden gemaakt. [gedaagde] heeft ter zitting voorts verklaard dat hij op de vensterbank van zijn slaapkamer een of meer camera’s heeft liggen, maar dat dit zogenaamde “dummies” zijn waarmee geen opnames kunnen worden gemaakt. Of dat klopt is in het kader van deze kort-gedingprocedure niet vast te stellen. Uit de overgelegde foto’s van het slaapkamerraam van [gedaagde] kan in ieder geval niet worden afgeleid dat het gaat om “dummies”, zodat het niet onbegrijpelijk is dat [eiser] ,. zich door de aanwezigheid van deze “dummies” constant bespied voelt door [gedaagde] Vaststaat dat een of meerdere camera’s gedurende meerdere weken op een zodanige manier zijn gemonteerd dat deze uitsluitend opnames maakt/kunnen maken van de achtertuin van Van Zuilekom en dat voor [eiser] niet duidelijk is wanneer de camera(‘s) in werking is/zijn.
Het gebruik van de camera’s is ook niet proportioneel. [gedaagde] stelt weliswaar dat de camera’s slechts zijn geplaatst om bewijs voor een eventuele bodemprocedure te verzamelen van het overlast veroorzakende gedrag van [eiser] , zodat de aanwezigheid van de camera’s is gerechtvaardigd, maar dit bewijs kan ook op minder ingrijpende wijze worden verkregen, bijvoorbeeld door het nemen van foto’s met een los toestel. Op die manier hoeft [eiser] niet te vrezen dat zijn achtertuin continu wordt gefilmd en dat deze beelden worden geregistreerd en kan [gedaagde] met behulp van de foto’s toch aantonen welke vormen van overlast hij door het stoken van de terrashaard ervaart. Daarom is ook aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit niet voldaan.

4.6. Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de aanwezigheid van de camera’s een verregaande inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van [eiser] en dat de ernst van de stelselmatige inbreuk op de privacy van [eiser] die dat met zich brengt zodanig is dat het belang van [eiser] bij verwijdering van de camera’s zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] bij het behoud van de camera’s. [gedaagde] heeft ter zitting (nogmaals) bevestigd dat hij de camera enkel heeft geplaatst om het gebruik van de terrashaard vast te leggen, zodat geen belang bestaat bij het behoud van de camera om deze uitsluitend te richten op het eigen erf van [gedaagde] Van enig belang van [gedaagde] bij de aanwezigheid van de “dummies” op de vensterbank van zijn slaapkamer is niet gebleken. De vordering strekkende tot verwijdering van de camera’s zal daarom worden toegewezen.

4.8. Voorts vordert [eiser] [gedaagde] te verbieden om foto’s en/of camerabeelden van de achtertuin van [eiser] en de personen die zich daarin bevinden op internet te plaatsen. Vaststaat dat [gedaagde] eerder dit jaar zonder toestemming van [eiser] beelden op Facebook heeft geplaatst. Voor zover dit enkel zou zijn gedaan vanwege een beperkte opslagcapaciteit op de harde schijf en de beelden op Facebook slechts werden bewaard, zoals [gedaagde] ter zitting heeft verklaard, heeft te gelden dat hij daarbij rekening had dienen te houden met de openbaarheid van de beelden op Facebook voor anderen. Nu niet in geschil is dat de beelden voor iedere Facebookgebruiker zichtbaar waren, voor de plaatsing van de beelden geen toestemming is verleend en [gedaagde] ook overigens geen deugdelijke reden heeft genoemd op grond waarvan hij gerechtigd was de beelden openbaar te maken, was deze openbaarmaking onrechtmatig jegens [eiser] Hoewel niet kan worden vastgesteld dat de nieuw aangemaakte Facebookpagina met de naam [facebook paginanaam] ook door [gedaagde] is aangemaakt, moet worden voorkomen dat [gedaagde] opnieuw tot onrechtmatige publicatie van beelden van de achtertuin van [eiser] en de mensen die zich daarin bevinden overgaat. Daarom zal de vordering strekkende tot een verbod daartoe worden toegewezen.