IT 2307

ACM heeft terecht last onder dwangsom opgelegd wegens niet-naleving informatievordering

Rechtbank Rotterdam 22 mei 2017, IT 2307, RB 2900; ECLI:NL:RBROT:2017:3849 (Wise Men Media BV. tegen ACM) Bestuursrecht. De ACM had informatie opgevraagd bij Wise Men Media in het kader van de verkooppraktijk van het bedrijf. Er werden ‘gratis’ producten met betaalde vervolgzendingen aangeboden. Wise Men Media gaf geen gehoor aan de vordering, waarna de ACM vervolgens een last onder dwangsom oplegde wegens niet-nalaving van de informatievordering [besluit]. Eiseres betoogt zonder succes dat ACM ten onrechte een last onder dwangsom heeft opgelegd. Beroep wordt afgewezen.

5.2. De rechtbank is van oordeel dat ACM gelet op de stukken waarover zij voorafgaand aan de brieven van 3 en 17 november 2015 beschikte in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat er aanleiding bestond voor het doen van nader onderzoek naar de handelspraktijken van eiseres. De informatievorderingen voldoen daarom aan het in artikel 6b, eerste lid, van de Instellingswet neergelegde redelijkheidsvereiste (Kamerstukken II, 2012/13, 33 622, nr. 3, blz. 46.). Niet gebleken is dat ACM daarbij heeft gehandeld in strijd met artikel 6b, vierde lid, van de Instellingswet. Voorts is niet in geschil dat duidelijk is welke inlichtingen en gegevens van eiseres werden gevorderd. Omdat eiseres geen gevolg heeft gegeven aan de informatievordering van 3 november 2015, die nadien nog is herhaald, is eiseres in overtreding van artikel 6b, eerste en tweede lid, van de Instellingswet en kwam aan ACM de bevoegdheid toe om op grond van artikel 12m, derde lid, van de Instellingswet tot lastoplegging over te gaan.

5.3. Eiseres heeft noch in bezwaar noch in beroep bewijstukken overgelegd ter onderbouwing van haar stelling dat zij niet in staat was aan de last te voldoen. In de bij faxbericht van 17 maart 2017 overgelegde verklaring van S. Silvis staat dat een van de voormalige bestuurders van eiseres aangaf geen tijd meer te willen besteden aan de opvolging van de vragen, onder bijvoeging van de summiere verklaring van een andere voormalige bestuurder, die voor de beantwoording van de vragen van ACM grotendeels verwijst naar de andere voormalige bestuurder die had aangegeven geen tijd meer te willen besteden aan de opvolging van de vragen. Deze verklaring levert geen aanknopingspunten op voor het oordeel dat eiseres ten tijde van de lastoplegging niet in staat was aan de last te voldoen. Daarentegen komt daaruit naar voren dat het wel mogelijk was om aan de last te voldoen, maar dat de betrokkenen, voormalige bestuurders van eiseres, er geen tijd meer aan wilden besteden. Verder blijkt uit deze verklaring niet dat, zoals door eiseres is gesteld, bepaalde informatie niet kon worden aangeleverd omdat in het kader van het faillissement een computer was verkocht. Dat wordt in de verklaring immers niet genoemd als reden waarom informatie niet kan worden aangeleverd. Dat de voor de bedrijfsvoering van eiseres gebruikte computer ten tijde van de informatievordering zou zij verkocht rijmt bovendien niet met de door eiseres ter zitting onweersproken stelling van ACM dat de bedrijfsactiviteiten van eiseres in het laatste kwartaal van 2015 nog niet volledig waren gestaakt, omdat eiseres op dat moment nog meer dan 1.000 klanten had.