IT 2102

Belgische Privacycommissie kan Facebook niet dagvaarden voor Belgische rechtbank

Hof van Beroep Brussel 29 juni 2016, IEfbe 1857; IT 2102 (Facebook tegen Privacycommissie)
De beschikking van de Voorzitter van de Nederlandstalige Rechtbank van Eerste Aanleg Brussel [IEFbe 1569] is ongedaan gemaakt. In die zaak vorderde de Privacycommissie dat Facebook veroordeeld zou worden om te stoppen met het registreren via cookies en social plug-ins van het surfgedrag van internetgebruikers uit België die geen Facebook-account hebben. In eerste aanleg was de vordering van de Privacycommissie ingewilligd geweest.

1. Belgische rechtbanken hebben geen internationale rechtsmacht
Het Hof van Beroep oordeelt dat de Belgische rechtbanken geen internationale rechtsmacht hebben voor een procedure ingesteld door de Belgische Privacycommissie tegen Facebook Inc. en Facebook Ireland Limited, omdat er geen enkele wettelijke bepaling is die hen internationale rechtsmacht verleent:

  • Internationale rechtsmacht kan niet gebaseerd worden op artikel 28, leden 3 en 6 van Richtlijn 95/46. Ten eerste heeft de gehele Richtlijn 95/46, en dus ook artikel 28, lid 6, geen directe werking omdat ze enkel is gericht tot de lidstaten. Ten tweede gaan artikel 28, leden 3 en 6 enkel over de bevoegdheid van de nationale toezichthoudende autoriteiten en niet over de internationale rechtsmacht van de nationale rechtbanken. Artikel 28 is geen “collisieregel”. Artikel 28, lid 3 bepaalt dat elke nationale toezichthoudende autoriteit beschikt over de bevoegdheid om in rechte op te treden en artikel 28, lid 6 bepaalt dat zij die bevoegdheid kan uitoefenen op haar eigen grondgebied ongeacht het toepasselijke nationale recht, maar daaruit volgt niet dat de rechtbanken op dat grondgebied internationale rechtsmacht hebben. Richtlijn 95/46 had immers niet als doelstelling om de internationale rechtsmacht van rechtbanken te regelen. Ten derde zijn de Google Spain- en Weltimmo-arresten van het Hof van Justitie niet relevant, omdat in die zaken de internationale rechtsmacht van de berokken rechtbanken niet werd betwist.
  • Internationale rechtsmacht kan ook niet gebaseerd worden op artikel 32, §3 van de Belgische Privacywet van 8 december 1992. Ten eerste gaat ook dit artikel enkel over de bevoegdheid van de Privacycommissie en niet over de internationale rechtsmacht van de Belgische rechtbanken. Ten tweede laat dit artikel, dat dateert van 1992, niet toe om zonder specifieke bepaling in de wet een interpretatie toe te laten van een later (in 1995) uitgevaardigde Richtlijn volgens dewelke de wetgever in 1992 zou hebben willen vooruitlopen op een internationale rechtsmacht van de Belgische rechtbanken.
  • Het Hof volgt het standpunt van de Privacycommissie en Facebook dat internationale rechtsmacht ook niet gebaseerd kan worden op Verordening 1215/2012 van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel Ibis-Verordening) en het Belgische Wetboek Internationaal Privaatrecht. Die zijn immers enkel van toepassing op “burgerlijke en handelszaken” en geschillen tussen een onderneming en een overheid waarbij de overheid optreedt krachtens overheidsbevoegdheid, vallen buiten het toepassingsgebied van de Verordening en het Wetboek.

Het Hof van Beroep stelt niet welke rechtbanken wél internationale rechtsmacht hebben. Volgens het Hof van Beroep is er geen aanleiding om hieromtrent aan het Hof van Justitie prejudiciële vragen te stellen omdat het niet twijfelt aan het gebrek aan internationale rechtsmacht.

2. Geen hoogdringendheid ten aanzien van Facebook Belgium BVBA
Het Hof van Beroep stelt dat de Belgische rechtbanken wél internationale rechtsmacht hebben over Facebook Belgium BVBA maar vindt dat de zaak ten aanzien van die vennootschap niet hoogdringend is om in kortgeding behandeld te worden:

  • De betrokken praktijken van Facebook dateren al van 2011-2012.
  • Los van de vraag of nieuwe rechtspraak hoogdringendheid kan rechtvaardigen, dateert het Google Spain-arrest van het Hof van Justitie al van 13 mei 2014.
  • Het feit dat de vordering fundamentele rechten en vrijheden van de burgers betreft, volstaat op zich niet opdat de vordering hoogdringend zou zijn.
  • De omstandigheden dat het aantal schendingen een massale omvang zou aannemen, dat het om zeer gevoelige informatie zou gaan, dat het om stelselmatige en zeer langdurige schendingen zou gaan en dat er elke dag nieuwe schendingen zouden gebeuren, zijn niet relevant om de hoogdringendheid te beoordelen.
  • Facebook heeft onlangs haar cookiebeleid aangepast.