IT 2415

De juistheid van een uitlating kan ook blijken uit onderbouwing van ná de uitlating

Rechtbank Rotterdam 15 november 2017, IEF 17295; IT&R 2415; ECLI:NL:RBROT:2017:8878 (Uitlatingen over vermeend afperser). Laster. Media. Eiser stelt dat gedaagde diffamerende en onware uitlatingen heeft gedaan via het VPRO radioprogramma Argos en via de websites van BN de Stem, Breda Vandaag en Omroep Brabant. Gedaagde heeft de naam van eiser niet genoemd, of de beschuldigingen aan eiser geadresseerd, maar de beschuldigingen zijn wel, zonder de naam van eiser te noemen, door journalisten gepubliceerd. Gedaagde voert aan dat de beschuldigingen dat eiser gefraudeerd en afgeperst heeft gegrond zijn. Eiser onderbouwt zijn stelling dat er sprake is van onware uitlatingen niet met stukken of concrete feiten. Het feit dat de uitlatingen mede gebaseerd zijn op verklaringen van recenter datum dan de uitlatingen zelf ontneemt niet de kracht van die onderbouwingen. De juistheid van een uitlating kan ook blijken uit onderbouwing van ná de uitlating. Gedaagde heeft de grenzen van de vrijheid van meningsuiting niet overschreden.

3.7. [gedaagde] voert aan dat de beschuldigingen dat [eiser] gefraudeerd en afgeperst heeft gegrond zijn. Daarbij verwijst [gedaagde] naar onder meer een persverklaring van de Somalische vereniging van journalisten SOLJA van 28 oktober 2015 met als inhoud dat deze journalistenvereniging “strongly condemns the actions of individuals such as [..] [eiser] [..] for their illegitimate, unprofessional and fraudulent practices” en een verklaring van de minister van binnenlandse veiligheid van Somalië van eveneens 28 oktober 2015 met als inhoud onder meer “The author & publisher of the said publications [..] [eiser] is a known fraudster & extortionist who spreads defamatory & false information with the intent of blackmailing prominent & high level government officials including the president in order to extort money from them”. [eiser] voert tegen deze verklaringen allerlei verdachtmakingen aan, maar weerlegt ze niet met stukken of concrete feiten en voert evenmin concrete feiten of omstandigheden aan ter onderbouwing van die verdachtmakingen. Daarom gaat de rechtbank aan die bezwaren van eiser voorbij. Ook al bevatten de verklaringen waarop [gedaagde] zich beroept geen concreet wangedrag van [eiser] , uit die verklaringen komt het beeld naar voren dat [eiser] een afperser en een fraudeur is. Nu het hier om verklaringen van een journalistenvereniging en van een minister gaat, kunnen deze verklaringen als genoegzame onderbouwing voor de uitlatingen van [gedaagde] dienen. De omstandigheid dat de genoemde verklaringen (deels) van een recenter datum zijn dan de gestelde uitlatingen van [gedaagde] , ontneemt niet de kracht aan die onderbouwingen. De juistheid van een uitlating kan ook blijken uit een onderbouwing van ná de uitlating.

3.8. [eiser] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit de feitelijke onjuistheid van de aan [gedaagde] verweten beschuldigingen blijkt.

3.9. Gezien genoemde verklaringen en gelet op het gebrek aan ontzenuwing daarvan, heeft [gedaagde] gronden gehad om de beschuldigingen te uiten. Dat brengt mee dat, indien [gedaagde] de hem verweten uitlatingen inderdaad heeft gedaan, [gedaagde] met die uitlatingen, waarbij hij de naam van [eiser] niet noemde, is gebleven binnen de hem door de vrijheid van meningsuiting gestelde grenzen en dat hij jegens [eiser] niet te ver is gegaan. Daarom kunnen de gestelde uitlatingen niet als onrechtmatig worden gekwalificeerd. Derhalve kan in het midden blijven of [gedaagde] de hem verweten beschuldigingen inderdaad heeft geuit.