IT 1684

De weergave van dit artikel is misschien niet optimaal, omdat deze is overgenomen uit onze oudere databank.

Geen subsidie voor hardwarekosten bij proof of concept

Rechtbank Noord-Nederland 17 januari 2014, IT 1684; ECLI:NL:RBNNE:2014:282 (A1 Internet tegen Samenwerkingsverband Noord-Nederland)
Subsidieaanvraag. In geschil is de vraag of de in de aanvragen opgevoerde hardwarekosten nodig zijn voor een proof of concept (prototype) en zo ja, of ze dan subsidiabel zijn. Bepalend is daarvoor of het werkingsprincipe ook zonder die apparatuur kan worden bewezen. Hoewel de apparatuur nodig is om de software te kunnen ontwikkelen, heeft de apparatuur geen specifiek eigen karakter dat onlosmakelijk is verbonden met het te ontwikkelen prototype. Bovendien mag van eiseres worden verwacht dat deze een zekere basisuitrusting heeft die nodig is voor het bereiken van de doelstelling. Hoewel de in de aanvragen vermelde apparatuur een belangrijke rol speelt bij het ontwikkelen van het prototype, is de apparatuur daar onvoldoende specifiek mee is verbonden, zodat het tot de normale bedrijfsuitrusting van eiseres behoort. Het beroep is ongegrond.

8.5. Ten aanzien van de vraag of de gevraagde apparatuur (hardware) specifiek verbonden is met het prototype, is de rechtbank van oordeel dat – gelet op hetgeen eiseres ter zitting daarover naar voren heeft gebracht – de apparatuur niet specifiek een onlosmakelijk geheel vormt met het te ontwikkelen prototype (software).Weliswaar is zoals hierboven is vastgesteld, de apparatuur nodig om de software te kunnen ontwikkelen, maar de apparatuur heeft geen specifiek eigen karakter dat onlosmakelijk is verbonden met het te ontwikkelen prototype. De software kan ook worden ontwikkeld op andere apparatuur met vergelijkbare algemene specificaties.

Verder is uit de gedingstukken en hetgeen eiseres ter zitting naar voren heeft gebracht, gebleken dat de apparatuur niet alleen wordt gebruikt voor een proof of concept, maar ook voor de verdere doorontwikkeling van de op de apparatuur ontwikkelde basissoftware tot een uiteindelijk commercieel toepasbaar product. In die zin heeft de aangeschafte apparatuur ook een ruimer toepassingsbereik dan alleen het vaststellen van het proof of concept.

Voorts is van belang dat de door eiseres aangeschafte apparatuur (bijvoorbeeld een server) - zo is ter zitting gebleken - in beginsel ook kan worden ingezet voor andere ontwikkelingsprojecten. Dat eiseres dit uit efficiency overwegingen meestal niet doet, doet daar niet aan af.

De rechtbank is voorts van oordeel dat van een bedrijf als dat van eiseres, dat mede tot doelstelling heeft het ontwikkelen van internetsoftware en internetdiensten, mag worden verwacht dat het een zekere basisuitrusting heeft die nodig is voor het bereiken van die doelstelling.

8.6. Op grond van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de in de aanvragen vermelde apparatuur weliswaar een belangrijke rol speelt bij het ontwikkelen van het prototype maar daar onvoldoende specifiek mee is verbonden en tot de normale bedrijfsuitrusting van eiseres behoort.