IT 2557

Privacy mask op camerabeelden beschermt tegen privacyinbreuk

Rechtbank Overijssel 25 april 2018, IT&R 2557; ECLI:NL:RBOVE:2018:1513 (Privacyschending door bewakingscamera) Eiser en gedaagde zijn buren. Gedaagde heeft een bewakingscamera geïnstalleerd gericht op zijn oprit en op een strook van de openbare weg vóór de woning met een parkeerhaven in verband met de vele inbraken in hun woonwijk. Eiser stelt dat zijn privacy wordt geschonden. Het zicht op de oprit van Eiser is in de camerabeelden afgeschermd met zwarte pixels, een zogenoemde ‘privacy mask’. Volgens Eiser kan een privacy mask betrekkelijk eenvoudig worden verwijderd en kunnen de stand en plaats van de camera worden gewijzigd, waardoor hun perceel alsnog in beeld komt. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit ook zal gebeuren. Voorshands geoordeeld bestaat voor het gedeelte van de openbare weg dat op de camerabeelden is te zien voldoende rechtvaardigingsgrond. Tegenover het veiligheidsbelang leidt de camera tot een te geringe inbreuk op de privacy van Eiser. Vordering tot het verwijderen van een camera aan de voorzijde van een woning wordt afgewezen.

4.2. Centraal in deze zaak staat de vraag of [gedaagde 1] c.s. met het gebruik van de camera onrechtmatig inbreuk maken op het recht van [eiser 1] c.s. op bescherming van hun privacy. Uitgangspunt is daarbij dat een inbreuk op een recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in beginsel een onrechtmatige daad oplevert. De aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond kan echter aan een inbreuk het onrechtmatig karakter ontnemen. Of een rechtvaardigingsgrond zich voordoet, kan slechts worden beoordeeld in het licht van alle omstandigheden van het geval. Daarbij moet tegen elkaar worden afgewogen de ernst van die inbreuk en de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend (vgl. HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9609). Tevens dient te worden bezien of het gebruik van de camera voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

4.3. [gedaagde 1] c.s. hebben een proces-verbaal van 9 april 2018 met bijlagen van toegevoegd gerechtsdeurwaarder [naam] te Zwolle overgelegd (hierna: het proces-verbaal). Blijkens het proces-verbaal en de daaraan gehechte foto van een computerscherm met daarop een beeldopname, waarvan niet in geschil is dat het een beeldopname betreft van de camera, is het balkon aan de voorzijde van de woning van [gedaagde 1] c.s. te zien, alsmede een gedeelte van de oprit van [gedaagde 1] c.s. en een strook van de openbare weg vóór de woning van [gedaagde 1] c.s. met een parkeerhaven. Het zicht op de oprit van [eiser 1] c.s. is in het beeld afgeschermd met zwarte pixels, een zogenoemde ‘privacy mask’. De woning en tuin van [eiser 1] c.s. zijn in het geheel niet in beeld door de stand en de plaats van de camera.

4.4. Gelet op het vorenstaande kan niet, althans onvoldoende, worden geoordeeld dat de camera zicht biedt op het perceel van [eiser 1] c.s. en aldus inbreuk maakt op de privacy van [eiser 1] c.s. Volgens [eiser 1] c.s. kan dat echter ieder moment veranderen. Zij stellen daartoe dat een privacy mask betrekkelijk eenvoudig kan worden verwijderd en ook dat de stand en de plaats van de camera kunnen worden gewijzigd, waardoor hun perceel alsnog in beeld komt. Wat verder zij van die mogelijkheid tot verwijdering van onderhavige privacy mask en de wijziging van de stand en de plaats van de camera, [eiser 1] c.s. hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit ook zal gebeuren. Zij hebben daartoe onvoldoende feiten gesteld en onderbouwd tegenover het gemotiveerde verweer van [gedaagde 1] c.s. dat zij het beeldbereik van de camera niet willen wijzigen. [gedaagde 1] c.s. voeren aan dat zij de camera juist hebben geplaatst op zodanige wijze dat zij hun eigen oprit in de gaten kunnen houden en de parkeerhaven voor hun woning, waar hun tweede auto staat geparkeerd, in verband met de vele inbraken in hun woonwijk. Zij hebben daartoe een lijst overgelegd met inbraken en pogingen daartoe in hun woonwijk in de afgelopen paar jaar, en ook een foto van een waarschuwingsbord van de politie/gemeente bij een invalsweg van de wijk, waarop is vermeld ‘licht aan! voorkom inbraken bel 112’. Tegen deze producties hebben [eiser 1] c.s. geen afzonderlijk verweer gevoerd. Verder hebben zij wel gesteld dat [gedaagde 1] c.s. geen tweede auto meer hebben, en dat de enige auto van [gedaagde 1] c.s. op de oprit van [gedaagde 1] c.s. staat, maar dat maakt nog niet dat de camera slechts bedoeld moet zijn om [eiser 1] c.s. te intimideren. De camera heeft een beveiligingsfunctie, aangezien deze de oprit van [gedaagde 1] c.s. bewaakt. Ook uit het aanbod van [gedaagde 1] c.s. om de camera te verwijderen als [eiser 1] c.s. hun conflictgedrag stoppen, volgt onvoldoende dat het [gedaagde 1] c.s. niet is te doen om bewaking van hun eigendommen. Dat voorstel hebben zij immers gedaan onder druk van dit kort geding. Ter zitting hebben [gedaagde 1] c.s. hierover verklaard dat zij voor woongenot bereid waren de camera te verwijderen. Hieruit is af te leiden dat het voor hen uiteindelijk belangrijker is om minder conflicten met de buren te hebben dan dat hun eigendommen worden bewaakt.

4.5. Zoals is overwogen, maakt de camera ook opnames van een gedeelte van de openbare weg die is gelegen vóór de woning van [gedaagde 1] c.s. Voorshands geoordeeld bestaat daarvoor voldoende rechtvaardigingsgrond, gelet op de vele – onweersproken – inbraken en pogingen daartoe in de woonwijk van partijen. Verder worden passanten gewaarschuwd voor de camera door middel van twee stickers. [eiser 1] c.s. hebben weliswaar aangevoerd dat die stickers heel klein zijn en niet gezien zullen worden, maar gesteld noch gebleken is dat de stickers niet voldoen aan (beleids)regels op dit punt. Daarbij komt dat [eiser 1] c.s. zelf al bekend zijn met de aanwezigheid van de camera. Het moet er daarom voor worden gehouden dat [eiser 1] c.s. en hun bezoek er rekening mee kunnen houden dat zij zich vóór de woning van [gedaagde 1] c.s. in het beeldbereik van een bewakingscamera bevinden. Tegenover het veiligheidsbelang van [gedaagde 1] c.s. dat met de camera is gediend, leidt het filmen van een gedeelte van de openbare weg vóór de woning van [gedaagde 1] c.s. dan ook tot een te geringe inbreuk op de privacy van [eiser 1] c.s. om deze inbreuk als onrechtmatig te kunnen bestempelen.

4.6. Gelet op het hiervoor weergegeven toetsingskader is al met al de slotsom dat voorshands geoordeeld geen, althans onvoldoende, grond aanwezig is voor toewijzing van de vorderingen. De vorderingen zullen daarom worden afgewezen.