IT 2550

Vanuit een persoonlijk belang en daarmee wederrechtelijk begonnen met heimelijk opnemen telefoongesprek met raadslid

Rechtbank Midden-Nederland 25 april 2018, IT 2550; ECLI:NL:RBMNE:2018:1723 (IJsselsteinse journaliste) Privacy. Strafrecht. Een 59-jarige journalist uit IJsselstein die in 2014 opnames maakte van een telefoongesprek tussen twee personen had dit niet mogen doen. De vrouw heeft zich schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, maar de rechtbank Midden-Nederland legt haar geen straf op.

De vrouw is werkzaam bij de lokale krant Zenderstreeknieuws. In 2014 was zij op bezoek bij een journalist van een ander medium. Die journalist voerde een telefoongesprek, op luidsprekerstand, met een raadslid uit IJsselstein. Het raadslid wist niet dat de vrouw meeluisterde en beide personen wisten niet dat zij het gesprek met haar mobiele telefoon heeft opgenomen. De journalist heeft verklaard dat zij het opnemen is begonnen als privépersoon omdat het raadslid een conflict met haar had. In het verleden zou het raadslid haar redactie al met brieven en telefoontjes hebben lastiggevallen.

Tijdens het telefoongesprek kwam na verloop van tijd de benoeming van de waarnemend burgemeester van IJsselstein ter sprake. De vrouw is vanuit een persoonlijk belang begonnen met opnemen. Ze heeft hiermee geen wezenlijk maatschappelijk belang of een ernstige misstand aan de orde willen brengen. Dat het gesprek op een gegeven moment een andere wending kreeg – met de burgemeestersbenoeming - maakt dit niet anders. Voor het delen van de informatie wordt de vrouw niet veroordeeld omdat er een belang was om de informatie te delen, namelijk schending van de geheimhouding van de benoemingscommissie.

4.3.2. Vrijspraak van feit 2
In het rapport van Berenschot is weergegeven wat aangever tijdens het door verdachte opgenomen telefoongesprek over de benoeming van de waarnemend burgemeester aan getuige [A] heeft verteld. Er zijn de rechtbank geen concrete aanknopingspunten gebleken dat dit een onjuiste weergave van het telefoongesprek zou zijn. Uit deze weergave kan worden opgemaakt dat aangever concrete aanwijzingen heeft gegeven die het mogelijk maakten de naam van de waarnemend burgermeester te achterhalen. Hij heeft daarmee de in de benoemingscommissie afgesproken geheimhouding geschonden. Dit betreft een als ernstig te kwalificeren gedraging van aangever. De integriteit en betrouwbaarheid van aangever als raadslid zijn hierdoor immers in het geding. Het is van wezenlijk maatschappelijk belang dat een dergelijk handelen van een publiek figuur, een raadslid van een gemeente, aan de orde wordt gesteld en openbaar wordt gemaakt. Dit maatschappelijk belang weegt zwaarder dan het (persoonlijk) belang van aangever bij het niet delen van de opname van het telefoongesprek en de inhoud daarvan door verdachte met anderen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het belang van aangever in feite vooral erin is gelegen dat wordt voorkomen dat kan worden bewezen dat hij te veel informatie heeft gegeven aan de pers over de te benoemen waarnemend burgermeester. Hiermee is aan het vereiste van proportionaliteit voldaan. Ten aanzien van de vraag of er geen andere, minder vergaande manier was om de ernstige misstand aan het licht te brengen wordt overwogen dat aan verklaringen van getuige [A] en verdachte over hetgeen aangever tijdens het telefoongesprek heeft gezegd nog zou kunnen worden getwijfeld, maar aan de inhoud van de opname niet. Ook aan het vereiste van subsidiariteit is daarom voldaan.

Tot slot neemt de rechtbank nog mee dat de kring van mensen aan wie verdachte de opnamen heeft laten horen zeer beperkt was en bestond uit direct belanghebbenden bij deze kwestie, te weten de griffier van de gemeenteraad, een raadslid en medewerkers van Berenschot die onderzoek deden naar integriteitsschendingen door aangever.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet wederrechtelijk heeft gehandeld ten aanzien van het delen van de opnamen, hetgeen onder 2 aan haar is ten laste gelegd. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde.

Met de opname heeft de vrouw een inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het raadslid. Personen die een telefoongesprek voeren moeten er in principe op kunnen vertrouwen dat het gesprek niet door derden wordt opgenomen. De rechtbank vindt net als de officier van justitie dat kan worden volstaan met de constatering dat de vrouw een strafbaar feit heeft begaan en dat ze daarvoor strafbaar is. Er wordt dus geen straf of maatregel opgelegd.

4.3.3.

Ten aanzien van feit 1

4.3.3.1 Overweging

De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde bewezen op grond van de bewijsmiddelen die zijn vermeld in bijlage B bij dit vonnis.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde geen beroep kan doen op het ontbreken van de wederrechtelijkheid en overweegt daartoe als volgt.

Verdachte heeft verklaard dat zij is gestart met het heimelijk opnemen in haar hoedanigheid als privépersoon, omdat aangever een aversie tegen haar zou hebben en al eerder haar redactie met brieven en telefoontjes zou hebben lastig gevallen over haar werk. Verdachte heeft hiermee geen wezenlijk maatschappelijk belang of een ernstige misstand aan de orde willen brengen, maar enkel een conflict tussen haar en aangever. Het ging dus om een persoonlijk belang van verdachte, dat de wederrechtelijkheid van haar gedraging niet weg kan nemen. Dat het telefoongesprek op een gegeven moment een andere wending kreeg en verdachte, zoals zij zelf heeft verklaard, de opname in de hoedanigheid van journaliste door heeft laten lopen, maakt dit niet anders. Verdachte is immers vanuit een persoonlijk belang en daarmee wederrechtelijk begonnen met opnemen van het telefoongesprek en kan zich niet met terugwerkende kracht tot het moment van het starten van de opnamen beroepen op het ontbreken van die wederrechtelijkheid.

De rechtbank zal dan ook tot een bewezenverklaring komen van het onder 1 ten laste gelegde.

 

Afbeelding: CC0 via pxhere.com