IT 2370

Verwerking gedeelten verboden berichten in andere berichten is openbaarmaking verboden berichten

dwangsom

Vzr. Rechtbank Noord-Holland 28 september 2017, IEF 17172; IT 2370; ECLI:NL:RBNHO:2017:8082 (Dwangsom-Executie). Mediarecht. Eiser heeft in het verleden een aantal artikelen geplaatst op zijn website en facebookpagina waarin hij zijn overtuiging uit dat een moord is gepleegd door een ander persoon dan degene die daar nu voor veroordeeld is. Gedaagde is de moeder van de overleden persoon. In een eerder vonnis heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat gedaagde rectificaties dient te plaatsen en de betreffende artikelen dient te verwijderen op straffe van dwangsommen. Eiser vordert nu opheffing van de executie van de dwangsommen. Strikt genomen heeft eiser niet alle rectificaties op zijn homepage geplaatst. Echter, het doel en de strekking van de veroordeling hoeft niet enkel naar de letter uitgelegd te worden. In dit licht zijn de dwangsommen niet verbeurd. Een eventueel nog aanwezig facebookbericht, dat niet meer door kan wijzen, omdat het achterliggende bericht is verwijderd is eveneens geen overtreding van het gebod van de rechter. Echter, de verwerking van gedeelten van de berichten in andere, nieuwe, berichten wordt aangemerkt als openbaarmaking en voorts verbeurt eiser hier wel dwangsommen. Zijn vordering wordt dan ook afgewezen.

4.7. De voorzieningenrechter constateert dat [gedaagde] strikt genomen gelijk heeft wanneer zij stelt dat niet alle rectificaties op de homepage zijn geplaatst. Echter zoals reeds uiteengezet onder r.o. 4.3 spelen ook het doel en de strekking van de veroordeling waaraan de dwangsommen zijn verbonden een rol bij de beoordeling van de vraag of de dwangsommen zijn verbeurd. Een veroordeling dient derhalve niet enkel naar de letter te worden uitgelegd. In het licht hiervan en gelet op de hoogte van de te verbeuren dwangsommen, de inspanningen die reeds ten aanzien van de veroordelingen onder de punten 7.5 tot en met 7.7 van het vonnis door [eiser] waren verricht en de aard en de ernst van de overtreding, had het op de weg van [gedaagde] gelegen om [eiser] tijdig te waarschuwen dat er in haar visie nog niet volledig aan de genoemde punten uit het vonnis was voldaan. [gedaagde] had daarbij moeten uitleggen dat zij erop stond dat de tekst van de rectificaties op de homepage zelf zichtbaar was en dat zij er niet aan hechtte dat de veroordeling voor het overige werd getoond.

4.8. Nu [gedaagde] heeft nagelaten [eiser] hiervoor tijdig en expliciet te waarschuwen, leidt dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de dwangsommen voortvloeiende uit de veroordelingen onder de punten 7.5 tot en met 7.7 van het vonnis van 7 augustus 2017 niet zijn verbeurd.

4.12. Nu vaststaat dat een mogelijke verwijzing op de facebookpagina van [eiser] niet meer kan doorverwijzen naar het betreffende artikel op zijn website, acht de voorzieningenrechter een eventueel nog aanwezige verwijzing op de facebookpagina geen overtreding van het onder 7.4 van het vonnis van 7 augustus 2017 omschreven verbod.

4.14. Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat het dictum van een rechterlijk vonnis moet worden uitgelegd in het licht van de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. Hieruit volgt dat het [eiser] reeds op basis van het vonnis van 7 augustus 2017 duidelijk had moeten zijn dat hij de in 7.4 van dit vonnis opgenomen veroordeling overtrad door delen van het bewuste artikel op zijn website te laten staan. Uit overweging 5.21 van het vonnis blijkt evident dat de verwerking van gedeelten van de verboden artikelen in andere artikelen wordt geïnterpreteerd als een openbaarmaking en dat de veroordeling bijgevolg ook hier op ziet.

4.15. De voorzieningenrechter komt op basis van het voorgaande tot de conclusie dat [eiser] het onder 7.4 genoemde verbod (zie 2.4 van dit vonnis) heeft overtreden als gevolg waarvan hij dwangsommen heeft verbeurd. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat ook wanneer dit anders zou zijn, dit [eiser] niet zou baten, nu hij ook, zoals hierna zal blijken, het in 7.8 van het vonnis van 7 augustus 2017 opgenomen verbod heeft overtreden en reeds als gevolg daarvan het maximum aan dwangsommen heeft verbeurd.

4.18. De voorzieningenrechter volgt [eiser] niet in zijn standpunt. De tekst van 7.8 uit het vonnis van 7 augustus 2017 is helder: het is [eiser] verboden om in woord of geschrift of via welk medium dan ook enige uiting te doen waarin gesteld wordt dat [gedaagde] door haar familie wordt gechanteerd. Uit de tekst van het verbod (“enige uiting”) volgt dat het verbod ook geldt voor uitingen uit het verleden. Met andere woorden, het verbod om een bepaalde uiting te doen impliceert tevens dat het verboden is om reeds gepubliceerde uitingen van dezelfde strekking bij voortduring openbaar te maken. Aldus kan in ernst niet worden betwijfeld dat het handhaven van de gewraakte artikelen op de website in strijd is met de in 7.8 opgenomen veroordeling. Zeker na ontvangst van het exploot van 17 augustus 2017 met de daarbij meebetekende brief van de raadsman van [gedaagde] had het [eiser] duidelijk moeten zijn dat hij op dit punt niet aan het vonnis had voldaan.

4.19. De voorzieningenrechter concludeert op basis van het voorgaande dat het maximum van de te verbeuren dwangsommen (€ 500.000, -) is bereikt. Dit is ook het geval indien alleen de overtredingen in aanmerking zouden worden genomen van na de datum waarop het zo-even genoemde exploot is betekend. Van misbruik van executiebevoegdheid door [gedaagde] is aldus bezien geen sprake. Het vollopen van de dwangsommen is het gevolg van het nalaten van [eiser] om de in het vonnis van 7 augustus 2017 omschreven teksten tijdig van zijn website en facebooksite te verwijderen en niet van de onmogelijkheid om aan deze veroordelingen te voldoen.