IT 2577

Zoekresultaten over muziekproducent en accountant betreffen actueel onderwerp in het algemene publieke debat

Rechtbank Amsterdam 20 maart 2018, IT 2577; ECLI:NL:RBAMS:2018:3354 en Rechtbank Amsterdam 22 maart 2018, IT 2577; ECLI:NL:RBAMS:2018:3355 (Belastingontduiking en integriteit accountants) Privacy. Verzoek verwijdering zoekresultaat Google. Iedere zaak waarin verwijdering van een zoekresultaat wordt verzocht moet een belangenafweging worden gemaakt teneinde een juist evenwicht tussen de betrokken grondrechten vast te stellen. In de twee zaken is er sprake van een actueel onderwerp in het algemene publieke debat, respectievelijk belastingontduiking en de integriteit en deskundigheid van accountants. De eerste zaak betreft een muziekproducent die een bedrag van 1 miljoen euro in een rechtspersoon op Jersey zou hebben gestopt in een poging minder belasting te betalen. De tweede zaak betreft een tuchtklacht tegen een voormalig accountant. In beide zaken leiden de aard van de betrokken informatie en het belang dat het publiek erbij heeft om over deze informatie te beschikken, wat met name wordt bepaald door de rol die verzoeker in het openbare leven speelt, ertoe het recht op vrije meningsuiting inclusief het informatierecht van Google voorrang heeft. De verwijderingsverzoeken worden afgewezen.

Rechtbank Amsterdam 20 maart 2018, IT 2577; ECLI:NL:RBAMS:2018:3354

4.13. De conclusie is dat in iedere zaak waarin verwijdering van een zoekresultaat wordt verzocht aan de hand van de inhoud van het zoekresultaat, met inbegrip van de inhoud van de bronpublicaties waarnaar in dat tekstfragment wordt verwezen, en met inachtneming van artikel 36 en 40 Wbp een belangenafweging moeten worden gemaakt teneinde een juist evenwicht tussen de betrokken grondrechten vast te stellen.

4.14. In deze zaak verwijzen de zoekresultaten naar publicaties van oktober 2012 op Quotenet en in de Telegraaf. De publicaties berichten over het feit dat de Belastingdienst heeft ontdekt dat de bekende ‘[functie]’ [verzoeker] een bedrag van 1 miljoen euro in een rechtspersoon op Jersey heeft gestopt in een poging minder belasting te betalen, dat de Belastingdienst [verzoeker] hiermee heeft geconfronteerd, waarna [verzoeker] zou hebben getracht zich als bestuurder van de rechtspersoon uit te schrijven, hetgeen eveneens door de fiscus is ontdekt. Hierdoor loopt [verzoeker], aldus de publicaties, het risico op een boete of een strafrechtelijke vervolging. [verzoeker] heeft niet aannemelijk kunnen maken dat de berichtgeving onjuist, irrelevant, bovenmatig of achterhaald is. Dat de kwestie in september 2015 met de Belastingdienst is geschikt maakt niet dat de informatie incorrect of verouderd is. Gebruikers zullen begrijpen dat de informatie uit oktober 2012 niet noodzakelijkerwijs de stand van zaken anno 2018 weergeeft. Het feit dat [verzoeker] een geschil had dat met een vaststellingsovereenkomst is geëindigd, brengt niet noodzakelijkerwijs mee dat geen belastingontduiking heeft plaatsgevonden. De bewoordingen in de publicaties zijn niet extreem tendentieus, suggestief of op sensatie gericht en bevat geen onnodig grievende kwalificaties of beschuldigingen. Daarnaast is de inhoud relevant. De publicaties hebben betrekking op de professionele integriteit en fiscale moraal van de zakenman [verzoeker], eigenaar van een groep vennootschappen. [verzoeker] heeft een belastinggeschil gehad in een professionele context. Informatie over het privéleven van [verzoeker] is niet in de publicaties opgenomen. [verzoeker] kan daarnaast worden gezien als een publiek figuur. Voldoende aannemelijk is dat hij nog altijd bekendheid geniet als oprichter van een bedrijf dat muziek bij reclame maakt.

Belastingontduiking is een actueel onderwerp in het algemene publieke debat, zowel in de media als in de politiek. Publicaties in de media over de “Panama Papers” en de “Paradise Papers” leiden nog steeds tot discussie en parlementair onderzoek. [verzoeker] is door zijn ‘Jersey-constructie’ ook onderdeel geworden van deze discussie. Dat hij met de Belastingdienst een regeling heeft getroffen doet daaraan niet af.

Al met al moet worden geconcludeerd dat de aard van de betrokken informatie, de gevoeligheid ervan voor het privéleven van de betrokkene en het belang dat het publiek erbij heeft om over deze informatie te beschikken, wat met name wordt bepaald door de rol die deze persoon in het openbare leven speelt, ertoe leidt dat in dit geval, dat als ‘bijzonder geval’ in de hiervoor bedoelde zin moet worden aangemerkt, het privacybelang en het recht op bescherming van persoonsgegevens van de verzoeker dient te wijken voor het recht op vrije meningsuiting inclusief het informatierecht van Google en het door haar gediende belang van de internetgebruiker. Het verwijderingsverzoek zal dan ook worden afgewezen.

4.16. Het beroep op de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) die met ingang van 25 mei 2018 in werking zal treden doet niets af aan het voorgaande. De AVG en de daaraan ten grondslag liggende Europese regelgeving bevat met betrekking tot de in deze uitspraak besproken onderdelen geen wezenlijk andere bepalingen.

Rechtbank Amsterdam 22 maart 2018, IT 2577; ECLI:NL:RBAMS:2018:3355

4.19. In deze zaak ziet URL I op een zoekresultaat met verwijzing naar een artikel op VEB.nl, een website van de Vereniging voor Effectenbezitters. In de publicatie wordt melding gemaakt van een tuchtklacht van de AFM tegen [verzoeker] wegens beweerdelijke professionele misstappen als voormalig Ernst&Young accountant betrokken bij het inmiddels failliete effectenhandelshuis [naam 1]. Besproken wordt dat de AFM [verzoeker] beschuldigt van het sturen van een valse factuur en het op basis van onvoldoende informatie afgeven van een controleverklaring over het boekjaar 2008. Er wordt verslag gedaan van de openbare zitting bij de Accountantskamer op 17 december 2012. De klacht van het AFM wordt beschreven, evenals de inhoud van het verweer van [verzoeker]. De klacht ziet onder meer op het versturen van valse facturen en het onvoldoende controleren van de jaarrekening. URL II is een vervolgartikel gepubliceerd op VEB.nl van juli 2013. Hierin wordt verslag gedaan van de uitspraak van de Accountantskamer. Vermeld wordt dat een aantal verwijten van de AFM door de tuchtrechter ongegrond is verklaard, waaronder de beschuldiging inzake het versturen van valse facturen. Beschreven wordt dat [verzoeker] een berisping is opgelegd wegens ‘geconstateerde gebreken in het vastleggen van de continuïteitsveronderstelling’ in de jaarrekening 2008 van [naam 1]. Enkele maanden na de goedkeuring van de jaarrekening is [naam 1] failliet gegaan.

URL III verwijst naar een publicatie op Quotenet.nl uit december 2012 waarin wordt vermeld dat [verzoeker] onderwerp is van een klacht van de AFM bij de tuchtrechter maar dat nog niet bekend is hoe die zaak zal aflopen. De artikelen zijn gepubliceerd op nieuwswebsites die een journalistieke functie vervullen. Het zoekresultaat is niet onjuist of achterhaald. De publicaties zijn niet tendentieus, suggestief of op sensatie gericht. Ze bevatten geen onnodig grievende kwalificaties of onheuse beschuldigingen. De tuchtzaak tegen [verzoeker] maakt onderdeel uit van een groter en nog steeds actueel publiek debat over de integriteit en deskundigheid van accountants. Het faillissement van [naam 1] was geruchtmakend. De publicaties beschrijven het toenmalig professionele handelen van [verzoeker]. Weliswaar is [verzoeker] thans niet meer werkzaam als accountant maar wel als advocaat met de financiële sector als aandachtsgebied, gespecialiseerd in ‘Integrity en Compliance’. De tuchtrechtelijke berisping is dan ook een relevant gegeven bij de beoordeling door het publiek en (potentiële) klanten van de professionele integriteit van [verzoeker]. [verzoeker] heeft nog aangevoerd dat hij sinds kort niet meer als advocaat werkzaam is. Deze stelling is door Google bij gebrek aan wetenschap betwist en niet verder door [verzoeker] onderbouwd, zodat daar aan voorbij wordt gegaan. Het is aannemelijk dat het privéleven van [verzoeker] nadelige gevolgen ondervindt van de publicaties en de verwijzing in het zoekresultaat van Google, ondanks dat [verzoeker] hierop niet concreet is ingegaan. Zijn belangen op dat punt wegen echter niet op tegen het belang dat het publiek heeft om kennis te kunnen nemen van de door Google beschikbaar gestelde informatie.

De conclusie is dat de aard van de betrokken informatie en het belang dat het publiek erbij heeft om over deze informatie te beschikken, wat met name wordt bepaald door de rol die [verzoeker] in het openbare leven speelt, ertoe leidt dat in dit geval het privacybelang en het recht op bescherming van persoonsgegevens van [verzoeker] dient te wijken voor het recht op vrije meningsuiting inclusief het informatierecht van Google en het door haar gediende belang van de internetgebruiker. Het verwijderingsverzoek zal dan ook worden afgewezen.