IT 3207

Banken verplicht tot verwerken persoonsgegevens in kader van kredietregistratie

Hof ’s-Hertogenbosch 6 augustus 2020, IT 3207; ECLI:NL:GHSHE:2020:2536 (Appellant tegen Achmea en ABN AMRO) Registratie persoonsgegevens in het kader van kredietregistratie. Het hof Den Bosch bekrachtigt de beschikking van de rechtbank (IT 2943). Ook het hof komt tot de conclusie dat de banken ter uitvoering van hun wettelijke plicht tot deelname aan een kredietregistratiesysteem - en alles wat daar noodzakelijk bij hoort - persoonsgegevens als in deze zaak aan de orde mogen laten verwerken door of registreren bij het BKR op grond van artikel 6 lid 1 sub c AVG (wettelijke verplichting). Om die reden komt het hof niet toe aan een bespreking van de stellingen van appellant als gebaseerd op de artikelen 6 lid 1 sub f (gerechtvaardigd belang), 17 lid 1 (het recht op vergetelheid) en 21 lid 1 (het recht op bezwaar) van de AVG, een en ander zoals reeds door de rechtbank is overwogen en beslist. Noemenswaardig is dat het hof ingaat op het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens d.d. 14 november 2019, waarin de positie van het BKR aan de orde komt in combinatie met de grondslagen van de AVG. Het hof deelt niet de klaarblijkelijke visie van de Autoriteit Persoonsgegevens dat nu bepaalde aspecten van de nadere uitwerking van het verplichte systeem van kredietregistratie niet expliciet bij wet geregeld zijn, daarbij uitsluitend de zogenaamde f-grond als verwerkingsgrond aan de orde is of zou zijn.

3.6.7. Naast hetgeen de rechtbank reeds uitvoerig heeft overwogen en beslist ten aanzien van de belangenafweging dat het hof overneemt als de zijne, overweegt het hof verder dat – tegenover de belangen van financiële instellingen om niet in zee te gaan met een mogelijk onbetrouwbare crediteur en het belang van [appellant] zelf om beschermd te worden tegen overkreditering – onvoldoende zwaarwegende redenen zijn aangevoerd om de banken die BKR-notering vervroegd te laten schrappen. 

De wens van [appellant] om – zonder codering bij het BKR – nieuwe financiële verplichtingen aan te gaan voor de door hem gestelde doelen (grotere woonruimte, andere auto, andere kantoorinrichting) acht het hof op zich zelf van te weinig gewicht om de “BKR-notering”(gegevensverwerking), waarvan niet gebleken is dat deze is gebaseerd op onjuiste uitgangspunten, door de banken voortijdig te laten schrappen. Dat wil zeggen voordat de gebruikelijke vijfjaarstermijn is verstreken.

3.5.14. Het hof deelt dan ook niet de klaarblijkelijke visie van de Autoriteit Persoonsgegevens als hierboven geciteerd dat nu bepaalde aspecten van de nadere uitwerking van het verplichte systeem van kredietregistratie niet expliciet bij wet geregeld zijn, daarbij uitsluitend de zogenaamde f-grond als verwerkingsgrond aan de orde is of zou zijn. Dit zou immers betekenen dat er enerzijds een verplicht systeem is van raadplegen van kredietregistratie en derhalve een verplichting tot meewerken aan het instandhouden van dat systeem, hetgeen volstrekt voldoet aan de c-grond als duidelijke en nauwkeurige rechtsgrond. Dit terwijl anderzijds zelfs de meest voor de hand liggende uitvoeringshandelingen binnen dit systeem als registreren van kredieten en betalingsgedrag, delen en enige tijd bewaren (zie hiervoor) niet onder de ‘noodzakelijke(verwerking) ter uitvoering van een wettelijke verplichting zou vallen”. 

Een dergelijk onderscheid lijkt het hof niet alleen voorshands onwerkbaar in het kader van een adequate en wettelijk verplichte kredietregistratie, maar evenmin nodig om de belangen van de betrokkene conform de AVG adequaat te beschermen. Het hof vindt steun voor deze benadering bij Kranenborg en Verhey, waar zij schrijven (zie bovenstaand citaat) dat niet voor elke afzonderlijke verwerking specifieke, daarop toegespitste wetgeving vereist is, maar dat kan worden volstaan met wetgeving die als basis fungeert voor verscheidene verwerkingen op grond van een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke – in dit geval de banken – rust.